Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL0983

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
434229 EJ VERZ 09-796
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sociaal Plan in verband met reorganisatie en het daarmee gepaard gaande banenverlies. In het Sociaal Plan is afgesproken dat de opzegtermijn voor de werkgever wordt verkort tot maximaal twee maanden en dat de betreffende werknemers voor de financiële gevolgen daarvan zullen worden gecompenseerd. De kantonrechter oordeelt dat de bewuste bepaling moet worden uitgelegd in het kader van de overige bepalingen in het Sociaal Plan, wat in dit geval (de werknemer is meer dan 15 jaren bij de werkgever in dienst) met inachtneming van de aftrekmaand van artikel 7:672 lid 4 BW leidt tot compensatie van één maand. Voorts is in het Sociaal Plan bepaald dat de regeling voor de werknemers van wie de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd middels ontbinding minimaal gelijkwaardig zal zijn als bij de UWV-procedure. Compensatie van de fictieve opzegtermijn. De kantonrechter oordeelt over de hoogte daarvan (75% van het maandloon).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 434229 EJ VERZ 09-796

Beschikking d.d. 14 januari 2010

inzake

de besloten vennootschap Aluminium Delfzijl BV,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Farmsum aan de Oosthorn 20-22,

verzoekster, hierna Aldel te noemen,

gemachtigde mr. E.A.C. van de Wiel, advocaat te Groningen,

tegen

Z.,

wonende te Delfzijl,

verweerder, hierna Z. te noemen,

gemachtigde mr. J. Keizer, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

Aldel heeft bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 4 december 2009, verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 januari 2010 te ontbinden in verband met een verandering van de omstandigheden. Zij heeft daarbij een vergoeding aangeboden conform het Sociaal Plan, bij brief van 8 januari 2010 vermeerderd tot € 99.324,69 bruto.

Z. heeft op 8 januari 2010 een verweerschrift ingediend. Ten aanzien van de gevraagde ontbinding refereert hij zich aan het oordeel van de kantonrechter. Voor het geval de ontbinding wordt uitgesproken maakt hij aanspraak op een vergoeding van € 103.488,99 bruto.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2010, tegelijkertijd met de door Aldel ingediende verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomsten met drie andere werknemers. Aldel, vertegenwoordigd door A., en de gemachtigden van partijen zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

De beschikking is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. Als gesteld en niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist kan van het volgende worden uitgegaan.

Z., geboren op 6 januari 1960, is op 1 september 1987 bij Aldel in dienst getreden. Hij is laatstelijk werkzaam in de functie van operator B elektrolyse tegen een salaris van € 3.331,44 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag en overige toeslagen.

Als gevolg van de verslechterde economie is de vraag naar de producten van Aldel sinds de tweede helft van 2008 zodanig teruggelopen dat het productieniveau bijna is gehalveerd. Aldel heeft daarom per 1 april 2009 één van de twee hallen (elektrolyse) uit het bedrijf genomen. Hierdoor is het activiteitenniveau binnen alle afdelingen van Aldel teruggelopen: er wordt 40% minder aan anodes ingezet, er worden minder ovens ingebouwd, het aantal gietpunten in de gieterij is teruggebracht en er wordt minder onderhoud gepleegd.

Aldel wil de omvang van haar organisatie aan dit nieuwe, lagere productievolume aanpassen en aldus het geprognosticeerde verlies reduceren. Als onderdeel van een groter pakket aan maatregelen heeft Aldel besloten om het personeelsbestand met 175 fte te reduceren.

De Ondernemingsraad van Aldel heeft op 4 juni 2009 positief geadviseerd over de voorgenomen reorganisatie. Voorts heeft Aldel in verband met de voorgenomen reorganisatie op 11 juni 2009 overeenstemming bereikt met de vertegenwoordigers van de Vakverenigingen (FNV Bondgenoten, CNV Bedrijvenbond en De Unie) over een Sociaal Plan, waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen:

“3.4 Beëindiging dienstverbanden

(…)

Gelijktijdig zal de Werkgever een procedure opstarten tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de Boventallige werknemer, hetzij via het UWV Werkbedrijf, hetzij via de kantonrechter in geval van opzegverboden (waarbij verzocht zal worden de fictieve opzegtermijn zoveel mogelijk in acht te nemen, in ieder geval zal de regeling minimaal gelijkwaardig zijn als bij de UWV-procedure), hetzij via een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden.

