Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL1618

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
436734 EJ VERZ 09-828
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgend werkgeverschap ex 7:668 BW heeft in beginsel geen gevolgen voor anciënniteit. In casu bovendien geen sprake van opvolgend werkgeverschap. Werknemer zegt dienstbetrekking voor onbepaalde tijd op en treedt voor onbepaalde tijd in dienst van nieuwe werkgever. In dat geval is flexwet ontslagbescherming niet aan de orde.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010, 64
JIN 2010/92
AR-Updates.nl 2010-0110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 436734 \ EJ VERZ 09-828

beschikking d.d. 1 februari 2010

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Reining Transport B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 9615 TK Kolham, H. Fordlaan 2 6,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. S.M. Breukels, advocaat, postbus 93050, 2509 AB Den Haag,

tegen

L.,

wonende te [adres],

verwerende partij,

gemachtigde mr. C. Hettinga, jurist ARAG, postbus 230, 3830 AE Leusden.

PROCESVERLOOP

Reining heeft een verzoekschrift met bijlagen, ter griffie binnengekomen op 22 december 2009, ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen haar en L..

L. heeft zich bij verweerschrift met bijlagen, ter griffie binnengekomen op 11 januari 2010, tegen de gevraagde ontbinding verzet.

De mondelinge behandeling heeft in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden, Reining deugdelijk vertegenwoordigd, plaatsgevonden op 12 januari 2010.

Bij brief van 18 januari 2010 heeft L. zijn stellingen nader uitgewerkt. Reining heeft daar middels schrijven van 25 januari 2010 op gereageerd.

Uitspraak is (nader) bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. L., geboren op 2 maart 1965, is op 1 januari 2008 voor onbepaalde tijd als chauffeur bij Reining in dienst getreden. Hij was laatstelijk gerechtigd tot een brutoloon van € 2.187,52 per maand, exclusief vakantietoeslag. Daarvoor is L. gedurende 5 jaar als chauffeur in dienst geweest van zogeheten charters - Pluis en de Gebroeders Wendelaar - die, onder meer, voor Reining vervoerswerkzaamheden uitvoerden. Gedurende voormelde periode heeft L. uitsluitend voor Reining gereden. L. was tewerkgesteld in de vestiging Kolham van Reining. Daarnaast exploiteert Reining een vestiging in Tilburg.

2. Reining heeft verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Op 12 september 2009 heeft Reining een Adviesaanvraag ex artikel 25 WOR gericht aan de Ondernemingsraad. Deze heeft op 26 oktober 2009 positief geadviseerd met betrekking tot de in de aanvraag voorgestelde herstructurering. Op 12 november 2009 hebben de vakbonden een verklaring ex artikel 4 lid 1 Ontslagbesluit afgegeven. Op dezelfde datum heeft Reining een Sociaal Plan afgesproken met de bonden.

3. Op basis van het Sociaal Plan is L. uitgenodigd om te komen tot een vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben geen akkoord bereikt. L. kon zich niet vinden in het aantal dienstjaren dat door Reining was gehanteerd bij zowel de selectie van af te vloeien personeel als bij de vaststelling van de hoogte van een aan hem toekomende vergoeding naar billijkheid. Bovendien had hij kritiek op de gevolgde procedure. L. heeft zijn toenmalige bezwaren in deze procedure herhaald. Reining heeft de stellingen van L. gemotiveerd weersproken. De kantonrechter zal de standpunten van partijen voor zover van belang in de hiernavolgende overwegingen bespreken.

4. Om te beginnen heeft de kantonrechter zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met enig opzegverbod.

5. Tussen partijen is niet in debat dat de bedrijfseconomische situatie van Reining noopt tot ingrijpende reorganisatiemaatregelen, waaronder die resulterend in reductie van het personeelsbestand. Partijen verschillen evenwel van mening over het antwoord op de vraag of de keuze daarbij op L. zou moeten vallen. Reining heeft betoogd dat die keuze op goede gronden tot stand is gekomen. L. meent van niet. De kantonrechter oordeelt daaromtrent nader als volgt.

6. Anders dan L. is de kantonrechter - bij nader inzien - van oordeel dat de vraag of in casu sprake is van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in artikel 7: 688 onder b BW welbeschouwd onbeantwoord kan blijven. Ook als van een dergelijk, opvolgend werkgeverschap sprake zou zijn, kan dat L. namelijk niet baten. In dat geval moet het er immers voor worden gehouden dat L. eerst na ommekomst van drie overeenkomsten voor bepaalde tijd voor onbepaalde tijd bij Reining in dienst is getreden. Het is derhalve niet zo dat de dag van indiensttreding bij de eerste voorganger - Pluis - als ingangsdatum van de nieuwe dienstbetrekking met Reining moet worden aangemerkt. In het verlengde daarvan heeft bij de bepaling van de anciënniteit die laatste datum als uitgangspunt te gelden.

