Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL2506

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
18/630175-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Specht-onderzoek. Veroordeelde heeft zich gedurende een periode van zeven maanden schuldig gemaakt aan bedrijfsmatige handel in grote hoeveelheden verdovende middelen. Voorts heeft veroordeelde aanzienlijke hoeveelheden hasj en hennep naar Duitsland en Frankrijk gebracht. Veroordeling tot een gevangenisstraf van acht maanden. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie; Zwolsman-criterium; rechtmatigheid bijzondere opsporingsmethode; binnentreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630175-09 (promis)

datum uitspraak: 5 februari 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. C.T. Pittau

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans preventief gedetineerd in PI Noord, gevangenis De Marwei, Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

24 september 2009, 10 december 2009 en 21 en 22 januari 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na de door de rechtbank toegewezen vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering tot nadere opgave van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 19 juni 2009 te

Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, meermalen, in de uitoefening van een beroep of

bedrijf, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad telkens een grote

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of een hoeveelheid van ongeveer

70 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 1 juli 2009 te

Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, meermalen, telkens opzettelijk,

- buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel

1 lid 5 van de Opiumwet en/of,

- in de uitoefening van een beroep of bedrijf, heeft geteeld, bereid, bewerkt,

verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en/of

- aanwezig heeft gehad,

telkens een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij die wet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachten

opzettelijk

- in of omstreeks april, mei of juni 2008 ongeveer 11 kilo, in elk geval een

grote hoeveelheid van meer dan 30 gram, hasjiesj, althans een gebruikelijk

vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj)

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, naar Duitsland gebracht en/of

- op of omstreeks 13 april 2009 ongeveer 1 kilo, in elk geval een grote

hoeveelheid van meer dan 30 gram, marihuana/hennep, althans een materiaal

bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, naar Duitsland gebracht en/of

- op of omstreeks 27 april 2009 ongeveer 5 kilo, in elk geval een grote

hoeveelheid van meer dan 30 gram, wiet, althans een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, naar Frankrijk gebracht en/of

- op of omstreeks 28 juni 2009 ongeveer 3,3 kilo, in elk geval een grote

hoeveelheid van meer dan 30 gram, wiet, althans een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, naar Frankrijk gebracht;

3.

hij op of omstreeks 19 juni 2009, te Groningen, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 500 gram speed, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 19 juni 2009, te

Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft

gemaakt, immers heeft/hebben hij en/of zijn medeverdachte, meermalen van

voorwerpen, onder meer een grote hoeveelheid geld en luxe goederen zoals

130.000 euro, althans een groot geldbedrag, een rubberboot, een boot,

buitenboormotoren, scooters, een motorfiets, een personenauto, een speedboot,

televisies, een woover en/of monitoren, de werkelijke aard, de herkomst, de

vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld,

althans heeft hij en/of zijn mededader verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbenden op die voorwerpen waren/was of wie bovenomschreven voorwerpen,

voorhanden hadden, terwijl hij en/of zijn medeverdachte wist(en) dat deze

voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het binnentreden in de woning aan de [straat 1] te [plaats] onrechtmatig was, nu de binnentredende opsporingsambtenaar niet over een machtiging beschikte, hij zich niet terstond kenbaar heeft gemaakt als opsporingsambtenaar en hij verdachte niet de cautie heeft gegeven. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat deze verzuimen moeten leiden tot bewijsuitsluiting.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in reactie op het standpunt van de raadsman betoogd dat de woning aan de [straat 1] te [plaats] leegstond en dat verdachte feitelijk elders woonde, zodat van een schending van het woonrecht niet kan worden gesproken. Ook was er wel degelijk een machtiging tot binnentreden, maar stond deze op naam van een andere opsporingsambtenaar. Deze was op dat moment in verband met de aanhouding van een medeverdachte nog niet ter plaatse. Dat de binnentredende opsporingsambtenaar zich niet kenbaar heeft gemaakt, maakt nog niet dat verdachte in zijn belangen is geschaad. Het in de woning verkregen bewijs zou immers ook zijn verkregen als hij zich wel kenbaar had gemaakt. De opsporingsambtenaar heeft de cautie niet verleend, maar het gesprek dat hij vervolgens voerde met verdachte zal door het Openbaar Ministerie niet worden gebruikt voor het bewijs. De genoemde vormverzuimen zouden hoogstens moeten leiden tot strafvermindering.

Oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is, voor zover hier van belang, het volgende komen vast te staan.

Op 19 juni 2009 is verbalisant [verbalisant 1] binnengetreden in de woning aan de [straat 1] te [plaats]. In de woning bevond zich op dat moment verdachte. Verbalisant raakte in gesprek met verdachte en liep al pratend met hem de keuken in. Na nog enige tijd met verdachte te hebben gesproken, maakte verbalisant zich bekend als opsporingsambtenaar en legitimeerde hij zich als zodanig. Verbalisant heeft vervolgens getracht verdachte aan te houden. Verdachte is de woning uitgerend en is buiten alsnog aangehouden door andere verbalisanten.

In het dossier bevindt zich een machtiging tot binnentreden, afgegeven door de officier van justitie op 19 juni 2009. Krachtens deze machtiging waren de opsporingsambtenaren

[verbalisant 2] en [verbalisant 3] gemachtigd om op 19 juni 2009 de woning aan de [straat 1] te [plaats] zonder toestemming van de bewoner te betreden, ter aanhouding van verdachte [verdachte].