(…)

3.5 Opzegtermijn

In afwijking van het bepaalde in artikel 7:672 BW wordt de wettelijke opzegtermijn voor Werkgever als bedoeld in artikel 7:672 lid 2 sub c en d BW verkort tot twee maanden. Werknemers voor wie deze verkorting leidt tot een kortere opzegtermijn dan die zou hebben gegolden op grond van de wettelijke opzegtermijn, worden gecompenseerd doordat de beëindigingsvergoeding als bedoeld in artikel 5.2 zal worden verhoogd met het bedrag gelijk aan het Bruto Salaris dat verschuldigd zou zijn geweest over de maanden waarmee de wettelijke opzegtermijn die anders zou hebben gegolden is verkort.

5.2 Beëindigingvergoeding voor Werknemer geboren na 31-12-1949

Aan Werknemer, wiens arbeidsplaats vervalt, zal bij einde van het dienstverband een éénmalige uitkering worden verstrekt welke als volgt wordt berekend:

De uitkering is gelijk aan A x B x C ( de ‘oude’ kantonrechtersformule neergelegd in de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters, welke gold tot 1 januari 2009 wordt hierbij gehanteerd).

A. Staat voor de diensttijd die de Werknemer aaneengesloten in dienst is geweest (incl. de jaren bij de rechtsvoorgangers en een eventuele uitzendperiode) bij het einde van het dienstverband; daarbij tellen de dienstjaren tot het 40-ste levensjaar voor 1, vanaf het 40-ste tot het 50-ste voor 1,5 en vanaf het 50-ste voor 2.

Een half jaar dienstverband en meer wordt als een heel jaar gerekend.

B. Staat voor beloning, zijnde het Bruto Salaris. Voor de berekeningen van de vergoeding als bedoeld in dit artikel wordt een minimum salarisniveau gehanteerd overeenkomstig E5 per 1 juli 2009 (EUR 2.429 bruto per maand).

C. Is de correctiefactor en deze is 0,9.

(…)”

Op 31 augustus 2009 heeft Aldel het UWV Werkbedrijf om een ontslagvergunning verzocht voor 106 medewerkers, waaronder Z. Bij beschikking van 14 oktober 2009 heeft het UWV Werkbedrijf aan Aldel toestemming geweigerd om de arbeidsverhouding met Z. op te zeggen.

2. Aldel verzoekt het dienstverband met Z. te beëindigen omdat hij op basis van het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking komt. Het UWV Werkbedrijf verkeerde kennelijk in de veronderstelling dat er niet correct was afgespiegeld. De ontslagvergunning is namelijk op 14 oktober 2009 geweigerd onder (latere) opgave van de volgende reden:

"Werkgever overlegt ten aanzien van de onderlinge uitwisselbaarheid van functies een functiematrix en een volledige personeelslijst. Mij is aannemelijk geworden dat werknemer in zijn functiecategorie in de juiste leeftijdscohort is ingedeeld. Echter op grond van de personeelslijst is mij onvoldoende aannemelijk geworden dat betrokken werknemer voor ontslag in aanmerking komt in zijn leeftijdscategorie. Immers er zijn werknemers met een korter dienstverband in dezelfde leeftijdscategorie die niet voor ontslag zijn voorgedragen en ook geen uitzonderingspositie in de functie van Brandweerman genieten. Onder deze omstandigheden wordt aan werkgever mijn toestemming onthouden de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen."

Kennelijk is de aanwezigheid van Q. op de afspiegelingslijst van functiecategorie 25 de reden voor deze beslissing geweest. Q. is echter op 1 september 2009 vrijwillig vertrokken, zodat de weigering niet terecht is.

Gezien de duur van het dienstverband moet bij het berekenen van de ontbindingsvergoeding het op basis van artikel 5.2 van het Sociaal plan becijferde bedrag in dit geval worden verhoogd met één maandsalaris. Verder komt Z. een vergoeding toe om de fictieve opzeggingstermijn van één maand te overbruggen. Deze vergoeding bedraagt 75% van het laatstgenoten bruto salaris.

