Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BK9687

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-01-2010
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
18/670370-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld terzake een poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade, relationeel geweld en een poging tot doodslag. De rechtbank komt tot het opleggen van een aanzienlijk hogere straf dan door het Openbaar Ministerie geëist. Deels vanwege de zwaardere bewezenverklaring maar ook vanwege de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank wijdt overwegingen aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, een aantal verweren met betrekking tot de toelaatbaarheid van bewijs en het (voorwaardelijk) opzet terzake de poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670370-09 (Promis)

datum uitspraak: 18 januari 2010

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [Geboortedatum en –plaats],

wonende te [Woonplaats],

thans preventief gedetineerd in de P.I. HvB Ter Apel, Ter Apelervenen 10 te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 januari 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 augustus 2009 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [Aangever W], opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- op die [Aangever W] is afgelopen en/of (vervolgens) die [Aangever W] een of meermalen met kracht (in het gezicht) heeft gestompt en/of geslagen, en/of,

- die [Aangever W] een of meermalen met een (fiets)ketting/slot op/tegen het lichaam heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 04 augustus 2009 te Groningen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, genaamd [Aangever W], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk,

- op die [Aangever W] is afgelopen en/of (vervolgens) die [Aangever W] een of meermalen met kracht (in het gezicht) heeft gestompt en/of geslagen, en/of,

- die [Aangever W] een of meermalen met een (fiets)ketting/slot op/tegen het lichaam heeft geslagen,

tengevolge waarvan die [Aangever W] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 september 2009 te Groningen

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Aangever J]), een of meermalen (met kracht),

- heeft geknepen, en/of/althans stevig vastgepakt, en/of

- heeft gestompt, geslagen, getrapt en/of geschopt, en/of

- aan de haren heeft getrokken, en/of

- (een) kopsto(o)t(en) heeft gegeven,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 13 maart 2009, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [Aangever D], van het leven te beroven, met dat opzet die [Aangever D] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in de/een schouder heeft gestoken en/of geprikt, althans geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 maart 2009 in de gemeente Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Aangever D], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Aangever D] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in de/een schouder heeft gestoken en/of geprikt, althans geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 maart 2009 te Groningen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Aangever D]), met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in de/een schouder heeft gestoken en/of geprikt, althans geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De officier van justitie heeft het dossier niet aangevuld met stukken omtrent de tapmachtiging van de Arnhemse rechter-commissaris en de daaraan ten grondslag liggende verdenking in het Arnhemse onderzoek. Daarnaast is de methode van stemherkenning die is toegepast om te kunnen vaststellen of de persoon wiens uitlatingen in het tapverslag zijn vervat daadwerkelijk verdachte is geweest, niet nader in het dossier omschreven. Ook bevat het dossier niet een verzoek ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering om de camerabeelden aan het dossier te mogen voegen. Bovendien is terzake het onder twee tenlastegelegde in het dossier niet opgenomen de foto die aan getuige [Getuige P] is getoond bij de fotoconfrontatie.

Doordat het dossier de genoemde hiaten bevat heeft het Openbaar Ministerie de verdediging niet in staat gesteld om haar controlerende taak naar behoren te kunnen uitoefenen. Het Openbaar Ministerie heeft daarmee met grove veronachtzaming van verdachtes belangen ernstig te kort gedaan aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Reden waarom het Openbaar Ministerie in deze niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het door de raadsvrouw opgeworpen verweer het volgende naar voren gebracht.

Het dossier hoeft niet te worden aangevuld met de tapmachtiging van de Arnhemse rechter-commissaris en de daaraan ten grondslag liggende verdenking in het Arnhemse onderzoek. Van de rechtmatigheid van de telefoontap en het daaruit voorgekomen tapverslag kan in de onderhavige zaak gevoeglijk worden uitgegaan nu in het Arnhemse onderzoek de verdenking is getoetst door een rechter-commissaris. Dit geldt temeer nu door de raadsvrouw geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van de telefoontap. De officier van justitie mag – gelet ook op de toestemming als bedoeld in artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering die aan het dossier is toegevoegd – in de onderhavige zaak gebruik maken van het tapverslag dat een resultaat is geweest van het Arnhemse onderzoek.