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een vormverzuim, nu verbalisant [verbalisant 1] is binnengetreden, terwijl hij hiertoe niet was gemachtigd. Bij de beantwoording van de vraag of dit verzuim moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is doorslaggevend of er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval niet is gebleken. Het doel van het binnentreden van verbalisant [verbalisant 1] was immers geheel in overeenstemming met de machtiging, namelijk ten einde verdachte aan te houden, hetgeen ook is geschied. Verdachte is ook niet in zijn belangen geschaad doordat een andere verbalisant dan de in de machtiging genoemde verbalisanten is binnengetreden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het voorgaande, ook een andere sanctie – zoals bewijsuitsluiting of strafvermindering – niet aan de orde is.

De rechtbank stelt voorts vast dat er sprake is van een tweede vormverzuim, nu verbalisant [verbalisant 1] zich, na binnentreding in de woning, niet kenbaar heeft gemaakt aan verdachte als opsporingsambtenaar en hem niet de cautie heeft verleend. Het verzuim is evenwel niet dusdanig ernstig dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet in samenhang bezien met het eerste geconstateerde verzuim. De rechtbank is echter van oordeel dat dit verzuim wél moet leiden tot uitsluiting van het bewijs van hetgeen verdachte in de woning tegen verbalisant [verbalisant 1] heeft gezegd, zoals gerelateerd in het proces-verbaal.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de verklaring van verdachte, de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 7], de zich in het dossier bevindende tapgesprekken en de processen-verbaal van inbeslagneming.

Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat het onder 2 ten laste gelegde, met uitzondering van het laatste gedachtestreepje, wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [medeverdachte 4], de verklaring van de getuigen [betrokkene 10] en [betrokkene 11] en de zich in het dossier bevindende tapgesprekken.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de verklaring van verdachte, het proces-verbaal van zoeking en het deskundigenrapport van het NFI.

Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris, de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [betrokkene 9] en [betrokkene 3] en de processen-verbaal van inbeslagneming.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het bewijs verkregen middels de opname van vertrouwelijke communicatie (OVC) onrechtmatig is verkregen. De inzet van deze opsporingsmethode was buitenproportioneel, er was geen sprake van een misdrijf waarop acht jaar gevangenisstraf staat en er is niet gebleken van de vereiste dringende noodzakelijkheid.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat dit feit kan worden bewezen voor de periode van najaar 2008 tot en met 19 juni 2009. Van de 70 kilo hennep kan slechts de op de woonboot aangetroffen zes kilo hennep worden bewezen. Van de overige aangetroffen hennep kan niet worden bewezen dat verdachte deze opzettelijk aanwezig heeft gehad. De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn onbetrouwbaar, nu zij tijdens de verhoren niet is bijgestaan door een tolk.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Voor de uitvoer van hasj naar Duitsland van april, mei of juni 2008 is onvoldoende bewijs, aangezien de verklaringen van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] uit dezelfde bron komen, namelijk medeverdachte [medeverdachte 3]. Van de uitvoer van hennep naar Duitsland op 13 april 2009 kan niet worden bewezen dat verdachte wist dat de hennep die hij verkocht had naar Duitsland zou worden gebracht. Ook kan niet van verlengde uitvoer worden gesproken. Bij de uitvoer van hennep naar Frankrijk op 28 juni 2009 kan verdachtes betrokkenheid niet worden bewezen, aangezien verdachte al sinds 19 juni 2009 gedetineerd was.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu niet duidelijk is of het door het NFI onderzochte monster afkomstig was van de in de woonboot in beslag genomen stof.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het in beslag genomen contante geld is afkomstig uit de nalatenschap van verdachtes vader, een aantal van de luxe goederen is niet van verdachte en verdachte had wel degelijk inkomsten uit een legale bron, te weten zijn winkel in motoren en zijn growshop.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 20 juni 2009, opgenomen op pagina 549-551 van ordner IX van dossier nr. 2008002963 d.d. 26 oktober 2009, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven

Ik ben een wietboer. Ik houd mij vanaf december 2008 bezig met de handel in wiet. Ik weet dat ik fout ben als ik wiet verkoop. Ik maak gebruik van de woning aan de [straat 1] te [plaats]. Ik verblijf in een woonboot aan het [straat 2] te [plaats] en ik heb een winkel genaamd [winkelnaam] aan de [straat 3] te Groningen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 25 juni 2009, opgenomen op pagina 555-560 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven

Op 26 mei 2009 heb ik in Groningen aan twee getinte mannen drie kilo wiet geleverd.

Op 18 juni 2009, de dag voordat ik werd aangehouden, ben ik gebeld door [medeverdachte 5] uit [plaats 2]. [medeverdachte 5] wist dat ik in de wiethandel zat. Hij vroeg mij of ik voor hem wiet kon regelen. Hij wilde 10 tot 20 kilo wiet. Vrijdag 19 juni 2009 is [medeverdachte 5] bij mij langsgekomen op de boot, aan het [straat 2] in [plaats]. Ik ben toen rond gaan bellen. Ik heb iedereen die ik ken gebeld om te vragen of ze wiet konden leveren. Ik heb ook [medeverdachte 2] uit [plaats] gebeld.