3. Z. acht het niet onaannemelijk dat de afwijzende beslissing van het UWV Werkbedrijf op het door Aldel genoemde misverstand berust. Hij refereert zich dienaangaande aan het oordeel van de kantonrechter. Z. stelt voorts dat de aangeboden vergoeding te laag is. Uit artikel 3.5 van het Sociaal Plan volgt dat de ontbindingsvergoeding moet worden opgeplust met twee bruto maandsalarissen. Ook de vergoeding voor de fictieve opzegtermijn is onjuist berekend. Ter zake moet namelijk een volledige maandsalaris worden uitgekeerd.

4. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met een opzegverbod.

5. Ten aanzien van de gevraagde ontbinding overweegt de kantonrechter dat bij de beoordeling van de noodzaak van de in het geding zijnde reorganisatie en de daaruit voortvloeiende arbeidsrechtelijke consequenties voor een deel van de medewerkers, waaronder Z., alsmede van de wijze waarop de selectie van de werknemers die moeten afvloeien tot stand is gekomen, aan de beslissing van het UWV Werkbedrijf, bij uitstek de deskundige organisatie in dezen, in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt.

Voormeld beginsel kan uitzondering lijden indien de beslissing tot toestemming van het UWV Werkbedrijf tot beëindiging van de dienstbetrekking in strijd moet worden geacht met een of meer fundamentele beginselen van een goede procesorde – bijvoorbeeld schending van het beginsel van hoor en wederhoor – of wanneer deze evident onjuist is, dan wel als na die beslissing nieuwe, voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden bekend zijn geworden.

De noodzaak om het bedrijf van Aldel te reorganiseren en de wijze waarop Aldel wil reorganiseren staan niet ter discussie en de kantonrechter sluit zich dan ook aan bij hetgeen het UWV Werkbedrijf daarover heeft geoordeeld.

Uit de gedingstukken blijkt genoegzaam dat de aanwezigheid van Q. op de afspiegelingslijst van functiecategorie 25 voor het UWV Werkbedrijf inderdaad de reden is geweest om de gevraagde ontslagvergunning voor Z. te weigeren. Niet in geschil is dat Q. ten tijde van de ontslagaanvraag al niet meer bij Aldel werkzaam was, zodat de weigering van het UWV Werkbedrijf op een misverstand berust. De arbeidsovereenkomst met Z. zal daarom per 1 februari 2010 worden ontbonden.

6. Partijen verschillen niet van mening dat Z. een vergoeding overeenkomstig het Sociaal Plan toekomt. Ook het op basis van de kantonrechtersformule becijferde bedrag staat niet ter discussie. Partijen zijn evenwel verdeeld over het antwoord op de vraag of de vergoeding op grond van artikel 3.5 van het Sociaal Plan moet worden vermeerderd met één of twee maandsalarissen en voorts of er 75% of 100% van het loon als vergoeding voor de fictieve opzegtermijn moet worden toegekend.

7. Voor wat betreft de vermeerdering op grond van artikel 3.5 van het Sociaal Plan overweegt de kantonrechter als volgt.

Z. stelt onder verwijzing naar HR 26 mei 2000, NJ 2000,43 dat de bepalingen van het Sociaal Plan dienen te worden uitgelegd conform de objectief/grammaticale uitlegmethode, temeer daar het Sociaal Plan ook is aangemeld als cao. Naar zijn mening is de tekst van artikel 3.5 van het Sociaal Plan voldoende duidelijk en zijn er ook geen andere objectieve factoren die aanleiding zouden moeten geven tot een andere uitleg.

Artikel 3.5 bepaalt dat de wettelijke opzegtermijn voor werkgever als bedoeld in artikel 7:672 lid 2 sub c en d BW wordt verkort tot twee maanden. Voor Z. betekent dit dat de voor hem geldende opzegtermijn van vier maanden wordt verkort tot twee maanden. De laatste zin van artikel 3.5 bepaalt dat deze verkorting wordt gecompenseerd doordat de ontbindingsvergoeding wordt verhoogd met het brutosalaris dat verschuldigd zou zijn geweest over de maanden waarmee de wettelijke opzegtermijn die anders zou hebben gegolden, is verkort. Dat brengt mee dat bij de ontbindingsvergoeding twee maandsalarissen moeten worden opgeteld.