Naar de mening van de officier van justitie is niet vereist dat het verzoek ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering aan het dossier wordt toegevoegd nu de camerabeelden eigendom zijn van justitie en het Openbaar Ministerie daarvan derhalve vanzelfsprekend gebruik kan maken.

Met betrekking tot de gebezigde methode van stemherkenning geldt eveneens dat deze niet nader geadstrueerd hoeft te worden tenzij blijkt van feiten en omstandigheden die maken dat moet worden getwijfeld aan de vraag of het verdachte is geweest wiens uitlatingen in het tapverslag zijn neergelegd. Nu dergelijke feiten en omstandigheden door de verdediging niet zijn aangevoerd en daarvan overigens ook niet is gebleken, is de officier van mening dat het Openbaar Ministerie ook in deze niet laakbaar heeft gehandeld.

De officier van justitie betwist dat het Openbaar Ministerie met grove onachtzaamheid tekort heeft gedaan aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat in deze van de rechtmatigheid van de resultaten van het Arnhemse strafrechtelijk onderzoek dient te worden uitgegaan. Dit onderzoek – in ieder geval voor zover het de telefoontaps betreft – is blijkens het aanvullend proces-verbaal d.d. 26 augustus 2009 kennelijk getoetst door een rechter-commissaris en de rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat aan de rechtmatigheid daarvan moet worden getwijfeld. Op de officier van justitie rustte derhalve niet de verplichting om de stukken omtrent de tapmachtiging van de Arnhemse rechter-commissaris en de daaraan ten grondslag liggende verdenking in het Arnhemse onderzoek aan het dossier toe te voegen.

Ook ten aanzien van de methode van stemherkenning, de bij de fotoconfrontatie gebruikte foto van verdachte en het gebruik van de camerabeelden is de rechtbank niet gebleken dat het Openbaar Ministerie heeft verzuimd om voor de beoordeling van de zaak essentiële informatie aan het dossier toe te voegen. Dit geldt temeer nu van de zijde van de verdediging geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat aan de methode van stemherkenning, de fotoconfrontatie van getuige [Getuige P] en de rechtmatigheid van de aan het dossier toegevoegde camerabeelden moet worden getwijfeld. Van dergelijke feiten en omstandigheden is de rechtbank ook overigens niet gebleken.

De rechtbank acht geen gronden aanwezig die maken dat moet worden gezegd dat het Openbaar Ministerie met grove veronachtzaming van verdachtes belangen ernstig te kort gedaan aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de strafzaak tegen verdachte.

Bewijsvraag

Feit 1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1 primair tenlastegelegde met dien verstande dat de officier van justitie de voorbedachte rade niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de verklaringen van aangever, getuigen (met name getuigen [Getuige VdM] en [Getuige O]) en hetgeen uit de medische verklaring blijkt omtrent het letsel dat aan aangever is toegebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Naar de mening van de raadsvrouw blijkt allerminst wettig en overtuigend dat verdachte betrokken is geweest bij de vechtpartij die op 4 augustus 2009 aan de [Straatnaam] in Groningen heeft plaatsgehad.

Met betrekking tot het feit dat [Getuige P] verdachte van een foto heeft herkend als de persoon aan wie hij zijn brommer heeft verkocht, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze verklaring en herkenning niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd nu niet te verifiëren is of de foto die aan de getuige is getoond, een gelijkende foto betreft.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

1.

Een proces-verbaal van aangifte door [Aangever W] d.d. 13 augustus 2009 als vervat op pagina 31 en verder van een strafdossier met nummer 2009106550-23 d.d. 28 oktober 2009, voor zover houdende de verklaring van aangever, waaruit, zakelijk weergegeven:

Op 4 augustus 2009 ging ik met mijn vrouw naar kennissen in de Weijert in Groningen. Onderweg zag dat ik dat ons twee brommers of scooters tegemoet kwamen rijden. Bij het passeren raakten de bestuurder van de brommer en ik elkaar ter hoogte van de schouder. Ik keek achterom en zag dat de jongen op de eerste brommer stopte. Hij kwam op mij af lopen. Toen de jongen dichtbij was zag ik dat hij uit het niets met gebalde vuist in mijn gezicht sloeg. Ik voelde hevige pijn op mijn rechter jukbeen. Ik liet mijn fiets los en hield mijn handen afwerend voor mijn gezicht. Ik zei tegen de jongen: ‘doe even normaal, waar is dit voor nodig?’ Direct daarop stootte de jongen nog een keer tegen mijn gezicht met zijn vuist. Ik heb me afgeweerd en geprobeerd zijn slagen te ontwijken. Ik heb ook geprobeerd hem terug te slaan. Er ontstond een worsteling. De jongen trok zich los en liep terug naar de brommer. Ik pakte toen ook mijn fiets. Kort daarna zei mijn vrouw: ‘Pas op.’ Ik zag toen dat de jongen er weer aan kwam lopen met een fietsketting in zijn hand. Ik ben toen achteruit gelopen en heb mijn vrouw gezegd 112 te bellen. De jongen maakte een slaande beweging met de ketting in mijn richting. Ik heb niet gezien dat hij me raakte, maar ik voelde wel hevige pijn op mijn rug en later op mijn linkerhand.

2.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [Getuige M] d.d. 18 augustus 2009 als vervat op pagina 40 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van de getuige, waaruit, zakelijk weergegeven:

Op 4 augustus 2009 fietste ik met mijn man [Aangever W] over de [Straatnaam] naar kennissen in Groningen. Onderweg zag dat ik dat ons twee brommers of scooters tegemoet kwamen rijden. Toen de brommers waren gepasseerd keek ik achterom en zag ik dat de jongen op de eerste brommer stopte en op mijn man afliep. De jongen sloeg mijn man direct met de vuist in het gezicht. Mijn man verweerde zich. De jongen trok zich los en liep terug naar de brommer. Ik zag toen dat de jongen er weer aan kwam lopen met een fietsketting in zijn hand. Mijn man liep weg en verschuilde zich achter een boom. Ik zag daarop dat de jongen naar mijn man liep en met de ketting naar mijn man sloeg. Ik zag dat mijn man op zijn linkerzijde werd geraakt. Ik hoorde dat mijn man een pijnkreet uitsloeg. Ik heb op aanwijzen van mijn man het kenteken van de brommer genoteerd. Dat was FX805V.

3.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [Getuige VdM] d.d. 25 september 2009 als vervat op pagina 53 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van de getuige, waaruit, zakelijk weergegeven:

Ik ontmoette laatst mijn nichtje [Aangever J]. Zij was met ene [Verdachte]. Ik zag dat die [Verdachte] een tatoeage in zijn hals had en een gouden voortand had. Mijn vriendin vroeg aan [Verdachte]: ‘hoe is dat nu gegaan aan de [Straatnaam]?’ Ik hoorde dat [Verdachte] zei: “dat krijg je als je niet aan de kant gaat en ook nog zegt: ‘zeg doe eens rustig aan.’ Ik heb hem toen een paar klapjes gegeven met mijn slot.”

4.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige I. Oosterhuis d.d. 25 september 2009 als vervat op pagina 55 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van de getuige, waaruit, zakelijk weergegeven:

Twee weken geleden ontmoette ik [Aangever J] en haar vriendje [Verdachte]. Ik zag dat die [Verdachte] een tatoeage in zijn hals had en een gouden voortand had.

Ik vroeg aan [Verdachte]: ‘Ik hoorde dat je iemand hebt mishandeld met een fietsketting?’ [Verdachte] zei toen: ‘Als jij ergens rijdt en je wilt er langs en de mensen gaan niet opzij, wat doe je dan?’

5.

De verklaring van verdachte als afgelegd ter terechtzitting van 4 januari 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb een relatie gehad met [Aangever J]. Ik heet [Voornaam verdachte]. Zoals jullie kunnen zien heb ik een tatoeage in mijn hals. Ik heb ook een gouden voortand.