7. Nog afgezien van hetgeen hiervoor is overwogen, is er naar het oordeel van de kantonrechter ook geen sprake van opvolgend werkgeverschap. Ter adstructie van dat oordeel diene het volgende. De flexwetgeving heeft als doel werknemers een betere ontslagbescherming te geven bij een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dan zou gelden bij daaraan voorafgaande arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die in beginsel immers na ommekomst van de afgesproken periode van rechtswege eindigen. Teneinde met betrekking tot bedoelde ontslagbescherming ten nadele van de werknemer strekkende constructies tussen in- en uitlener te voorkomen, heeft de wetgever geopteerd voor de onderhavige regeling. Hier doet een dergelijke, om bescherming vragende situatie zich echter niet voor, aangezien L. de dienstbetrekking voor onbepaalde tijd bij zijn vorige werkgever - De Gebroeders Wendela - heeft opgezegd, waarna hij krachtens een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst is getreden van verzoeker. Protectie biedende conversie in de zin van artikel 7:668a onder b BW was derhalve niet aan de orde.

8. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen behoefde bij de afspiegeling van af te vloeien werknemers dan ook geen rekening te worden gehouden met een eerdere indiensttredingdatum van L. dan door Reining is gehanteerd.

9. Thans is aan de orde de vraag of Reining ook overigens overeenkomstig de regelen der kunst en eventueel gemaakte afspraken heeft gehandeld bij de afspiegeling. L. heeft betoogd dat de vestigingen Kolham en Tilburg ten onrechte als twee afzonderlijke, zelfstandig opererende vestigingen zijn aangemerkt. Verder heeft hij doen aanvoeren dat het resultaat van de afspiegelingsoperatie krachtens afspraak met de bonden eerst ter goedkeuring aan het UWV zou worden voorgelegd, hetgeen niet is gebeurd. De kantonrechter overweegt daaromtrent nader het volgende.

10. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting - met name de uiteenzetting van de vestigingsleider van Tilburg - is genoegzaam aannemelijk geworden dat in casu sprake is van twee zelfstandige opererende vestingen. Deze worden onafhankelijk van elkaar aangestuurd, terwijl de vestiging in Tilburg, anders dan die in Kolham, daarnaast gedeeltelijk een specifiek regionaal karakter heeft met bijbehorende taken, te weten dagvervoer in de directe omgeving door personeel dat des avonds naar huis in en rondom Tilburg terugkeert, terwijl de core business van Kolham ligt op het terrein van het internationale transport. Bij de afspiegeling behoefde het personeel van beide vestigingen, om het oneerbiedig te zeggen, dan ook niet op een hoop te worden gegooid. De stelling van L. dat hij ook wel voor Tilburg reed doet aan dit oordeel niet af, aangezien niet aannemelijk is geworden dat het daarbij ging om min of meer structurele activiteiten.

11. Ook het beroep van L. op de vermeende afspraken omtrent de te hanteren methodiek bij afsplitsing wordt verworpen. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet aannemelijk geworden dat de representatieve vakbonden en Reining daarover harde afspraken hebben gemaakt. Wel kan het zo zijn dat onderhandelaars van partijen de niet in punten en komma's uitgewerkte intentie hebben uitgesproken de pijn zo eerlijk mogelijk over de vestigingen te verdelen. Die intentie is ook gerealiseerd. In beide vestigingen is, ruwweg, de helft van de chauffeurs afgevloeid.

12. Verder overweegt de kantonrechter dat de gemachtigde van Reining ter zitting een uitvoerige, met diverse bescheiden onderbouwde, inzichtelijke beschouwing heeft gegeven over de gevolgde procedure, de daarbij in acht genomen uitgangspunten en de concrete uitkomsten daarvan. Gesteld noch gebleken is dat daarbij is afgeweken van het in soortgelijke kwesties door het UWV gehanteerde beleid. Als er al afspraken zouden zijn gemaakt over goedkeuring door het UWV, kan dat L. dan ook niet helpen, nu het (veronderstelde) achterwege blijven van die toestemming L. niet in een nadeliger positie heeft gebracht.

13. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden. Daarbij zal aan L. een vergoeding naar billijkheid worden toegekend in de geest van hetgeen daarover in het Sociaal Plan is bepaald. Gesteld noch gebleken is dat de uitkomst van het gebruik van dat plan hier evident onredelijk uitpakt. Aan L. wordt derhalve een vergoeding toegekend van € 10.343,- bruto.

14. Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

BESLISSING

De kantonrechter:

tenzij Reining het verzoek voor 15 februari 2010 intrekt:

ontbindt de arbeidsovereenkomst van partijen per 1 maart 2010 onder toekenning aan L. ten laste van Reining van een vergoeding van € 10.343,- bruto;

intrekking of niet:

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten heeft te dragen.

Deze beschikking is gewezen door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en op 1 februari 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.