8. Aldel stelt dat de cao-uitleg ruimer moet zijn dan alleen een grammaticale toetsing. Zij verwijst naar HR 31 mei 2002, NJ 2008 en HR 28 juni 2002, NJ 2003,110. De Hoge Raad kijkt volgens haar nadrukkelijk naar de overige cao-bepalingen en distilleert daaruit zo mogelijk de partijbedoeling die in die zin wel degelijk een rol speelt.

In artikel 3.5 van het Sociaal Plan is een verkorting van de opzegtermijn overeengekomen met de vakbonden. Aldel voorzag dat het in haar belang zou kunnen zijn om onregelmatig op te zeggen en wilde dat met de bonden afstemmen. De bonden zijn daarmee akkoord gegaan mits de werknemers daarvan geen schade zouden ondervinden. Dat is de bedoeling van artikel 3.5: níet een vergoeding in de zin van een billijke vergoeding (als bedoeld in artikel 5.1), maar compensatie van schade die een werknemer zou kunnen leiden doordat de opzegtermijn die in acht wordt genomen korter is (onregelmatig is dus) dan de oorspronkelijk voor hem geldende opzegtermijn.

Artikel 3.5 verwijst naar het wettelijk systeem en bepaalt dat wordt afgeweken van de opzegtermijn als bedoeld in artikel 7: 672 lid 2 sub c en d BW aldus dat de opzegtermijn van drie, dan wel vier maanden wordt teruggebracht naar twee maanden. In artikel 3.5 wordt echter niet afgeweken van het bepaalde in artikel 7:672 lid 4 BW, waarin een aftrekmaand wordt gegeven ingeval van opzegging met toestemming als bedoeld in artikel 6 BBA.

In de uitleg die Z. geeft aan artikel 3.5 ontvangt de werknemer een voordeeltje. De aftrekmaand zou niet in mindering kunnen worden gebracht op de voor hem geldende opzegtermijn voor zover het gaat om de berekening van de compensatie. Maar dan wordt hij gecompenseerd voor schade die hij niet geleden heeft. Als Aldel met de vakbonden geen verkorting had afgesproken en er überhaupt geen artikel 3.5 was geweest zou ook voor de langst in dienst zijnde werknemer immers een opzegtermijn hebben gegolden die niet langer was dan drie maanden, namelijk gebruikmakend van de bonusmaand van artikel 7: 672 lid 4 BW. Het is die situatie die vergeleken moet worden met de situatie die is ontstaan door met de bonden een verkorting overeen te komen. Aan Z. komt daarom een extra vergoeding van één maand toe.

9. De kantonrechter is met Aldel van oordeel dat de bepaling van artikel 3.5 moet worden uitgelegd in het kader van de overige bepalingen van het Sociaal Plan. Daarbij is met name artikel 3.4 van belang. Daaruit blijkt dat het de bedoeling is dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal plaatsvinden via het UWV Werkbedrijf of, in het geval van opzegverboden, de kantonrechter. Uitgangspunt is dus dat opgezegd wordt op grond van een toestemming als bedoeld in artikel 6 BBA. Dat heeft tot gevolg dat de opzegtermijn van alle betrokken werknemers conform 7:672 lid 4 BW wordt verkort met een maand, zij het dat de resterende opzegtermijn tenminste één maand dient te bedragen. Voor werknemers met een opzegtermijn van twee maanden betekent dit dat zij kunnen worden opgezegd op een termijn van een maand.