Op een gegeven moment zijn [medeverdachte 5], ik en de andere mannen die erbij waren naar de [straat 1] gegaan, want ik had een telefoontje gehad dat de eerste leverancier daar was. In de loop van de middag kwamen er leveranciers langs en zo kwam er steeds meer wiet binnen. Ik heb die dag 30 kilo geleverd gekregen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 20 juni 2009, opgenomen op pagina 692-696 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven

Ik woon in [plaats . Ik heb op 19 juni 2009 6 kilo wiet verkocht aan iemand die ik “de rooie” noem. Ik had de wiet achterin mijn grijze Audi in een doos. Ik heb de doos achteruit mijn auto gepakt en ben met mijn dochter [betrokkene 14] de woning van de rooie binnengegaan. Ik heb voor de wiet 8000 euro van de rooie gekregen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 juni 2009, opgenomen op pagina 697-698 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven

Ik heb [verdachte] in het voorbije jaar, tot 19 juni 2009, vijf keer wiet geleverd. Als hij mij belde, dan regelde ik wat. Ik leverde dan ongeveer vijf kilo per keer. Hij betaalde mij daarvoor 3200 euro per kilo.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 20 juni 2009, opgenomen op pagina 601-603 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven

[verdachte] is mijn vriend. [verdachte] en ik leven van de wiethandel. Een andere bron van inkomsten hebben wij niet.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 25 juni 2009, opgenomen op pagina 611-615 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven

In aanvulling op mijn eerdere verklaringen verklaar ik het volgende. Ik heb af en toe wiet afgewogen voor [verdachte]. Ik heb ook wel eens kleine hoeveelheden afgeleverd. Bij ons thuis lagen verschillende soorten wiet. Mijn vriend [verdachte] heeft als bijnaam “de rooie”.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 2 september 2009, opgenomen op pagina 1088-1092 van ordner X van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven

Ik ken [verdachte] een half jaar. Ik kwam bij hem in growshop “[winkelnaam]” in Groningen. Ik kocht wiet van hem, ongeveer 50 gram per keer. Soms kocht ik een ons. Ik betaalde aan [verdachte] en kreeg de wiet van [medeverdachte 7]. Ik kwam daar ongeveer eens in de veertien dagen. [verdachte] ging dan altijd op zijn brommer weg om wiet te halen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 oktober 2009, opgenomen op pagina 11-22 van ordner I van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten, en de daarbij behorende OVC-bijlage, opgenomen op pagina 1348-1367 van ordner XII van voornoemd dossier, zakelijk weergegeven

[verdachte] spreekt op 3 juni 2009 in growshop “[winkelnaam]” met een onbekende man. [verdachte] zegt: “ik ben nu aan het inzamelen. Ik heb net 17 kilo gekocht en verkocht. Het is de enige wietsoort waar ik vier bankjes mee pak”.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 juni 2009, opgenomen op pagina 481-482 van ordner II van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven

Op 19 juni 2009 heeft een zoeking plaatsgevonden in perceel [straat 1] te [plaats]. In de woning werd 7394 gram hennep aangetroffen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 6 juli 2009, opgenomen in bijlage A van ordner III van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven

Op 19 juni 2009 heeft er een zoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woonboot [straat 2] te [plaats]. Hierbij werd in de kelder van de woonboot 4157 gram wiet in een C1000-tas en 2170 gram wiet in een stofzuigerdoos aangetroffen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 oktober 2009, opgenomen op pagina 11-22 van ordner I van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten, en de daarbij behorende TAP-bijlage, opgenomen op pagina 155-156 van ordner IV van voornoemd dossier, zakelijk weergegeven

Een Duitse man belt op 12 april 2009 vanuit telefooncel in Westerstede (D) naar [verdachte].

Man: “ik ga wel laden hè?”

[verdachte]: “ja, maar ga naar mijn huis dan”

Man: “mijn geld is weg, tot morgen”

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 15 april 2009, opgenomen op pagina 70-72 van ordner I van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven

Wij, verbalisanten, hebben op 13 april 2009 stelselmatig geobserveerd en de navolgende waarnemingen gedaan.

Op 11.02 uur arriveert [verdachte] bij “[winkelnaam]”, gevestigd aan de [straat 3] te Groningen. Er komt een grijze Ford Mondeo met Duits kenteken [AAA-BB-000] aanrijden. De bijrijder stapt uit en heeft contact met [verdachte]. De bijrijder stapt weer in en [verdachte] stapt op zijn motorscooter. De Ford rijdt [verdachte] achterna naar de woonboot aan het [straat 2] te [plaats]. [verdachte] en de bijrijder gaan de woonboot binnen. Even later gaat ook de bestuurster van de Ford de woonboot binnen.

Om 11.55 uur komt de bestuurster de woonboot uit en loopt naar de Ford. Ze draagt een grote gevulde boodschappentas van Super de Boer, die ze in de kofferbak doet. Vervolgens rijdt ze weg.

Om 12.28 uur rijdt de vrouw over de A7 naar Duitsland en wordt aangehouden door de Duitse politie.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 juni 2009, opgenomen op pagina 552-554 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven

Op 13 april 2009 kwam er een Duits stel bij mij op bezoek. Ik heb hun één kilo wiet verkocht. Zij hebben mij daarvoor € 3400,- betaald. Vervolgens hebben deze mensen de wiet meegenomen naar Duitsland.

Een in de Duitse taal gesteld proces-verbaal nr. 200900819103 d.d. 29 juni 2009 met daarbij behorende vertaling in de Nederlandse taal, opgenomen op pagina 333-359 van ordner II van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene 10], zakelijk weergegeven

Op 13 april 2009 ben ik met mijn moeder naar Nederland gereden in een zilverkleurige Ford Mondeo. Ik had tegen mijn moeder gezegd dat ik wiet wilde kopen. We zijn naar de headshop van een mij bekende dealer gereden. Vervolgens zijn we achter de dealer aan naar een woonboot gereden. In de boot stonden twee grote tassen met wiet. Ik heb de dealer gezegd dat ik voor 4000 euro wiet wilde. Voor dat bedrag zou ik een kilo marihuana krijgen. Ik heb een tas gepakt en mijn moeder heeft die in de kofferruimte van de auto gelegd. Mijn moeder is daarna weggereden.

