Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL2659

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
18/630511-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Specht-onderzoek. Veroordeelde heeft tezamen en in vereniging met anderen een aanzienlijke hoeveelheid hennep naar Frankrijk gebracht. Veroordeling tot een gevangenisstraf van twee maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630511-09 (promis)

datum uitspraak: 5 februari 2010

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. L.S. Wachters

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

zonde vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 en 22 januari 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 01 juli 2009 te

Groningen, althans in Nederland en/of te Frankrijk (Brantome en/of Agonac

en/of Perigueux), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk,

- buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel

1 lid 5 van de Opiumwet en/of

- in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld, bereid, bewerkt,

verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en/of

- aanwezig heeft gehad,

telkens een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij die wet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachten opzettelijk

- op of omstreeks 27 april 2009, ongeveer 5 kilo, in elk geval een grote

hoeveelheid van meer dan 30 gram, wiet, althans een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, naar Frankrijk gebracht en/of

- op of omstreeks 28 juni 2009, ongeveer 3,3 kilo, in elk geval een grote

hoeveelheid van meer dan 30 gram, wiet, althans een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, naar Frankrijk gebracht.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de verklaring van verdachte, de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de verklaring van de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het gebeuren op 27 april 2009 kan verdachte niet als medepleger worden aangemerkt, nu er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Ook heeft verdachte niet gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Ten aanzien van het gebeuren op 28 juni 2009 heeft verdachte zich niet schuldig gemaakt aan het buiten het grondgebied brengen van hennep, zoals bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet. Ook hier was geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, noch van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 8 oktober 2009, opgenomen op pagina 1183-1188 van ordner X van dossier nr. 2008002963 d.d. 26 oktober 2009, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven

Ik noem mijn broer altijd [medeverdachte 3]. Ik kan mij herinneren dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de boot van [medeverdachte 3] kwamen met de bedoeling om drugs naar Frankrijk te brengen. Er stond een auto voor hen klaar. Ik wist dat er drugs meegingen naar Frankrijk. [medeverdachte 2] heeft deze mensen bij [medeverdachte 3] geïntroduceerd. [medeverdachte 3] en ikzelf gingen ook mee naar Frankrijk in de blauwe Mercedes van [medeverdachte 3]. Onderweg belde [medeverdachte 3] nog met de koeriers. We kwamen aan in Périgueux. Ik heb één pakket wiet gezien. Het zou kunnen dat dit eind april 2009 was. De wiet is in Frankrijk weer verkocht door [medeverdachte 3].

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 6 juli 2009, opgenomen op pagina 839-844 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven

[medeverdachte 3], bijnaam “de rooie”, is een goede kennis van mij.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 7 juli 2009, opgenomen op pagina 845-847 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven

Op 27 april 2009 vond er een transport plaats naar Frankrijk door EJ en zijn vriendin. Er moest wiet worden vervoerd, ik denk 4 kilo. De rooie heeft het transport begeleid met [verdachte] en een kameraad.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 oktober 2009, opgenomen op pagina 628-631 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven

Ik kan mij nog herinneren dat [medeverdachte 2] op de woonboot aan het [straat 1] kwam met een jongen en een meisje. [medeverdachte 3] heeft met hen gesproken. Op een gegeven moment is men naar Frankrijk vertrokken. De jongen en het meisje reden in een gehuurde auto. [medeverdachte 3] en [verdachte] reden in de Mercedes van [medeverdachte 3]. Ik vermoedde dat er drugs, wiet, meeging.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 7 juli 2009, opgenomen op pagina 942-951 van ordner X van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven

Eind april 2009 vond er een transport plaats. [medeverdachte 2] belde EJ en zei dat hij een klus voor ons had. Als [medeverdachte 2] het heeft over een klus, dan begrijp ik wel dat er drugs moeten worden vervoerd. [medeverdachte 2] kwam ons ophalen met zijn BMW. Hij heeft ons naar de woonboot van de rooie gereden. In de woonboot waren nog meer mensen, waaronder de vriendin van de rooie. [medeverdachte 2] is toen gaan overleggen met de rooie. Er werd ons toen verteld dat wij naar Frankrijk moesten gaan. Daar had de rooie een huisje. We moesten een brommertje en wiet gaan vervoeren. Op de eindbestemming in Frankrijk heb ik zelf gezien dat er wiet in de auto zat. De rooie maakte toen een pakketje open en daar zag ik wiet in zitten. We reden in een Renault Scenic van het verhuurbedrijf Hertz. Die stond al bij de woonboot geparkeerd, wij konden er zo mee weg gaan. In de woonboot hebben wij 300 euro voor benzine gekregen van de rooie. Voor het transport kregen wij 1500 euro. De rooie heeft onze TomTom ingesteld. Hij is in zijn eigen Mercedes vertrokken met twee jongens. EJ had onderweg contact met de rooie per telefoon. Om 22.00 uur waren wij in Parijs. Daar hebben wij in een hotel overnacht. De volgende dag kwamen wij aan in Périgueux, in de Dordogne. Toen kwam één van de jongens die met de rooie was meegereden aanrijden in een klein Frans autootje. Wij zijn hem gevolgd naar het huis van de rooie. Daar hebben de twee jongens en de rooie de wiet uit de Renault gehaald. Ik zag toen meerdere pakketjes. Het ging om vijf kilo wiet, dat heeft de rooie aan EJ verteld voor vertrek. EJ heeft het aan mij verteld. De twee jongens die bij de rooie waren, heten [verdachte] en [medeverdachte 4]. Wij zijn op 27 april 2009 naar Frankrijk vertrokken, op 29 april waren wij terug in Nederland.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 14 december 2009, inhoudende de verklaring van [betrokkene 2] afgelegd tegenover de rechter-commissaris, zakelijk weergegeven

