Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BK9697

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-01-2010
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
18/652295-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vanwege een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval wordt een werkstraf opgelegd van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een rijontzegging voor de duur van 3 jaren. Verdachte verkeerde onder invloed ten tijde van het ongeval en heeft bij een passeerbeweging tegemoetkomende fietsers aangereden. Aan een fietser is zwaar lichamelijk letsel toegebracht.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/652925-09 (Promis)

datum uitspraak: 18 januari 2010

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. N.B. Swart

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [Geboortedatum en – plaats],

wonende aan de [Woonadres verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 januari 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 december 2008, te Wildervank, gemeente Veendam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [Straatnaam] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te gaan rijden terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en/of (daardoor) bij het passeren van een geparkeerd staande auto naar links te sturen, over de as van de weg, waarbij hij verdachte twee fietsers welke hem vanuit tegenovergestelde richting tegemoet kwamen niet heeft opgemerkt en/of niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarna (vervolgens) een botsing/aanrijding is ontstaan tussen het door hem bestuurde voertuig en (een van) die fietser(s), waardoor een ander genaamd [Slachtoffer N] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een bloeding tussen hersenvlies en schedeldak en/of meerdere hersenkneuzingen en/of een verhoogde hersendruk en/of ademhalingsproblemen, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A.

hij op of omstreeks 20 december 2008, te Wildervank, gemeente Veendam, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [Straatnaam], is gaan rijden terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en/of (daardoor) bij het passeren van een geparkeerd staande auto naar links heeft gestuurd, over de as van de weg, waarbij hij verdachte twee fietsers welke hem vanuit tegenovergestelde richting tegemoet kwamen niet heeft opgemerkt en/of niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarna (vervolgens) een botsing/aanrijding is ontstaan tussen het door hem bestuurde voertuig en (een van) die fietser(s), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

B.

hij op of omstreeks 20 december 2008, te Wildervank, gemeente Veendam, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 680 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Bewijsvraag

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte primair tenlastegelegde. Naar de mening van de officier van justitie is er gelet op de hoeveelheid door verdachte ingenomen alcohol en het met onverminderde snelheid passeren van de geparkeerde auto en daarbij geen voorrang verlenen aan de fietsers sprake van een grove verkeersfout. Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse blijkt bovendien dat ter plaatse straatverlichting brandde en dat het waarschijnlijk is dat de fietsverlichting van beide fietsers eveneens brandde. Verdachte had de fietsers derhalve kunnen en moeten opmerken en ontwijken. Het bij [Slachtoffer N] door het ongeval veroorzaakte letsel dient daarbij naar de mening van de officier van justitie te worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging zijn terzake de bewezenverklaring geen verweren gevoerd.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- Het proces-verbaal van verhoor van getuige [Slachtoffer B] als vervat op pagina 51 en verder van een strafdossier met nummer 2008004683-1 d.d. 20 januari 2009.

- De bekennende verklaring van verdachte als afgelegd ter terechtzitting op 4 januari 2010.

- Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de ademalcoholanalyse, als vervat op pagina 30 en verder van het hiervoor genoemde strafdossier.

- Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de invordering van het rijbewijs van verdachte, als vervat op pagina 35 en verder van het hiervoor genoemde strafdossier (voor zover daaruit de afgiftedatum van het rijbewijs blijkt).

- Een schriftelijk stuk, te weten een brief van drs. T. Naujocks, forensisch arts, d.d. 28 mei 2009, als vervat op pagina 57 en verder van het hiervoor genoemde strafdossier (voor zover daarin wordt gerelateerd over het letsel van [Slachtoffer N]).

De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen de navolgende feitelijke gang van zaken af.

Op 20 december 2008 omstreeks 22.45 uur fietsten [Slachtoffer N] en [Slachtoffer B] over de [Straatnaam] te Wildervank. Verdachte reed als bestuurder van een personenauto in tegengestelde richting over dezelfde weg de beide fietsers tegemoet. Verdachte verkeerde daarbij onder invloed van alcohol (zijn ademalcoholgehalte bedroeg 680 microgram per liter uitgeademde lucht terwijl – gelet op het feit dat verdachte een beginnend bestuurder was – het maximaal toelaatbare gehalte 85 microgram per liter uitgeademde lucht bedroeg). In de voor verdachte rechterberm stond een personenauto geparkeerd. Verdachte is over de as van de weg, naar de linkerweghelft uitgeweken om de geparkeerde auto te passeren. Verdachte heeft daarbij zijn snelheid niet geminderd. Bij het passeren van de geparkeerde auto heeft verdachte geen vrij doorgang verleend aan de tegemoetkomende fietsers en verdachte is met hen in botsing gekomen. Ten gevolge van de aanrijding heeft [Slachtoffer N] letsel opgelopen, te weten een bloeding tussen hersenvlies en schedeldak, meerdere hersenkneuzingen, een verhoogde hersendruk en ademhalingsproblemen.

De rechtbank is (gelet op hetgeen verdachte met betrekking tot diens feitelijk handelen ten laste is gelegd) van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld en schuld heeft aan het ongeval dat heeft plaatsgehad.