Mij wordt nu een foto (nr. 1) getoond uit een fotomap van de Nederlandse ambtenaren. Hierop herken ik zonder twijfel [verdachte], de dealer van wie ik op 13 april 2009 marihuana heb betrokken.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 oktober 2009, opgenomen op pagina 11-22 van ordner I van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten, en de daarbij behorende FOTOMAP-bijlage, opgenomen op pagina 296-323 van ordner II van voornoemd dossier, zakelijk weergegeven

Foto 1 betreft [verdachte].

Een in de Duitse taal gesteld proces-verbaal nr. 200900819103 d.d. 20 juli 2009 met daarbij behorende vertaling in de Nederlandse taal, opgenomen op pagina 362-373 van ordner II van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene 11], zakelijk weergegeven

Op 13 april 2009 reed ik met mijn zoon [betrokkene 10] in mijn zilverkleurige Ford Mondeo naar [plaats]. We zijn een man vanaf een coffeeshop naar een woonboot gevolgd. In de woonboot kreeg ik van [betrokkene 10] een plastic boodschappentas, die ik in de kofferbak heb gelegd. Ik ben toen naar de Duitse grens gereden. Direct aan de grens heeft de politie mij gecontroleerd. Mij werd toen verweten dat ik een niet geringe hoeveelheid marihuana had binnengesmokkeld.

Een in de Duitse taal gesteld proces-verbaal nr. SV0618B-8318/2009-WHH3 d.d. 15 mei 2009 met daarbij behorende vertaling in de Nederlandse taal, opgenomen op pagina 344-347 van ordner II van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven

Onder [betrokkene 11] is 1007,4 gram cannabis (marihuana) in beslag genomen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 8 oktober 2009, opgenomen op pagina 1183-1188 van ordner X van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 4], zakelijk weergegeven

Ik noem mijn broer altijd [verdachte]. Ik kan mij herinneren dat [betrokkene 8] en [betrokkene 9] op de boot van [verdachte] kwamen met de bedoeling om drugs naar Frankrijk te brengen. Er stond een auto voor hen klaar. Ik wist dat er drugs meegingen naar Frankrijk. [verdachte] en ikzelf gingen ook mee naar Frankrijk in de blauwe Mercedes van [verdachte]. Onderweg belde [verdachte] nog met de koeriers. We kwamen aan in Périgueux. Ik heb één pakket wiet gezien. Het zou kunnen dat dit eind april 2009 was. De wiet is in Frankrijk weer verkocht door [verdachte].

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 7 juli 2009, opgenomen op pagina 845-847 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 3], zakelijk weergegeven

Op 27 april 2009 vond er een transport plaats naar Frankrijk door EJ en zijn vriendin. Er moest wiet worden vervoerd, ik denk 4 kilo. De rooie heeft het transport begeleid met [medeverdachte 4] en een kameraad.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 oktober 2009, opgenomen op pagina 628-631 van ordner IX van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven

Ik kan mij nog herinneren dat [medeverdachte 3] op de woonboot aan het [straat 2] kwam met een jongen en een meisje. [verdachte] heeft met hen gesproken. Op een gegeven moment is men naar Frankrijk vertrokken. De jongen en het meisje reden in een gehuurde auto. [verdachte] en [medeverdachte 4] reden in de Mercedes van [verdachte]. Ik vermoedde dat er drugs, wiet, meeging.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 7 juli 2009, opgenomen op pagina 942-951 van ordner X van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene 9], zakelijk weergegeven

Eind april 2009 vond er een transport plaats. [medeverdachte 3] belde EJ en zei dat hij een klus voor ons had. Als [medeverdachte 3] het heeft over een klus, dan begrijp ik wel dat er drugs moeten worden vervoerd. [medeverdachte 3] kwam ons ophalen met zijn BMW. Hij heeft ons naar de woonboot van de rooie gereden. In de woonboot waren nog meer mensen, waaronder de vriendin van de rooie. [medeverdachte 3] is toen gaan overleggen met de rooie. Er werd ons toen verteld dat wij naar Frankrijk moesten gaan. Daar had de rooie een huisje. We moesten een brommertje en wiet gaan vervoeren. Op de eindbestemming in Frankrijk heb ik zelf gezien dat er wiet in de auto zat. De rooie maakte toen een pakketje open en daar zag ik wiet in zitten. We reden in een Renault Scenic van het verhuurbedrijf Hertz. Die stond al bij de woonboot geparkeerd, wij konden er zo mee weg gaan. In de woonboot hebben wij 300 euro voor benzine gekregen van de rooie. Voor het transport kregen wij 1500 euro. De rooie heeft onze TomTom ingesteld. Hij is in zijn eigen Mercedes vertrokken met twee jongens. EJ had onderweg contact met de rooie per telefoon. Om 22.00 uur waren wij in Parijs. Daar hebben wij in een hotel overnacht. De volgende dag kwamen wij aan in Périgueux, in de Dordogne. Toen kwam één van de jongens die met de rooie was meegereden aanrijden in een klein Frans autootje. Wij zijn hem gevolgd naar het huis van de rooie. Daar hebben de twee jongens en de rooie de wiet uit de Renault gehaald. Ik zag toen meerdere pakketjes. Het ging om vijf kilo wiet, dat heeft de rooie aan EJ verteld voor vertrek. EJ heeft het aan mij verteld. De twee jongens die bij de rooie waren, heten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8]. Wij zijn op 27 april 2009 naar Frankrijk vertrokken, op 29 april waren wij terug in Nederland.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 7 juli 2009, opgenomen op pagina 909-915 van ordner X van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene 8], zakelijk weergegeven