Uitleg in de door Z. voorgestane zin brengt mee dat de werknemers met een langere opzegtermijn worden bevoordeeld ten opzichte van de werknemers met een opzegtermijn van twee maanden. In hun uitleg zou de verkortingsmaand van artikel 7:762 lid 4 BW immers voor hen niet gelden. Dat kan naar het oordeel van de kantonrechter niet de bedoeling zijn geweest en valt ook niet te lezen in het Sociaal Plan. Bovendien blijkt uit niets dat Aldel afstand heeft gedaan of willen doen van het in haar voordeel strekkende artikel 7:672 lid 4 BW. Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat onder het begrip “wettelijke opzegtermijn” in artikel 3.5 van het Sociaal Plan moet worden verstaan de opzegtermijn zoals die geldt na de verkorting ex artikel 7:672 lid 4 BW. Voor Z. betekent dit dat hij recht heeft op één maand compensatie.

10. Ten aanzien van de fictieve opzegtermijn geldt dat, anders dan in het geval de arbeidsovereenkomst van een werknemer na toestemming door het UWV Werkbedrijf met inachtneming van de opzegtermijn wordt beëindigd, de werknemer van wie de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter wordt beëindigd te maken heeft met de zogenaamde fictieve opzegtermijn als bedoeld in artikel 16 lid 3 Werkloosheidswet.

Volgens de heersende jurisprudentie (zie ondermeer CRvB 4 december 2002, USZ 2003, 50 en 51) moet de fictieve opzegtermijn in een geval als het onderhavige worden berekend aan de hand van de geldig overeengekomen afwijkende opzegtermijn. Op deze kortere opzegtermijn (2 maanden) komt ingevolge artikel 16 lid 3 Werkloosheidswet de kortingsmaand als bedoeld in artikel 7: 672 lid 4 BW in mindering. Voor Z. komt dat neer op een fictieve opzegtermijn van één maand.

De strekking van artikel 3.4 van het Sociaal Plan is (daar zijn partijen het over eens) dat de werknemer van wie de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter wordt beëindigd wordt gecompenseerd voor de financiële gevolgen van de fictieve opzegtermijn.

Op grond van artikel 47 Werkloosheidswet bedraagt de WW-uitkering gedurende de eerste twee maanden 75% van het loon. Door de fictieve opzegtermijn heeft Z. de eerste maand geen recht op een WW-uitkering. Dit betekent dat Z. in die eerste maand een bedrag gelijk aan 75% van zijn maandloon misloopt. Aldel dient daarom het daarmee overeenstemmende bedrag aan Z. te vergoeden.

Z. wijst er in dit verband terecht op - en Aldel betwist dat ook niet - dat uit artikel 3.4 van het Sociaal Plan voortvloeit dat de werknemers die via de kantonrechter worden ontslagen niet slechter uit mogen zijn dan hun collega’s van wie via de UWV-procedure een eind aan het dienstverband is gekomen. Dat is hier ook niet het geval. De medewerkers van wie de arbeidsovereenkomst na toestemming van het UWV Werkbedrijf is opgezegd, hebben, zo is genoegzaam gebleken, namelijk allemaal per 1 januari 2010 de dienst verlaten en aansluitend recht op een WW-uitkering. De fictieve opzegtermijn speelt voor hen geen rol. Ook Z. zou, indien de ontslagvergunning niet ten onrechte was geweigerd, met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden per 1 januari 2010 zijn ontslagen. Nu de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2010 wordt ontbonden, ontvangt Z. over de maand januari 2010 nog het volledige loon (de medewerkers die via het UWV zijn ontslagen ontvangen over die maand 75% van hun laatstgenoten salaris), de fictieve opzegtermijn wordt door Aldel vergoed en door de fictieve opzegtermijn schuift de WW-periode een maand op. In financieel opzicht is de weg via de kantonrechter voor Z. daarom per saldo zelfs gunstiger dan via het UWV-traject.

11. Aldel heeft aan ontbindingsvergoeding aangeboden een bedrag van € 99.324,69 bruto. Dat bedrag heeft zij becijferd op de wijze als hiervoor vermeld, zodat dat de aan Z. toekomende vergoeding op dat bedrag zal worden vastgesteld.

12. De proceskosten zullen aldus worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen 1 februari 2010, onder toekenning aan Z., ten laste van Aldel, van een vergoeding van € 99.324,69 bruto;

compenseert de proceskosten aldus dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.R. van Baak-Klijnsma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2010 in aanwezigheid van de griffier.

typ: MH