De rechtbank overweegt voorts dat het bij [Slachtoffer N] geconstateerde letsel dient te worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht met inachtneming van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 december 2008, te Wildervank, gemeente Veendam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [Straatnaam] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, te gaan rijden terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en (daardoor) bij het passeren van een geparkeerd staande auto naar links te sturen, over de as van de weg, waarbij hij verdachte twee fietsers welke hem vanuit tegenovergestelde richting tegemoet kwamen niet heeft opgemerkt en niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarna (vervolgens) een botsing/aanrijding is ontstaan tussen het door hem bestuurde voertuig en die fietsers, waardoor een ander genaamd [Slachtoffer N] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een bloeding tussen hersenvlies en schedeldak en meerdere hersenkneuzingen en een verhoogde hersendruk en ademhalingsproblemen, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

Primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het feit opheffen.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte vanwege het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de op twee jaren te bepalen proeftijd gedraagt naar de aanwijzingen en voorschriften gegeven door of vanwege de Reclassering Nederland en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid van verdachtes handelen, de gevolgen van het feit voor de slachtoffers [Slachtoffer B] en [Slachtoffer N] en met de persoon van de verdachte zoals deze blijkt uit het briefrapport van de Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 21 december 2009 en het verhandelde ter terechtzitting.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf matigt.

De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich van de gevolgen van zijn handelen zeer bewust is en oprecht heeft meegeleefd met de slachtoffers van de aanrijding. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte op eigen initiatief hulp heeft gezocht in de zin van gesprekken met een psycholoog teneinde zijn aandeel in het ongeval te analyseren en te verwerken.

Met betrekking tot de mate van verwijtbaarheid heeft de raadsvrouw te kennen gegeven dat verdachte de fietsers niet heeft gezien en daardoor zijn snelheid en positie op de weg niet heeft aangepast.

Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een rijontzegging voor de duur van 3 jaren verdachte zwaar zou raken. Verdachte zou genoodzaakt zou zijn om gedurende die periode op zijn fiets naar zijn werk te gaan, een afstand van 17 kilometer enkele reis.

Beoordeling

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het aangaande zijn persoon opgemaakte briefrapport d.d. 21 december 2009, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en welk feit door verdachte is erkend.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf moet worden opgelegd, bestaande uit een werkstraf alsmede een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te noemen duur.

De rechtbank neemt hierbij en bij het bepalen van de omvang hiervan in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor bij een ander zwaar lichamelijk letsel is teweeggebracht.

De rechtbank overweegt dat verdachte door zwaar onder invloed van alcohol als bestuurder van een personenauto aan het verkeer deel te nemen, de overige weggebruikers ernstig in gevaar heeft gebracht. Daarbij komt dat verdachte een op zijn weghelft geparkeerde auto heeft gepasseerd door met onverminderde snelheid uit te wijken naar de linker weghelft. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij de weg na de geparkeerde auto niet kon overzien. De rechtbank verwijt verdachte dat hij in die situatie zijn snelheid en positie op de weg niet heeft aangepast aan de onoverzichtelijkheid van de verkeerssituatie.

Door het ongeval is bij [Slachtoffer N] ernstig letsel veroorzaakt. Zij heeft geruime tijd in coma gelegen en er is van een levensbedreigende situatie sprake geweest. De rechtbank houdt rekening met de gevolgen die de aanrijding heeft gehad voor [Slachtoffer N], [Slachtoffer B] en de familie en vrienden van dezen. De rechtbank rekent verdachte deze gevolgen aan.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte na de aanrijding de beide fietsers in hulpbehoevende toestand heeft achtergelaten. Hij is doorgereden zonder zich te bekommeren om hun lot. Na enige tijd is verdachte teruggegaan naar de plaats van het ongeval, maar toen hij zag wat hij had aangericht en toen hij daarop door omstanders wed aangesproken is verdachte andermaal van de plaats van de aanrijding weggereden.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte overweegt de rechtbank dat uit het genoemde briefrapport van VNN blijkt dat verdachte hulp behoeft bij het verwerken van zijn aandeel in het ongeval en bij het analyseren van de achtergrond van zijn handelen daarin en de rol van zijn alcoholgebruik daarbij. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd van na te noemen duur. Daarmee beoogt de rechtbank enerzijds te bewerkstelligen dat verdachte zich in de toekomst niet andermaal schuldig zal maken aan een dergelijk strafbaar feit en anderzijds dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften gegeven door of vanwege de Reclassering Nederland, ook wanneer deze aanwijzingen en voorschriften de strekking hebben dat verdachte meewerkt aan een ambulant behandelings- en begeleidingstraject in verband met zijn psychische problemen.

De rechtbank heeft eveneens gelet op het feit dat uit het afschrift uit het justitiële documentatieregister ten aanzien van verdachte, blijkt dat verdachte eerder ten aanzien van een verkeersdelict met justitie in aanraking is geweest. Derhalve acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaren op haar plaats omdat verdachte door het plegen van het bewezen- en strafbaar verklaarde de verkeersveiligheid in ernstige mate in gevaar heeft gebracht.

Met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet hanteert de rechtbank oriëntatiepunten. Gelet op de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de aanrijding zou in casu een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een rijontzegging voor de duur van 2 jaren geïndiceerd zijn. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in het onderhavige geval niet als passend moet worden aangemerkt. Dit is gelegen in de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank ziet in het feit dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd wel aanleiding om verdachte een werkstraf van de maximale duur op te leggen alsook een rijontzegging van langere duur dan op grond van de door de rechtbank doorgaans gehanteerde oriëntatiepunten geïndiceerd is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren

met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht;

de werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis en de veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland;

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden

bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft en stelt als bijzondere voorwaarde:

de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland (eventueel uit te voeren door de Verslavingszorg Noord Nederland), zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt en draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

de hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de veroordeelde meewerkt aan een ambulant behandeltraject bij een nader door de reclassering aan te wijzen voorziening;

een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren

bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest, voordat deze uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, op de duur van die ontzegging in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J.M.M. van Woensel, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en mr. L.W. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.H.S. Kroeze als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2010.