In maart of april 2009 ben ik gebeld door [medeverdachte 3] op een telefoon die ik van de rooie had gekregen. [medeverdachte 3] vroeg of ik nog werk zocht. Hij heeft [betrokkene 9] en mij opgehaald en naar de boot van de rooie gebracht. [medeverdachte 4], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] waren daar ook. Bij de boot stond een Renault Scenic klaar. Ik had het vermoeden dat het een drugstransport betrof. Rond 16.00 uur zijn we vertrokken. De rooie reed samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] in een blauwe Mercedes Compressor voor ons aan. De rooie nam af en toe per telefoon contact met mij op. Om 16.00 uur de volgende dag kwamen we aan in Périgueux in Frankrijk. Daar zijn we een woning in gegaan, waar een pakket wiet is geopend.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De raadsman heeft betoogd dat het bewijs verkregen middels de opname van vertrouwelijke communicatie (OVC) als onrechtmatig verkregen moet worden beschouwd. De inzet van deze opsporingsmethode is in de onderhavige zaak gegrond op een door de rechter-commissaris op 21 april 2009 afgegeven machtiging, die op 14 mei 2009 door de rechter-commissaris is verlengd. Bij het afgeven van de machtiging en de verlenging heeft de rechter-commissaris reeds beslist dat aan de wettelijke voorwaarden voor inzet van de opsporingsmethode is voldaan. De rechtbank komt nu slechts een marginale toetsing toe. Deze toetsing behelst in de eerste plaats de beantwoording van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging en de verlenging heeft kunnen komen. Voorts behelst die toetsing de beantwoording van de vraag of het gebruik dat de officier van justitie heeft gemaakt van de opsporingsmethode in overeenstemming is met de machtiging en ook overigens rechtmatig is.

Ten aanzien van de eerste vraag overweegt de rechtbank als volgt. De machtiging en de verlenging zijn gegrond op een verdenking van overtreding van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, strafbaar gesteld bij de artikelen 10 en 11a van die wet. De feitelijke grondslag voor deze verdenking is gelegen in een proces-verbaal d.d. 1 april 2009 van de Noordelijke Recherche Eenheid van de Regiopolitie Groningen/Drenthe. In dit proces-verbaal wordt – kort gezegd – een opsomming gegeven van CIE-informatie, verklaringen van betrokkenen uit een eerder politieonderzoek naar verdovende middelen, afgetapte telefoongesprekken en stelselmatige observatie. Hierop is door de verbalisanten het vermoeden gegrond dat [betrokkene 12], [betrokkene 13], [medeverdachte 4] en verdachte zich bezig houden met de handel in soft- en harddrugs en dat deze handel onder andere plaatsvindt in growshop “[winkelnaam]”, gevestigd aan de [straat 3] te Groningen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt dit proces-verbaal voldoende grondslag voor de voormelde verdenking. Het gaat daarbij om verdenking van een misdrijf waarop acht jaar gevangenisstraf is gesteld. Ook rechtvaardigt dit proces-verbaal de conclusie dat de waarheid niet op een andere, minder ingrijpende wijze kon worden gevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging en de verlenging heeft kunnen komen.

Ten aanzien van de tweede vraag overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens de OVC-bijlage in het dossier is er van 27 mei 2009 tot en met 10 juni 2009 vertrouwelijke communicatie in het bedrijfspand [straat 3] te Groningen opgenomen. De toepassing van de opsporingsmethode is daarmee in overeenstemming met de machtiging. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van onrechtmatige toepassing van de opsporingsmethode.

Gelet op het voorgaande, wordt het verweer van de raadsman verworpen.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de verklaringen bij de politie van medeverdachte

[medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn, nu zij tijdens haar verhoor niet is bijgestaan door een tolk. In het proces-verbaal van het verhoor van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris op 4 december 2009 is inderdaad gerelateerd dat verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Daar staat tegenover dat in het aanvullend proces-verbaal van de politie d.d. 16 december 2009 is gerelateerd dat [medeverdachte 1] bij haar aanhouding op 19 juni 2009 zich tegen de betreffende verbalisanten goed verstaanbaar kon maken in het Nederlands en ook goed verstond wat men tegen haar zei. Ook wordt gerelateerd dat uit de diverse getapte telefoongesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1] blijkt dat zij de Nederlandse taal verstaat en spreekt. De rechtbank is op grond van voornoemd aanvullend proces-verbaal en de uitgewerkte tapgesprekken van oordeel dat [medeverdachte 1] de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst om de aan haar door de politie gestelde vragen te hebben kunnen begrijpen en beantwoorden. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de termen wiet en marihuana wordt bedoeld een materiaal bevattende hennep.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Het onder 1 ten laste gelegde behelst – kort gezegd – het in de periode van 1 januari 2003 tot en met 19 juni 2009, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk verkopen, afleveren of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en het verkopen, afleveren of aanwezig hebben van 70 kilo hennep.

