Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL2726

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
18/670250-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Specht-onderzoek. Veroordeelde heeft gedurende een jaar gehandeld in aanzienlijke hoeveelheden hennep. Veroordeling tot een gevangenisstraf van drie maanden.

Wetsverwijzingen
Opiumwet
Opiumwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670250-09 (promis)

datum uitspraak: 5 februari 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. T. van der Goot

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende aan [adres], [plaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

24 september 2009 en 21 en 22 januari 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na de door de rechtbank toegewezen vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering tot nadere opgave van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 19 juni 2009, te

Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, meermalen, in de uitoefening van een beroep of

bedrijf, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, telkens een (grote)

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of op of omstreeks 19 juni 2009 in

de auto Audi A6 kenteken [00-AA-BB] een hoeveelheid van 4 kilogram hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen worden, gelet op de verklaring van verdachte, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1], het proces-verbaal van bevindingen inzake de speurhond, en het proces-verbaal van inbeslagneming.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De in beslag genomen hennep is niet getest, zodat niet kan worden vastgesteld of het daadwerkelijk hennep was. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de ten laste gelegde periode te ruim is, nu niet blijkt van betrokkenheid van verdachte bij de handel in hennep vóór januari 2009. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld, nu hij hoogstens vijf maal heeft geleverd aan slechts één afnemer, in een relatief korte periode en met een relatief geringe winst en er geen plan aan de leveringen ten grondslag lag.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 20 juni 2009, opgenomen op pagina 692-696 van ordner IX van dossier nr. 2008002963 d.d. 26 oktober 2009, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven

Ik heb op 19 juni 2009, 6 kilo wiet verkocht aan iemand die ik “de rooie” noem. Ik had de wiet achterin mijn grijze Audi in een doos. Ik heb de doos achteruit mijn auto gepakt en ben met mijn dochter [betrokkene 1] de woning van de rooie binnengegaan. Ik heb voor de wiet 8000 euro van de rooie gekregen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 juni 2009, opgenomen op pagina 697-698 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven

Ik heb [medeverdachte 1] in het voorbije jaar, tot 19 juni 2009, vijf keer wiet geleverd. Als hij mij belde, dan regelde ik wat. Ik leverde dan ongeveer vijf kilo per keer. Hij betaalde mij daarvoor 3200 euro per kilo.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 25 juni 2009, opgenomen op pagina 555-560 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven

Op 19 juni 2009 heb ik iedereen die ik ken gebeld om te vragen of ze wiet konden leveren. Ik heb ook [verdachte] uit [plaats] gebeld.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 oktober 2009, opgenomen op pagina 11-22 van ordner I van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten, en de daarbij behorende TAP-bijlage, opgenomen op pagina 1105-1136 van ordner VI van voornoemd dossier, zakelijk weergegeven

[medeverdachte 1] belt op 19 juni 2009 om 12.55 uur naar [verdachte].

[medeverdachte 1]: ik kom vandaag misschien een beetje in nood. Kun jij wat doen?

[verdachte]: om hoeveel gaat het dan?

[medeverdachte 1]: 75

[verdachte]: nou kom je echt wel in nood, niet?

[medeverdachte 1]: nou, ik kom aardig ver hoor.

[verdachte]: ik weet ook niet hoeveel ik heb, jong.

[medeverdachte 1]: ongeveer? Vast wel 20 toch?

[verdachte]: nee, ik heb vanmorgen al wat weggedaan namelijk. Kijken hoor. Tien denk ik.

[medeverdachte 1]: oh, dat schiet ook alweer op.

[medeverdachte 1] belt op 19 juni 2009 om 16.55 uur naar [verdachte].

[medeverdachte 1]: hoe laat kun je bij mij zijn?

[verdachte]: kwart voor zes

[medeverdachte 1]: weet je de stand al?

[verdachte]: ik denk een stuk of 6. 6 of 7.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 22 juni 2009, opgenomen op pagina 125-131 van ordner I van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven

Wij, verbalisanten, hebben op 19 juni 2009 stelselmatig geobserveerd en de navolgende waarnemingen gedaan.

Om 17.58 uur stopt er een grijze Audi met kenteken [00-AA-BB] bij de woning aan de [straat 1]. Uit de Audi stappen een man en een vrouw, die met een doos de woning ingaan.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 6 juli 2009, opgenomen in bijlage F van ordner III van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven

Op 19 juni 2009, omstreeks 18.40 uur, heeft een zoeking plaatsgevonden in een personenauto met kenteken [00-AA-BB]. In de auto werd 4 kilo hennep aangetroffen, verpakt in plastic zakken die zich in een vuilniszak bevonden. De eigenaar van de auto is [verdachte].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De raadsman heeft betoogd dat niet te bewijzen is dat verdachte daadwerkelijk in hennep heeft gehandeld, nu er geen henneptests zijn uitgevoerd. De rechtbank overweegt het volgende. De door verdachte vóór 19 juni 2009 geleverde hennep kon niet getest worden, nu deze niet door de politie is aangetroffen. Verdachte heeft evenwel zelf verklaard dat hij vóór 19 juni 25 kilo “wiet” heeft verkocht. De rechtbank hecht geloof aan deze verklaring van verdachte. De door de politie op 19 juni 2009 in verdachtes auto aangetroffen hennep is niet getest door een narcoticadeskundige, maar in het proces-verbaal van inbeslagneming heeft de verbalisant gerelateerd dat het om hennep ging. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van de betreffende verbalisant. Daarnaast heeft verdachte zelf verklaard dat hij ook op 19 juni 2009 “wiet” heeft verkocht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Met betrekking tot het onderdeel ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ is de rechtbank van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in een periode van hoogstens één jaar vijf keer hennep heeft verkocht aan één afnemer. Ofschoon sprake is van activiteiten die het verwerven van inkomsten als hoofddoel hebben, kan naar het oordeel van rechtbank niet worden gesproken van stelselmatigheid of duurzaamheid van verdachtes handelen. Immers was de periode waarin verdachte in hennep heeft gehandeld relatief kort, was het aantal leveringen relatief laag en was er, blijkens de verklaring van verdachte, geen vooropgezet plan omtrent de levering, maar leverde verdachte slechts nadat zijn vaste afnemer hem belde met het verzoek hennep te leveren. Er is daarnaast geen sprake van een kwaliteitsdelict: verdachte kan niet als medepleger aansprakelijk worden gehouden voor beroeps- of bedrijfsmatig handelen van een mededader. Verdachte zal derhalve van dit deel van de tenlastelegging worden vrij-gesproken.

