Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL0217

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
113134/FA RK 09-2290
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedwongen ontheffing.

Ouders zijn het eens met plaatsing in een residentiele instelling, maar verzetten zich tegen ontheffing, o.m omdat daartoe geen grond zou bestaan, nu het kind door de opname in voormelde instelling geen hechtingsrelatie met pleegouders heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

Meervoudige familiekamer

zaaknr.: 113134/FA RK 09-2290

beschikking d.d. 19 januari 2010

in de zaak van:

De RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

v e r z o e k e r,

hierna te noemen de Raad,

en

v e r w e e r d e r,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. C. Kamp-Wiggers.

belanghebbenden:

de moeder van [A.] Rolinda;

Bureau Jeugdzorg Groningen.

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 5 oktober 2009 een verzoekschrift ingediend, waarin wordt verzocht om bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - de vader (eventueel gedwongen) te ontheffen van het gezag over de minderjarige A. en het Bureau Jeugdzorg te Groningen (bjz) tot voogd te benoemen.

De rechtbank heeft voornoemde minderjarige opgeroepen om op 16 december 2009 te worden gehoord. Zij is niet verschenen.

Ter griffie is op 29 december 2009 een brief met bijlagen van mr. Kamp-Wiggers d.d.

28 december 2009 ontvangen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 5 januari 2010.

Verschenen en gehoord zijn:

- de heer R.C.M. Wouters namens de Raad;

- de vader en zijn advocaat mr. C. Kamp-Wiggers;

- de moeder;

- mevrouw B.S. Mulder namens bjz.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten

- uit de relatie van de vader en de moeder is het thans nog minderjarige kind [A.] geboren;

- de vader heeft [A.] op 9 januari 1997 erkend;

- de vader heeft het gezag over [A.];

- bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 8 april 1998 is [A.] onder toezicht gesteld van de Werkstichting Jeugdbescherming te Groningen en in november 2005 is machtiging verleend tot haar uithuisplaatsing;

- sedert mei 2005 verblijft [A.] voor behandeling en verblijf in de orthopedagogische instelling de Dreei;

- op 26 maart 2007 geeft bjz aan de Raad te kennen dat het wenselijk is dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing worden verlengd, maar dat dit niet mogelijk is doordat de hiervoor geldende termijn is verstreken;

- op verzoek van bjz stelt de Raad een spoedonderzoek in;

- op verzoek van de Raad wordt [A.] vervolgens met ingang van 9 mei 2007 opnieuw onder toezicht gesteld en wordt een machtiging tot haar uithuisplaatsing gegeven;

- de maatregelen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van voornoemde kinderrechter van

24 april 2009 en van kracht tot uiterlijk 9 mei 2010.

standpunt van de Raad

Vader dient op de volgende gronden te worden ontheven van het ouderlijk gezag over

[A.]:

- hij is ongeschikt en onmachtig gebleken om zijn plicht tot verzorging en opvoeding van [A.] te vervullen;

- de ondertoezichtstelling is onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden;

- [A.] heeft recht op duidelijkheid en continuïteit, zoals ook afgeleid kan worden uit de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK); haar perspectief ligt binnen de Dreei of een soortgelijke instelling;

- het belang van [A.] verzet zich niet tegen de ontheffing.

beoordeling

Op grond van artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een ouder van het ouderlijk gezag over een of meer van haar kinderen ontheffen, indien deze ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet.

Ten aanzien van de ongeschiktheid en onmacht van de vader om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting het volgende gebleken.

Vader en moeder hebben een belaste voorgeschiedenis, zijn gescheiden en hebben onderlinge conflicten. Beiden blijken niet in staat om [A.] te verzorgen en op te voeden en om vanuit het belang van [A.] te denken en te handelen. Zij kunnen [A.] niet het toezicht, de duidelijkheid, de sturing en de bescherming bieden, die noodzakelijk is.

De ouders (en hun partners) hebben weinig tot geen inzicht in de problematiek van [A.].

Zij belasten [A.] met hun eigen problematiek en staan niet achter het beleid van de Dreei en van bjz. Dit veroorzaakt bij [A.] verwarring en gevoelens van onveiligheid, waarop zij reageert met gedragsproblemen. De verwachting is dat beiden gezamenlijk blijven strijden voor hun gelijk.

Hulpverlening in de thuissituatie heeft niet geleid tot een verbetering en de veiligheid van [A.] kan in die situatie niet worden gewaarborgd.

Dit in aanmerking nemende staat naar het oordeel van de rechtbank vast, dat de vader ongeschikt en onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding van [A.] te vervullen.

Artikel 1:268, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft voor, dat ontheffing niet kan worden uitgesproken indien de ouder, zoals hier het geval is, zich daartegen verzet.

In het tweede lid van dat artikel is bepaald, dat deze regel uitzondering lijdt indien (voor zover thans van belang) na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1: 261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

Het staat vast, dat [A.] meer dan een jaar en zes maanden onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de bedreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden en het belang van [A.] zich niet tegen de ontheffing verzet.

Bij de beoordeling van dit criterium dient in het oog te worden gehouden dat het doel van de ondertoezichtstelling het herstel van de opvoedings- en verzorgingsverantwoordelijkheid van de gezaghebbende ouder(s) is.

De ouders geven bij voortduring aan het eens te zijn met het verblijf van [A.] in de Dreei, maar ook, dat er geen grond is voor ontheffing, mede omdat er bij [A.] geen sprake is van een hechtingsrelatie met pleegouders, nu zij niet in een pleeggezin is opgenomen, maar in een residentiële instelling.