Verdachte heeft in zijn eerste verklaring bij de politie bekend dat hij zich sinds december 2008 bezig houdt met de handel in hennep. In zijn derde verklaring heeft verdachte verklaard dat hij sinds 2003 bezig is met kleinschalige handel in hennep, maar dat het in de maanden voor zijn aanhouding op 19 juni 2009 groter is geworden. Nu het dossier geen bewijsmiddelen bevat waaruit kan blijken dat verdachte zich vóór december 2008 met handel in grote hoeveelheden hennep heeft bezig gehouden, zal verdachte van deze periode worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde 70 kilo hennep overweegt de rechtbank het volgende. De genoemde hoeveelheid is kennelijk opgebouwd uit 46 kilo aangetroffen in een bestelbus bestuurd door medeverdachte [medeverdachte 6], 7 kilo aangetroffen in de woning aan de [straat 1] en 17 kilo, waarover verdachte in een middels OVC afgeluisterd gesprek heeft gesproken.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal, inhoudende het verslag van een stelselmatige observatie, waaruit blijkt dat er op 19 juni 2009 om 12.37 uur een Peugeot 107 met kenteken [00-AAA-1] en een bestelbus van Bo-Rent met kenteken [00-BBB-1] werden geparkeerd op het [straat 2] te [plaats]. De inzittenden van de Peugeot stapten vervolgens uit en gingen de woonboot van verdachte binnen, terwijl de bestuurder van de bestelbus in zijn auto bleef zitten. Om 13.04 uur werd er door een man een stapel opgevouwen dozen in de bestelbus gelegd. Daarna zijn de Peugeot en de bestelbus weggereden. Om 13.52 uur zijn de Peugeot en de bestelbus gesignaleerd bij de woning aan de [straat 1] te [plaats]. Om 18.30 uur werden er dozen ingeladen in de bestelbus, waarna er een man in de bestelbus is gestapt en weggereden. Om 18.35 uur is de bestuurder van de bestelbus aangehouden.

Het dossier bevat voorts een proces-verbaal van aanhouding, waaruit blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 6] de bestuurder van voornoemde bestelbus was.

Ook bevat het dossier een proces-verbaal van inbeslagneming, waaruit blijkt dat voornoemde bestelbus op 19 juni 2009 is doorzocht. In de laadruimte werden zeven kartonnen dozen aangetroffen met daarin in totaal 46.060 gram gedroogde hennep.

Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn bij de in de bestelbus aangetroffen hennep.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte de 46 kilo hennep heeft verkocht of opzettelijk aanwezig heeft gehad. Weliswaar is geobserveerd dat er nabij de [straat 1] dozen in de bestelbus werden geladen, maar niet is gezien dat verdachte hierbij betrokken was. Ook is niet geobserveerd, althans niet in een proces-verbaal van observatie vastgelegd, waar de dozen vandaan kwamen. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat verdachte deze hennep daadwerkelijk voorhanden heeft gehad, noch dat hij wist dat er hennep in de dozen zat.

De overige hoeveelheden, 7 kilo en 17 kilo, kunnen naar het oordeel van de rechtbank wel worden bewezen, maar leveren tezamen niet ‘ongeveer 70 kilo’ op, zoals ten laste gelegd. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

Met betrekking tot het onderdeel ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ overweegt de rechtbank het volgende. Uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte gedurende een periode van zeven maanden meerdere malen grote hoeveelheden hennep heeft ingekocht en verkocht. Daarnaast blijkt dat hij in deze periode geen andere bron van inkomsten had en dat hij derhalve leefde van de opbrengst van de hennepverkoop. Verdachte kocht van verschillende leveranciers en leverde aan verschillende kopers. Voornoemd handelen van verdachte geeft blijk van stelselmatigheid en duurzaamheid. Ook betreft het activiteiten die als hoofddoel het verwerven van inkomsten hebben. Er kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gesproken van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Het onder 2 ten laste gelegde behelst – kort gezegd – het in de periode van 1 april 2008 tot en met 1 juli 2009, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met anderen, buiten het grondgebied van Nederland brengen van hasj en hennep. In de tenlastelegging worden vier drugstransporten genoemd.

Het eerste transport betreft elf kilo hasj naar Duitsland in april, mei of juni 2008. Het dossier bevat verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 3], die verklaart dat hij in opdracht van verdachte een grote hoeveelheid hasj naar Duitsland heeft laten vervoeren door [betrokkene 8] en [betrokkene 9]. Ook [betrokkene 8] en [betrokkene 9] hebben verklaringen afgelegd, waaruit blijkt dat zij inderdaad hasj naar Duitsland hebben vervoerd en dat zij deze hasj hebben gekregen van [medeverdachte 3]. Zij hebben evenwel geen contact gehad met verdachte met betrekking tot dit transport. Bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 8] verklaard dat hij niet weet wat de rol van verdachte bij dit transport is geweest. [betrokkene 9] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij verdachte toentertijd nog niet kende en dat zij niet weet wie er achter het transport zat. Behoudens de verklaring van [medeverdachte 3] zijn er geen wettige bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het transport blijkt. De rechtbank is van oordeel dat er derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor dit onderdeel van de tenlastelegging en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Het tweede transport betreft één kilo hennep naar Duitsland op 13 april 2009. De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen opzet had op de uitvoer naar Duitsland van de hennep die hij op 13 april 2009 had verkocht, te meer nu afnemer [betrokkene 10] verdachte had toegezegd de hennep niet over de grens te zullen brengen. Wat er ook zij van deze toezegging, de rechtbank is van oordeel dat, door een grote hoeveelheid hennep te leveren aan een in Duitsland woonachtige Duitser, verdachte de aanmerkelijke kans dat deze hennep naar Duitsland gebracht zou worden willens en wetens heeft aanvaard. Verdachte had aldus opzet in voorwaardelijke zin op de uitvoer naar Duitsland. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Het derde transport betreft vijf kilo hennep naar Frankrijk op 27 april 2009. De rechtbank is van oordeel dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging op grond van vorenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat niet is komen vast te staan dat het daadwerkelijk om vijf kilo ging. Wel kan worden vastgesteld dat het om een grote hoeveelheid van meer dan dertig gram ging.

