Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL4371

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
399200 CV EXPL 09-1675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter neemt toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan. Daarbij is met name het nalaten van gedaagde om adequaat te reageren op de acties van eiseres en het niet voorkomen van de mogelijkheid dat een op zich zelf onbevoegde medewerker, de vader van de bestuurders, op briefpapier van de vennootschap correspondeerde met eiseres en zich in de procedure onbevoegd als gemachtigde heeft opgeworpen van doorslaggevende betekenis geweest. Tussenvonnis 2. Voor tussenvonnis 1 zie LJN BL4368.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Winschoten

Zaak\rolnummer: 399200 \ CV EXPL 09-1675

Vonnis d.d. 16 februari 2010

inzake

de besloten vennootschap DGMR Bouw BV,

gevestigd te Arnhem,

eiseres, hierna DGMR te noemen,

gemachtigde R. van der Laan, Van der Laan & Partners, Havenweg 11, 6006 SM Weert,

tegen

de besloten vennootschap H.B. Horecabedrijven Exploitatie Noord-Nederland BV,

gevestigd te Nieuwe Pekela,

gedaagde, hierna Horecabedrijven te noemen,

gemachtigde mr. S. van Gessel, advocaat, postbus 125, 9640 AC Veendam.

PROCESGANG

Ingevolge het tussenvonnis van 8 september 2009 hebben beide partijen een nadere conclusie genomen. Daarna is (nader) vonnis bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. Het geschil

1.1 Kort gezegd gaat het in deze zaak, gelijk in het tussenvonnis reeds is omschreven, om het volgende. Tussen partijen is in confesso dat J. begin 2008 opdracht heeft gegeven een DGRM om onderzoek te doen naar de oorzaak van de brand in de horecagelegenheid Turkish Delight te Hoogeveen. De horecazaak was toentertijd eigendom van mevrouw K.

1.2 Ter zake van voormeld onderzoek heeft DGMR aan Horecabedrijven gerapporteerd en haar op 22 april 2008 een factuur ten bedrage van € 3.213,00 doen toekomen. Horecabedrijven heeft die facturen ondanks sommaties onbetaald gelaten. Zij heeft gesteld dat J., de vader van haar bestuurders, niet bevoegd was om de vennootschap in en buiten rechte te vertegenwoordigen en dat J. overigens als vertegenwoordiger van eerder genoemde K. is opgetreden.

2. De beoordeling

2.1 De kantonrechter verwijst naar en neemt over hetgeen bij tussenvonnis van 8 september 2009 is overwogen en beslist.

2.2 In deze zaak dient om te beginnen de meest verstrekkende vraag te worden beantwoord of J. bevoegd was Horecabedrijven te binden dan wel of laatstgenoemde de toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid of bekrachtiging heeft gewekt.

2.3 Indien één van voormelde varianten zich hier niet voordoet zal de vordering moeten worden afgewezen. In dat geval is Horecabedrijven immers hoe dan ook geen partij.

2.4 Wanneer komt vast te staan dat J. wel bevoegd was, althans dat daartoe de rechtens te honoreren schijn is gewekt, komt aan de orde de vraag of J. namens Horecabedrijven al dan niet als vertegenwoordiger is opgetreden van K. Alleen als komt vast te staan dat van vertegenwoordiging sprake was, ligt de vordering, die overigens niet is betwist, voor toewijzing gereed.

2.5 Getuige het door Horecabedrijven overgelegde uittreksel uit het handelsregister was J. niet bevoegd de vennootschap in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Niettemin kan Horecabedrijven worden gehouden aan een door J. gesloten overeenkomst indien uit het handelen en nalaten van Horecabedrijven, handelen en nalaten na de totstandkoming van de overeenkomst daaronder mede begrepen, gememoreerde schijn kan worden afgeleid. Naar het oordeel van de kantonrechter doet een dergelijke situatie zich hier voor.

2.6 Allereerst overweegt de kantonrechter dat onweersproken is gebleven dat DGMR het brandschaderapport heeft gericht aan haar (vermeende) opdrachtgever Horecabedrijven. Gesteld noch gebleken is dat Horecabedrijven zich daarop heeft gewend tot DGMR met de mededeling dat zij niet als opdrachtgever kon worden aangemerkt.

2.7 Voorts stelt de kantonrechter vast dat ook de factuur van DGMR van 22 april 2008 naar Horecabedrijven is gestuurd en dat deze daarop niet heeft laten weten deze niet te zullen voldoen bij gebreke van een opdracht. Dat J. de nota heeft geretourneerd kan Horecabedrijven niet baten, nu zij heeft aangevoerd niet van diens handel en wandel in dezen op de hoogte te zijn geweest.

2.8 Tevens heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat op briefpapier van Horecabedrijven is gecorrespondeerd met DGMR over de onderhavige kwestie. Kennelijk was de schrijver van de brieven, J., in de gelegenheid om van het briefpapier van Horecabedrijven gebruik te maken, hetgeen voor rekening en risico van Horecabedrijven dient te komen.

2.9 Ook van belang is dat J. ter zitting van de kantonrechter is verschenen om mondeling verweer te voeren tegen de vordering van DGMR. Hoewel J. daartoe de bevoegdheid ontbeerde, kon hij kennelijk toch de beschikking hebben over de dagvaarding. Ook die omstandigheid ligt in de risicosfeer van Horecabedrijven.

2.10 Ten slotte speelt een rol dat J. de vader was van de bestuurders van Horecabedrijven en dat Horecabedrijven niet heeft betwist dat deze in dienst was van de vennootschap.

2.11 Nu de toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid en/of bekrachtiging moet worden aangenomen, ligt voor de vraag of J. als vertegenwoordiger is opgetreden. DGMR stelt dat zulks niet het geval is en dat J. direct zaken met haar heeft gedaan, Horecabedrijven daarentegen heeft aangevoerd dat J. als vertegenwoordiger van K. is opgetreden.

2.12 Nu Horecabedrijven zich ter zake op een bevrijdend verweer heeft beroepen dient zij de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden te bewijzen. Horecabedrijven zal in dat bewijs worden toegelaten, zoals in het dictum nader omschreven.

2.13 De zaak zal naar de rolzitting worden verwezen, opdat Horecabedrijven te kennen kan geven of en hoe zij aan de bewijsopdracht wenst te voldoen. Uiteraard kan deze uitlating schriftelijk worden gedaan. Voor het geval Horecabedrijven getuigen wenst te laten horen, dient zij alsdan de namen van de te horen getuigen op te geven alsmede de verhinderdata in de periode van twee maanden volgende op die rolzitting. DGMR dient op deze rolzitting (schriftelijk) haar verhinderdata in deze periode op te geven. Indien een getuigenverhoor dient plaats te vinden, zal op die zitting een datum voor het verhoor worden vastgesteld.

2.14 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

laat Horecabedrijven toe tot het bewijs dat J. begin 2008 namens K. en (voor DGMR kenbaar) als haar vertegenwoordiger opdracht heeft gegeven tot het instellen van een onderzoek naar de oorzaken van de brand in Turkish Delight te Hoogeveen;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 maart 2010 voor uitlating door partijen als bedoeld in overweging 1.13;

bepaalt dat voor de uitlating door partijen en het mogelijk te houden getuigenverhoor in beginsel geen uitstel zal worden verleend;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en op 16 februari 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.