[A.] functioneert sociaal emotioneel op het niveau van een kind van anderhalf/twee jaar) en heeft een zeer specifieke behandeling nodig, die alleen gespecialiseerde hulpverleners haar kunnen geven.

Zowel de Dreei als bjz ervaren steeds opnieuw, dat de ouders en hun partners niet achter het te voeren beleid staan of dit beleid niet kunnen begrijpen, hetgeen ook tijdens de behandeling ter zitting is gebleken.

Bovendien uiten zij regelmatig tegenstrijdige signalen en toekomstverwachtingen, die alleen maar tot grote verwarring leiden bij de erg kwetsbare [A.], die nu juist dringend behoefte heeft aan een strikte en intensieve aanpak, rust en duidelijkheid.

Binnen de ondertoezichtstelling is geprobeerd om de ouders te ondersteunen bij het dragen van hun opvoedingsverantwoordelijkheid, met als einddoel [A.] weer bij vader te laten wonen, dan wel in vrijwillig kader in een voorziening op te laten groeien.

Dit doel niet gerealiseerd, omdat ouders onvoldoende inhoud hebben kunnen geven aan hun opvoedingsverantwoordelijkheid en er geen zicht is op verbetering.

Ten aanzien van het belang van [A.] overweegt de rechtbank het volgende.

In het algemeen is het in het belang van een kind dat onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst, waarbij thuisplaatsing niet meer mogelijk is, de met onzekerheid gepaard gaande jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te beëindigen en duidelijkheid te verschaffen over zijn opvoedingsperspectief. Deze duidelijkheid wordt verkregen door het gezag weg te nemen bij de ouder(s).

Hoewel met de rechten en plichten van de ouders ingevolge de artikelen 8 EVRM en de artikelen 9 en 18 van het Verdrag inzake de Rechten van het kind (IVRK) rekening moet worden gehouden, weegt het recht van [A.] op continuïteit van het verblijf in de Dreei of later binnen een andere geschikte instelling - rechten die eveneens voortvloeien uit de artikelen 3 en 20 van het IVRK - zwaarder dan het belang van de ouder bij herstel van familieleven tussen de ouder en het kind.

[A.] is een getraumatiseerd kind. Er zijn sterke aanwijzingen, dat zij seksueel is misbruikt.

[A.] is nu twaalf jaar oud, maar zij functioneert op een sociaal en emotioneel niveau van een kind van anderhalf/twee jaar. Het is geruime tijd noodzakelijk geweest om [A.] in de Dreei een één op één-behandeling te geven.

[A.] is dermate ernstig beschadigd, dat zij een zeer specifieke benadering nodig heeft met veel toezicht, duidelijkheid, sturing en bescherming, die de ouders haar niet kunnen geven, ook al zouden zij dat willen. De problematiek van [A.] vraagt veel van de opvoedingsvaardigheden van opvoeders, waar beide ouders en hun partners door overvraagd zullen worden. Haar toekomstperspectief ligt niet bij (een van) de ouders.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [A.] is dat het gezag bij de vader wordt weggenomen, nu vast is komen te staan dat het toekomstperspectief van [A.] in de Dreei of een andere geschikte instelling ligt.

De ontheffing van vader geeft duidelijkheid aan [A.], haar ouders en hun partners en waarborgt de voortzetting van de hulpverlening, tot het moment dat [A.] volwassen zal zijn.

Ten aanzien van de voogdijvoorziening overweegt de rechtbank het volgende.

Omdat de ontheffing van het ouderlijk gezag van de vader ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [A.] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd te benoemen.

Een ieder die tot uitoefening van de voogdij bereid is, kan schriftelijk aan de rechtbank verzoeken om met de voogdij te worden belast.

De rechtbank dient bij voorkeur diegene, die op het tijdstip van het verzoek het kind tenminste een jaar heeft verzorgd en opgevoed en tot voogdij bereid is, tot voogd te benoemen. Een dergelijk schriftelijk verzoek is niet aan de rechtbank gedaan.

De hulpverlening moet in de eerste plaats zijn gericht op het wegnemen, dan wel verminderen van de ontwikkelingsbedreiging van [A.].

Daarom is tevens van belang dat het gezag wordt opgedragen aan de voogdijinstelling, zodat de beslissingen in het kader van de verzorging en opvoeding van [A.] voortaan worden genomen door of in nauw overleg met diegenen, die haar dagelijkse verzorging en opvoeding al geruime tijd op zich hebben genomen en dat ook in de toekomst zullen blijven doen.

Het is van belang voor [A.], dat zij regelmatig contact heeft met de ouders en hun partners

(momenteel ongeveer anderhalf uur per maand, al dan niet begeleid) en ook met haar broer en halfzussen.

De voogdijinstelling dient hieraan - afgestemd op het ontwikkelingsniveau van [A.] -zodanige vorm en inhoud te geven als haar wenselijk en mogelijk voorkomt in het belang van [A.].

Gelet op de bovenstaande standpunten en overwegingen zal de rechtbank bjz, die zich daartoe bereid heeft verklaard, tot voogd benoemen.

BESLISSING

ontheft de vader van het ouderlijk gezag over het minderjarige kind

[A.];

benoemt tot voogd over voornoemde minderjarigen Bureau Jeugdzorg Groningen,

p/a Postbus 1203, 9701 BE Groningen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.A. Flinterman, J.P. Evenhuis en

J.H.H.M. Dorscheidt en uitgesproken door eerstgenoemde ter openbare terechtzitting van

19 januari 2010, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman als griffier.

gdk