Het vierde transport betreft 3,3 kilo hennep naar Frankrijk op 28 juni 2009. Het dossier bevat verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 8] waaruit blijkt dat er op 28 juni 2009 een transport van hennep van Groningen naar Brantôme in Frankrijk heeft plaatsgevonden. De hennep zat verstopt in een reserveband. [betrokkene 8] en [betrokkene 9] hebben niet verklaard over betrokkenheid van verdachte bij dit transport. Medeverdachte [medeverdachte 7], die blijkens de verklaring van [betrokkene 8] ook bij het transport betrokken was, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte niet betrokken was bij het transport, aangezien verdachte toen gedetineerd was. Verdachte is op 19 juni 2009, negen dagen vóór het transport, aangehouden en is sindsdien gedetineerd. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor dit onderdeel van tenlastelegging en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Het onder 3 ten laste gelegde behelst – kort gezegd – het op 19 juni 2009 opzettelijk aanwezig hebben van 500 gram van een materiaal bevattende MDMA. Het dossier bevat een proces-verbaal waaruit blijkt dat op 19 juni 2009 op de woonboot van verdachte een emmertje in beslag is genomen met daarin een halve kilo van een korrelige stof. Een monster van deze stof is naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gestuurd voor nader onderzoek. Verdachte heeft verklaard dat er speed of ecstasy in het emmertje zat. Het dossier bevat voorts een rapport van het NFI, waaruit blijkt dat er een stof is onderzocht die MDMA bleek te bevatten. De herkomst van de onderzochte stof wordt slechts nader aangeduid met een tweetal volgnummers. Deze volgnummers zijn evenwel niet elders in het dossier gekoppeld aan de in de woonboot in beslag genomen stof of de daarvan genomen monsters, zodat niet is vast te stellen of het NFI daadwerkelijk déze stof heeft onderzocht. Nu ook verdachte niet met zekerheid heeft kunnen verklaren of er MDMA in het emmertje zat, is het onder 3 ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend te bewijzen. De rechtbank zal verdachte derhalve van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Het onder 4 ten laste gelegde behelst – kort gezegd – het in de periode van 1 januari 2003 tot en met 19 juni 2009 witwassen van een geldbedrag en diverse luxe goederen. Het dossier bevat diverse processen-verbaal waaruit blijkt dat in en om verdachtes woonboot aan het [straat 2] te [plaats] diverse luxe goederen in beslag zijn genomen. De rechtbank heeft onder 1 bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 1 december 2008 tot en met 19 juni 2009 in hennep heeft gehandeld. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in hennep handelde om van te kunnen leven. Op grond van het dossier is evenwel niet vast te stellen of de in beslag genomen luxe goederen zijn gekocht in de periode waarin verdachte in hennep handelde. Derhalve is ook niet vast te stellen of deze goederen – middellijk of onmiddellijk – uit dit misdrijf afkomstig zijn.

Het dossier bevat voorts een proces-verbaal van inbeslagneming waaruit blijkt dat op 19 juni 2009 in de woning aan de [straat 1] te [plaats] een geldbedrag van € 76.000,- is aangetroffen. Het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van € 130.000,- blijkt de rechtbank evenwel niet uit het dossier. Omtrent het in de [straat 1] aangetroffen geld heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat dit geld afkomstig was uit de nalatenschap van zijn vader en dat hij dit geld verstopt had in de woning aan de [straat 1]. Omdat hij bezig was met een verhuizing heeft hij dit geld tevoorschijn gehaald. Deze verklaring van verdachte is niet voorshands onaannemelijk. Daarnaast is niet komen vast te staan dat het aangetroffen geld uit misdrijf afkomstig was. Weliswaar was verdachte op 19 juni 2009 bezig met de handel in hennep, maar of deze € 76.000,- in deze handel een rol heeft gespeeld, blijkt niet uit het dossier. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is te bewijzen. De rechtbank zal verdachte derhalve ook van dit feit vrijspreken.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 19 juni 2009 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad telkens een grote hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 1 juli 2009 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk,

- buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet en

- in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd en

- aanwezig heeft gehad,

telkens een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers hebben verdachte en zijn medeverdachten opzettelijk

- op 13 april 2009 ongeveer 1 kilo van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, naar Duitsland gebracht en

- op 27 april 2009 een grote hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, naar Frankrijk gebracht.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

onder 1: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.

onder 2: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, onder 2, onder 3 en onder 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank de feiten bewezen mocht achten, verzocht de gevorderde gevangenisstraf te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzittingen en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 23 november 2009, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 juni 2009, alsmede de vordering van de officier van justitie. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit zoals dat op de dagvaarding is vermeld en dat door verdachte is erkend.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van zeven maanden schuldig gemaakt aan bedrijfsmatige handel in grote hoeveelheden verdovende middelen. Voorts heeft verdachte tezamen en in vereniging met anderen aanzienlijke hoeveelheden hasj en hennep naar Duitsland en Frankrijk gebracht.