Met betrekking tot de ten laste gelegde periode is de rechtbank van oordeel dat deze kan worden bewezen, aangezien de periode waarin verdachte in hennep heeft gehandeld, blijkens verdachtes verklaring, binnen de ten laste gelegde periode valt.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de term wiet wordt bedoeld een materiaal bevattende hennep.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 19 juni 2009, te Groningen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, telkens een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, en op 19 juni 2009 in de auto Audi A6, kenteken [00-AA-BB], opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 4 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd .

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzittingen en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 7 september 2009, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 juni 2009, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende één jaar gehandeld in aanzienlijke hoeveelheden hennep. De handel in verdovende middelen is bij wet strafbaar gesteld om de volksgezondheid te beschermen. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs ernstige schade berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaan drugshandel en het gebruik van drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan door zijn handelen bijgedragen.

De rechtbank neemt het verdachte daarnaast kwalijk dat hij bij de levering van hennep op 19 juni 2009 zijn minderjarige dochter heeft meegenomen. Zij werd op deze manier geconfronteerd met strafbare feiten in een drugscene.

De rechtbank heeft gelet op het omtrent verdachte uitgebracht reclasseringsrapport, waaruit blijkt dat verdachte inziet dat hij een verkeerde keuze heeft gemaakt. De kans op recidive wordt ingeschat als laag.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank acht het opleggen van een werkstraf – naast gevangenisstraf – niet geboden.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen softdrugs moeten worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat de in het veld bij de woning aan de [straat 1] en naast de auto van verdachte in beslag genomen geldbedragen moeten worden verbeurd verklaard. Verdachte heeft verklaard dat dit geld niet van hem is, en niet is kunnen worden vastgesteld aan wie dit geld toebehoort.

De rechtbank is van oordeel dat van het bij de fouillering van verdachte aangetroffen geldbedrag van € 9.000,- een gedeelte, groot € 8000,-, moet worden verbeurd verklaard, nu is komen vast te staan dat verdachte dit bedrag heeft verkregen door middel van het strafbare feit. Verdachte heeft immers verklaard dat hij op 19 juni 2009, de dag van zijn aanhouding, € 8000,- heeft gekregen voor de levering van hennep. Van de overige € 1000,- is niet gebleken dat dit bedrag door middel van het strafbare feit is verkregen, zodat dit bedrag moet worden teruggeven aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen auto moet worden teruggegeven aan verdachte. Weliswaar heeft verdachte met behulp van deze auto op 19 juni 2009 hennep afgeleverd, maar verbeurdverklaring van verdachtes auto zou niet in verhouding staan tot de ernst van het bewezen verklaarde strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat de overige in beslag genomen goederen moeten worden teruggegeven aan verdachte. Niet is gebleken dat het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang, noch dat verdachte met behulp van deze goederen het strafbare feit heeft begaan of voorbereid. Ook is niet gebleken dat deze goederen door middel van het strafbare feit zijn verkregen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 4000 gram hennep.

Verklaart verbeurd:

- een geldbedrag van € 11.000,-;

- een geldbedrag van € 30.000,-;

- een geldbedrag van € 8.000,-.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een auto, merk Audi, type Allroad, kenteken [00-AA-BB];

- een geldbedrag van € 12.950,-;

- een geldbedrag van € 1.000,-;

- een zwarte tas;

- een sealapparaat, type CE, kleur blauw;

- een rode tas, merk Asics en een rood bordje;

- een weegschaal, type 6001T, kleur blauw;

- 29 plastic zakken;

- een opgerolde plastic zak, XXXL;

- een aanvraag mobiele aansluiting KPN, nummer [nummer];

- een kentekenbewijs deel 1b, [00-CC-DD];

- administratie en facturen van een garage en Bo-Rent;

- een foto van een boerderij;

- een portefeuille met het kentekenbewijs van een Audi met kenteken [00-AA-BB];

- een geldbedrag van € 57,55;

- een stortingsbriefje d.d. 22 september 2009;

- een briefje met opschrift “nog te goed van [naam] 8700 euro”;

- een identiteitskaart op naam van [verdachte], nummer [nummer];

- een identiteitskaart op naam van [betrokkene 1], nummer [nummer];

- een pasje van Makro;

- een pasje van het Martiniziekenhuis;

- drie pasjes van de Rabobank;

- een pasje van schietvereniging SV Het Noorden, nummer [nummer];

- een digitale fotocamera, merk Sony Cybershot, type 8.1 mpixel;

- zes gsm’s, merk Nokia, kleuren oranje, paars, roze, blauw (twee keer) en bruin;

- papieren met bedragen;

- autosleutels, merk Audi;

- een geldbedrag van € 2,55 in muntgeld.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, mrs. H.L. Stuiver en J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.W. Mulder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2010.