Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL0902

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
18/994788-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 36 lid 1Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De Politierechter veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete voor het bij een paard pijn veroorzaken, danwel de gezondheid van het paard benadelen, door dit paard arbeid te doen verrichten, welke zijn fysieke grens te boven ging en het paard telkens nodeloos met een zweep te slaan en/of het paard te blinddoeken.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 18/994788-09 (Promis)

Datum uitspraak: 28 januari 2010

Op tegenspraak

Raadsvrouw: mr. C.A. van Kooten-de Jong

Vonnis van de politierechter in de rechtbank te Groningen, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

14 januari 2010.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

hij, op een of meer tijdstippen in de maand mei 2009, te Vlagtwedde, tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonder redelijk doel

of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar

is, bij een paard pijn of letsel heeft veroorzaakt, danwel de gezondheid van

het paard heeft benadeeld, door dit paard arbeid te doen verrichten, welke

zijn fysieke grens te boven ging en/of het paard telkens nodeloos met een

zweep te slaan en/of het paard te blinddoeken en/of het paard op een plaats te

laten staan zonder de mogelijkheid te rusten en er geen zorg voor dragen dat

de box waarin het paard verbleef was voorzien van een bodembedekking.

art 36 lid 1 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden aangezien het onderzoek onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Hiertoe worden als redenen aangevoerd dat de inbeslagname van de Haflinger op voorhand al vast stond aangezien alle handelingen van de opsporingsambtenaren daarop gericht waren. Vervolgens zou mevrouw [partner verdachte] niet de cautie zijn gegeven en op haar verschoningsrecht zijn gewezen. Daarna is de woning zonder bevoegdheid betreden en doorzocht voor het paardenpaspoort zonder dat hiervan proces-verbaal is opgemaakt. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat één van de opsporingsambtenaren een andere naam heeft genoemd dan zij later bleek te heten. Tevens is er geen mogelijkheid geweest om tegenonderzoek te doen waardoor verdachte in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in haar vervolging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het inderdaad niet toegestaan is om een woning te doorzoeken zonder toestemming van de bewoner. Echter heeft deze doorzoeking niet geleid tot bewijsmateriaal en kan dit vervolgens niet tot niet-ontvankelijkverklaring leiden. Als mevrouw [partner verdachte] niet op haar verschoningsrecht is gewezen dan kan haar verklaring uitgesloten worden van het bewijs. Dit hoeft ook niet tot een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te leiden. Alle overige onzorgvuldigheden die door de verdediging zijn genoemd zijn niet van dien aard dat niet-ontvankelijkheid daarvan het gevolg kan zijn.

Beoordeling

De politierechter overweegt als volgt.

De opsporingsambtenaren hebben een onderzoek ingesteld op grond van meerdere telefonische meldingen naar de vermeende mishandeling van een paard van het ras Haflinger. Daartoe zijn op 28 mei 2009 eerst drie getuigen gehoord alvorens zij naar het bedrijf van verdachte zijn gegaan waar zij de partner van verdachte hebben gesproken en het paard hebben bekeken. Op grond hiervan hebben de opsporingsambtenaren geoordeeld dat het paard bestuursrechtelijk in beslag genomen diende te worden. Nergens blijkt uit dat zij op voorhand al deze conclusie zouden hebben getrokken.

Uit het proces-verbaal blijkt dat voordat mevrouw [partner verdachte], de partner van verdachte, op 28 mei 2009 om 12.30 uur haar verklaring heeft afgelegd haar de cautie is gegeven. Nog daargelaten de vraag of voor opsporingsambtenaren een verplichting bestaat om een getuige te wijzen op zijn of haar verschoningsrecht, zal het ontvankelijkheidsverweer worden gepasseerd nu het niet wijzen op het verschoningsrecht niet zodanig onzorgvuldig is dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Met betrekking tot de stelling van de verdediging dat de woning zonder toestemming is betreden en doorzocht naar het paardenpaspoort merkt de politierechter op dat de Haflinger niet op grond van de strafzaak in beslag is genomen, maar in het kader van een bestuursrechtelijke procedure. De doorzoeking van de woning heeft niet tot bewijs in de strafzaak geleid. Daar komt bij dat de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar (op grond van artikel 114 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren jo artikel 1 van de Regeling aanwijzing ambtenaren Gezondheids- en welzijnswet voor dieren) op grond van artikel 115 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bevoegd zijn een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Het feit dat één van de opsporingsambtenaren bij het voorstellen een andere naam genoemd zou kunnen hebben wordt niet onderbouwd.