Ik heb bij de politie de waarheid verteld. Over de rit naar Frankrijk op 27 april 2009 kan ik nog het volgende vertellen. Ik ben met [medeverdachte 2] en mijn vriend naar [medeverdachte 3] gegaan. [medeverdachte 3] vertelde dat we naar Frankrijk zouden gaan. Bij dit gesprek was ook [verdachte] aanwezig.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 7 juli 2009, opgenomen op pagina 909-915 van ordner X van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven

In maart of april 2009 ben ik gebeld door [medeverdachte 2] op een telefoon die ik van de rooie had gekregen. [medeverdachte 2] vroeg of ik nog werk zocht. Hij heeft [betrokkene 2] en mij opgehaald en naar de boot van de rooie gebracht. [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] waren daar ook. Bij de boot stond een Renault Scenic klaar. Ik had het vermoeden dat het een drugstransport betrof. Rond 16.00 uur zijn we vertrokken. De rooie reed samen met [verdachte] en [medeverdachte 4] in een blauwe Mercedes Compressor voor ons aan. De rooie nam af en toe per telefoon contact met mij op. Om 16.00 uur de volgende dag kwamen we aan in Périgueux in Frankrijk. Daar zijn we een woning in gegaan, waar een pakket wiet is geopend.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Ten laste gelegd is – kort gezegd – het medeplegen van uitvoer van hennep naar Frankrijk op 27 april 2009 en 28 juni 2009. Voor medeplegen is vereist een nauwe en bewuste samenwerking. Ten aanzien van het eerste ten laste gelegde transport van hennep, op 27 april 2009, blijkt uit bovenstaande bewijsmiddelen dat verdachte vlak voor het transport aanwezig was in de woonboot waar afspraken werden gemaakt over dit transport. Ook was verdachte er, blijkens zijn eigen verklaring, van op de hoogte dat er hennep naar Frankrijk vervoerd zou worden. Met deze wetenschap heeft verdachte zich vervolgens niet onttrokken aan het aanstaande drugstransport, maar is hij naar de eindbestemming in Frankrijk meegereden in de auto die het transport begeleidde. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van deze feiten en omstandigheden worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders.

Ten aanzien van het tweede transport, op 28 juni 2009, overweegt de rechtbank het volgende. Het dossier bevat verklaringen van medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] waaruit blijkt dat er op 28 juni 2009 een transport van hennep van Groningen naar Brantôme in Frankrijk heeft plaatsgevonden. De hennep zat verstopt in een reserveband. Op de plaats van bestemming heeft verdachte [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ontvangen en de reserveband uit de auto gehaald. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 28 juni 2009 in Frankrijk was toen hij werd gebeld dat er een drugstransport onderweg was. Hij heeft vervolgens onderdak geregeld voor [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en geholpen de hennep uit de reserveband te halen. Tot het moment dat verdachte werd gebeld, wist hij niet van het transport. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vorenstaande niet kan worden vastgesteld dat verdachte op voorhand op de hoogte was van het transport. Nu evenmin kan worden vastgesteld dat het henneptransport zich nog in Nederland bevond toen verdachte werd gebeld, kan niet worden bewezen dat verdachte betrokken was bij het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep. Als het transport zich immers in het buitenland bevond op het moment dat verdachte voor het eerst op de hoogte werd gesteld, was het feitelijke over de grens brengen van de hennep reeds voltooid. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

Met betrekking tot het onderdeel ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ is de rechtbank van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte eenmaal betrokken was bij een transport van hennep naar Frankrijk. Niet is gebleken van enige stelselmatigheid of duurzaamheid van verdachtes handelen of van activiteiten die als hoofd- of nevendoel het verwerven van inkomsten of het maken van winst hebben. Er is daarnaast geen sprake van een kwaliteitsdelict: verdachte kan niet als medepleger aansprakelijk worden gehouden voor beroeps- of bedrijfsmatig handelen van een mededader. Verdachte zal ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de term wiet wordt bedoeld een materiaal bevattende hennep.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 1 juli 2009 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

- buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet en

- aanwezig heeft gehad

een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers hebben verdachte en zijn medeverdachten opzettelijk op 27 april 2009 een grote hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, naar Frankrijk gebracht.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A en C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 12 januari 2010, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 oktober 2009, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen een aanzienlijke hoeveelheid hennep naar Frankrijk gebracht. De handel in verdovende middelen is bij wet strafbaar gesteld om de volksgezondheid te beschermen. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs ernstige schade berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaan drugshandel en het gebruik van drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan door zijn handelen bijgedragen. Daar komt bij dat verdachte door zijn handelen ook het internationale verkeer van verdovende middelen heeft bevorderd en de volksgezondheid in Frankrijk in gevaar heeft gebracht, alsmede op de Franse rechtsorde inbreuk heeft gemaakt.

De rechtbank heeft er rekening mee gehouden dat verdachtes aandeel in voornoemd drugstransport relatief gering was.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van die straf rekening gehouden met het feit dat zij een minder ernstig feit heeft bewezen verklaard dan door de officier van justitie gesteld. Ook heeft zij daarbij rekening gehouden met het feit dat verdachte enige tijd in het buitenland gedetineerd is geweest.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen softdrugs moeten worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat de overige beslag genomen goederen moeten worden teruggegeven aan verdachte. Niet is gebleken dat het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang, noch dat verdachte met behulp van deze goederen het strafbare feit heeft begaan of voorbereid. Ook is niet gebleken dat deze goederen door middel van het strafbare feit zijn verkregen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- diverse monsters hennep / skunk.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een gsm / mp3, merk Samsung, kleur zwart;

- een geldbedrag van € 1310,-.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, mrs. H.L. Stuiver en J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.W. Mulder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2010.