De handel in verdovende middelen is bij wet strafbaar gesteld om de volksgezondheid te beschermen. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs ernstige schade berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaan drugshandel en het gebruik van drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan door zijn handelen bijgedragen. Daar komt bij dat verdachte door zijn handelen ook het internationale verkeer van verdovende middelen heeft bevorderd en de volksgezondheid in Duitsland en Frankrijk in gevaar heeft gebracht, alsmede op de Duitse en Franse rechtsorde inbreuk heeft gemaakt.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte reeds meerdere malen is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft gelet op het omtrent verdachte uitgebracht reclasseringsrapport, waarin wordt geadviseerd verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Andere strafmodaliteiten hebben geen corrigerend effect, aldus de Reclassering.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd, zij het van aanzienlijk kortere duur dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank heeft immers minder en minder ernstige feiten bewezen verklaard dan door de officier gesteld.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat van de in beslag genomen goederen de softdrugs, de wapens en toebehoren, het valse paspoort en het valse rijbewijs moeten worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat de overige in beslag genomen documenten op de valse naam van Baronas moeten worden verbeurd verklaard, aangezien deze zijn verkregen middels het ad informandum gevoegde strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen poedersubstantie, nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat deze niet van hem is, moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De rechtbank is van oordeel dat de overige beslag genomen goederen moeten worden teruggegeven aan verdachte. Niet is gebleken dat het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang, noch dat verdachte met behulp van deze goederen het strafbare feit heeft begaan of voorbereid. Ook is niet gebleken dat deze goederen door middel van het strafbare feit zijn verkregen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 3 en onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 en onder 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 14 februari 2010.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een gaspistool, merk Umarex, model Walther PPK/S;

- een patroonmagazijn, merk Walther PP, en patronen.

- een busje met CS-gas, merk Defi;

- diverse drugs in potjes;

- 4175 gram wiet/skunk in een C1000-tas;

- 2170 gram wiet in een stofzuigerdoos;

- 3030 gram henneptoppen in een AH-tas;

- 934 gram wiet in een doorzichtige tas;

- 740 gram henneptoppen in een zilverkleurige tas;

- 2690 gram henneptoppen in een zilverkleurige zak;

- een vals paspoort op naam van Baronas;

- een vals rijbewijs op naam van Baronas;

- 14 plakken geperste skunk.

Verklaart verbeurd:

- administratie en facturen op naam van Baronas;

- een kentekenbewijs en een groene kaart voor een Mercedes, op naam van Baronas.

Beveelt de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- een poedersubstantie (610 gram), met 235 ampullen, in een potje.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een geldbedrag van € 76.180,-;

- een gsm, merk Sony-Ericsson, kleur zilver/grijs;

- een gsm, merk Samsung, kleur zilver/zwart;

- een gsm, merk Nokia, kleur blauw/zwart, met sticker OPA;

- een agenda, kleur zwart, jaar 2009;

- een weegschaal, merk Digital Pocket;

- een kunststofdoos, kleur zwart;

- een doosje met daarin een simkaart, merk KPN, nummer [nummer];

- een doos, kleur grijs, met daarin een gsm, merk SonyEricsson, type W890, met lader;

- een doosje van een gsm, merk Samsung, type SGH-B300;

- een doosje van een gsm, merk Samsung, type BGH-B300;

- een dvd, merk Philips (backup bestanden pc);

- een autosleutel, merk Alfa Romeo, kleur rood/zwart;

- een autosleutel, merk Opel, kleur zwart;

- een gsm, merk Samsung, type SGH E250, kleur grijs, met losse batterij en oplader;

- een gsm, merk Nokia, type N 82, kleur zwart, met lader;

- diverse bescheiden en kassabonnen;

- bescheiden betreffende een pincode van T-mobile;

- een gsm, merk Nokia, kleur paars;

- een laptop, merk Asus, type X56S, kleur zwart;

- een usb-stick, merk Logitech;

- een KPN-stick, kleur wit;

- een computerkast, merk Connect XL;

- een camera, merk Samsung, type NV10, met zwart leren tasje;

- een geldtelmachine, merk Ramping, kleur wit;

- een laptoptas, merk Dell, kleur zwart;

- vier registratiebewijzen voor een motorboot;

- twee sleutelbossen voor boten, met roze en oranje hangers;

- een frontje voor een autoradio, merk Sony, in doos;

- een geheugenstick, merk Freecom;

- diverse bescheiden;

- een harde schijf, merk Hitachi;

- een navigatiesysteem, merk Garmin;

- een navigatiesysteem, merk Mio;

- een portable recorder, merk Sharp, type MD-MT80;

- een boekje met Russische aantekeningen en berekeningen;

- een notitiebriefje met telefoonnummer [nummer];

- een stortingsbewijs d.d. 8 juni 2009, voor € 280,-;

- een Duits bankbiljet van 1000 mark;

- een rode map met bankgegevens;

- een karton met daarop genoteerde berekeningen;

- een papier met daarop o.a. het getal 25.141;

- tape-verpakkingen voor geld;

- een digitale weegschaal, merk Ultra Scale, type MBSC-55;

- een mobiele telefoon, merk Apple, type I-phone, model 3G;

- een oplader voor een gsm, merk Samsung;

- administratie/post;

- een bankbiljet van 100 Deense kronen;

- een bankbiljet van 50 Deense kronen;

- 92,50 Deense kronen aan muntgeld;

- papiertjes en berekeningen

- een notitiebriefje met telefoonnummer [nummer];

- een notitiebriefje met telefoonnummer [nummer];

- een notitiebriefje met telefoonnummer [nummer];

- een notitiebriefje met telefoonnummer [nummer];

- een gsm, merk Samsung;

- een gsm, merk Sony-Ericsson;

- een zakmes.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, mrs. H.L. Stuiver en J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.W. Mulder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2010.