Dat verdachte niet in de gelegenheid is gesteld om een tegenonderzoek te laten uitvoeren wil niet zeggen dat de zaken die door de opsporingsambtenaren zijn onderzocht en door de dierenarts zijn geconstateerd niet op waarheid zouden berusten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kunnen deze argumenten van de verdediging er naar het oordeel van de politierechter niet toe leiden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie hecht waarde aan de relatering van verbalisanten en de getuigenverklaringen aangezien deze met elkaar overeen komen. Daar komt bij dat verdachte, ondanks het stellen van gerichte vragen, geen inzicht in zijn handelen wil geven en de cruciale conclusie getrokken kan worden dat hij van paardenverzorging geen verstand heeft. Verdachte heeft het paard geblinddoekt en geslagen. Dat is niet het africhten van een paard, zoals door verdachte meermalen is beweerd, maar onoordeelkundig omgaan met een paard. De officier van justitie heeft geen twijfels over de verklaringen van de getuigen en de toestand van het paard wordt bevestigd door de verklaring van de dierenarts.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onnodig leed toebrengen aan een dier.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden wegens gebrek aan bewijs. Daartoe is aangevoerd dat zij [naam paard] in het geheel geen arbeid hebben laten verrichten, welke zijn fysieke grens te boven ging. Juist omdat verdachte wist dat [naam paard] lange tijd geen beweging had gehad is de eerste maanden niet met hem getraind en daarna is de training langzaam opgebouwd. De inhoud van de getuigenverklaringen wordt door verdachte ten stelligste betwist. Verdachte stelt daartoe dat deze getuigen op een zodanige afstand van zijn woning wonen dat zij niet kunnen hebben gezien wat ze hebben verklaard.

Met betrekking tot de beschuldiging dat [naam paard] nodeloos met een zweep zou zijn geslagen stelt verdachte dat hij [naam paard] niet nodeloos of zonder redelijk doel in de zin van artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren met een zweep heeft geslagen. Alleen is af en toe een corrigerende tik op de achterflank gegeven.

Met betrekking tot het blinddoeken zouden drie personen hebben gezien dat [naam paard] één keer een blinddoek voor heeft gehad. Verdachte erkent dat [naam paard] een keer een doek om het hoofd is gebonden om hem het zicht te beperken, maar dit was niet zodanig dat hem geheel het zicht werd ontnomen. Bovendien heeft, zo stelt de verdediging, [naam paard] hier geen pijn of letsel van ondervonden.

[naam paard] had voldoende mogelijkheden om te rusten, zodat het onderdeel van de tenlastelegging waarin staat dat hij op een plaats zou hebben gestaan zonder de mogelijkheid om te rusten niet bewezen kan worden. In de korte tijd dat de opsporingsambtenaren op het terrein zijn geweest hebben zij daar geen reële inschatting van kunnen maken, aldus de verdediging.

Het feit dat de box waarin [naam paard] verbleef niet voorzien was van bodembedekking wordt verklaard dat deze box vanwege het schoonmaken daarvan was leeggehaald en op het moment dat verbalisanten er waren nog niet weer in orde was gemaakt. Dit gebeurde namelijk altijd kort voordat [naam paard] weer in de box werd geplaatst.

Beoordeling

De politierechter leidt uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende af.

Naar aanleiding van meerdere telefonische meldingen is door de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (hierna te noemen: LID) een onderzoek ingesteld naar de vermeende mishandeling van een paard van het ras Haflinger1. Mevrouw [getuige 1] heeft verklaard2 dat zij heeft gezien en gehoord dat verdachte een paard aan het longeren. Tijdens dit longeren werd het paard door de bewoner van perceel 15 in een tijdsbestek van 10 minuten minstens 10 maal met de lange zweep geslagen en op zijn kont geraakt. De heer [getuige 2] heeft verklaard3 dat het paard in januari 2009 in een goede voedingsconditie was en dat in april 2009, toen hij het paard weer heeft gezien, de conditie slechter was geworden. Daarna heeft hij vijf keer gezien dat het paard werd afgericht waarbij de man en vrouw stelselmatig en langdurig met het paard bezig waren. Bij het longeren werd met de zweep fysiek op de achterhand geslagen. Eén van die keren is hij naar de buren toegelopen en zag hij dat het paard geblinddoekt was. Ook was het paard op dat moment volledig uitgeput. Mevrouw [getuige 3] heeft de opsporingsambtenaren een video-opname, gedateerd 22 mei 2009, laten zien waarop te zien was dat verdachte minstens vijf keer met kracht op het hoofd heeft geslagen4. Ze heeft daarnaast nog verklaard dat ze heeft gezien dat het paard een keer geblinddoekt was en meermalen dat het werd geslagen5. De opsporingsambtenaren zijn na deze getuigenverklaringen naar het erf van verdachte gegaan en zagen daar dat het paard in een zo slechte conditie verkeerde dat, met toestemming van het Functioneel Parket, het paard bestuursrechtelijk in bewaring is genomen. Tevens zagen zij dat een rijzweep en twee longeerzwepen die van een constructie waren die afwijkend is van de normale longeerzweep6. Het paard is bij de opslaghouder beoordeeld door een dierenarts die verklaarde dat het paard te mager is door een slechte voergift-werkverhouding7. De opsporingsambtenaren hebben de drie zwepen in beslag genomen8 en daar ook foto's van gemaakt9. Ook van de stal, de verharde plaat waarop met het paard werd gelongeerd en het paard zijn foto's10 gemaakt. Nadat het paard een maand bij de opslaghouder heeft gestaan zijn opnieuw foto's11 gemaakt.

Op grond van de hiervoor genoemde verklaringen acht de politierechter niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het paard op een plaats heeft laten staan zonder de mogelijkheid te rusten en er geen zorg voor heeft gedragen dat de box waarin het paard verbleef was voorzien van een bodembedekking.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat

hij, op meer tijdstippen in de maand mei 2009, te Vlagtwedde, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een paard pijn heeft veroorzaakt, danwel de gezondheid van het paard heeft benadeeld, door dit paard arbeid te doen verrichten, welke zijn fysieke grens te boven ging en het paard telkens nodeloos met een zweep te slaan en/of het paard te blinddoeken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de politierechter bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

Zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn veroorzaken danwel de gezondheid benadelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De politierechter acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een geldboete wordt opgelegd van € 660,00 subsidiair 13 dagen vervangende hechtenis en teruggave van de drie inbeslaggenomen zwepen aan verdachte.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de politierechter tot een bewezenverklaring komt, verdachte al zo getroffen is door de inbeslagname van [naam paard] dat een veroordeling zonder oplegging van straf zou moeten volgen.

Oordeel van de politierechter

Verdachte heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven dat hij was begaan met het welzijn van het paard. Dit strookt echter niet met hetgeen hiervoor bewezen is verklaard, terwijl het bovendien onbegrijpelijk is dat verdachte in de uiterlijk waarneembare slechte conditie van het paard geen aanleiding heeft gezien tot het laten onderzoeken van het paard door een dierenarts. De politierechter acht een schuldigverklaring zonder oplegging van straf dan ook niet op zijn plaats. Het feit dat het paard in bewaring is genomen en dat verdachte die niet heeft terug gekregen doet daaraan niet af. Wel ziet de politierechter aanleiding de door de officier van justitie gevorderde geldboete geheel voorwaardelijk op te leggen nu het strafbaar handelen vooral lijkt te zijn gelegen in gebrek aan deskundigheid en ervaring.

Op grond van het bovenstaande is de politierechter van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete moet worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte daarvan heeft de politierechter rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Verbeurdverklaring

De politierechter is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een rijzweep en twee longeerzwepen, moet worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat deze zwepen zijn gebruikt om het paard nodeloos te slaan. Bovendien bevatten deze zwepen onnodige verdikkingen die kennelijk bedoeld zijn om slagen tijdens trainingen kracht bij te zetten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De politierechter heeft gelet op

- de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33, 33a van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 36, 121, 122(oud) van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

BESLISSING

De politierechter:

- verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een geldboete van € 660,00 (zegge: zeshonderd zestig euro) met bevel dat voor geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 13 dagen zal worden toegepast.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd:

- een rijzweep, itemnummer 6556;

- een longeerzweep, itemnummer 6558;

- een longeerzweep, itemnummer 6560.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. G. Eelsing, politierechter, in tegenwoordigheid van M. Smit-Colnot, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 januari 2010.

Bewijsmiddelen in voetnoot:

1 Relatering van verbalisanten d.d. 2 juli 2009, pagina's 3 t/m 6 van het proces-verbaal

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], pagina 11 en 12 van het proces-verbaal

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina 13 en 14 van het proces-verbaal

4 Relatering van verbalisanten d.d. 2 juli 2009, pagina 3 en 4 van het proces-verbaal

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], pagina 16 en 17 van het proces-verbaal

6 Relatering van verbalisanten d.d. 2 juli 2009, pagina's 4 en 5 van het proces-verbaal

7 Diergeneeskundige verklaring, pagina's 21 t/m 23 van het proces-verbaal

8 Proces-verbaal van inbeslagname, pagina's 31 t/m 34 van het proces-verbaal

9 Foto's van de rijzwepen, pagina's 38 t/m 41 van het proces-verbaal

10 Foto's van stal, plaat en paard, pagina's 36 en 37 van het proces-verbaal

11 Foto's van paard, pagina 42 van het proces-verbaal