6.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 september 2009 als vervat op pagina 57 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover inhoudende de relatering van de verbalisant, waaruit, zakelijk weergegeven:

Wij hebben onderzoek verricht naar de brommer met kentekenplaat FX805V. Deze bleek op naam van [Getuige A] te staan. Deze [Getuige A] is gehoord en verklaarde de Gilera te hebben doorverkocht aan ene [Getuige P] en gaf het telefoonnummer. Wij hebben de genoemde [Getuige P] gehoord en deze verklaarde de brommer te hebben doorverkocht aan ene [Verdachte].

Aan [Getuige P] wordt bij het verhoor een foto getoond van [Verdachte]. Getuige [Getuige P] verklaart dat de man op de foto degene is aan wie hij de brommer heeft verkocht en dat deze verkoop voor 4 augustus 2009 plaatsvond.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten als volgt.

De rechtbank heeft de herkenning van verdachte door getuige [Getuige P] van de hem door de politie getoonde foto van verdachte, voor het bewijs gebezigd. Daar de verbalisant in het genoemde proces-verbaal verklaart dat aan getuige [Getuige P] een foto van verdachte werd getoond, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de basis voor de herkenning.

Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de inhoud van de genoemde bewijsmiddelen dat verdachte als dader betrokken is geweest bij de poging tot zware mishandeling van aangever [Aangever W] op 4 augustus 2009 te Groningen.

Verdachte heeft met een fietsketting met slot, met kracht ingeslagen op het lichaam van een persoon. De rechtbank is van oordeel dat door te handelen als hij heeft gedaan, verdachte de aanmerkelijke kans dat daardoor aan aangever [Aangever W] zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht, bewust heeft aanvaard.

Daarbij is de rechtbank tevens van oordeel dat de tenlastegelegde voorbedachte rade wettig en overtuigend bewezen is.

Verdachte heeft zich losgemaakt uit de worsteling met aangever [Aangever W] en is teruggelopen naar zijn brommer waar hij zich heeft bewapend met zijn fietsketting met slot. Vervolgens is verdachte op aangever toegelopen waarop aangever achteruitliep en zich achter een boom verschuilde. Verdachte is aangever Waalboom achterna gelopen en heeft hem met kracht een slag met de fietsketting met slot toegebracht.

Gelet op de deze gang van zaken heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank ruimschoots de gelegenheid gehad om zich te beraden op de reikwijdte en mogelijke gevolgen van zijn voorgenomen handelen.

Feit 2

Standpunt van het Openbaar Minsterie

Ten aanzien van het onder twee tenlastegelegde heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring met dien verstande dat enkel het slaan door verdachte kan worden bewezen gelet op de discrepantie tussen de beide verklaringen van aangeefster [Aangever J] terzake. De officier van justitie heeft daarbij overigens gelet op de verklaringen van getuigen [Getuige T], [Getuige J] en Tol en de verklaring van verdachte als afgelegd ten overstaan van de politie op 22 september 2009.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken. Volgens de raadsvrouw is er tussen de verschillende door aangeefster

[Aangever J] afgelegde verklaringen zoveel discrepantie dat deze als onbetrouwbaar moeten worden beoordeeld. Overigens is volgens de raadsvrouw sprake van beïnvloeding van deze aangeefster en van getuigen [Getuige T] en [Getuige J] door de ouders van aangeefster, die zoals bekend is, afkeurend stonden tegenover de relatie tussen [Aangever J] en verdachte.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 2 tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

7.

Een proces-verbaal van aangifte door [Aangever J] d.d. 17 september 2009 als vervat op pagina 71 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van aangeefster, waaruit, zakelijk weergegeven:

Ik heb een relatie gehad met [Verdachte]. Ik mocht niets van hem. Ik mocht niet naar mijn familie en zo. Als ik niet naar hem luisterde kregen we ruzie. Hij trok mij dan aan de haren. Hij kneep mij, schopte mij, gaf mij kopstoten, gooide dingen naar mij. Dit gebeurde elke dag gedurende drie maanden. Ik had vaak blauwe plekken.

8.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [Getuige T] d.d. 28 september 2009 als vervat op pagina 76 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van de getuige, waaruit, zakelijk weergegeven:

Ik ben een vriendin van [Aangever J]. Zij heeft sinds enkele maanden een relatie met [Verdachte]. Toen [Aangever J] laatst bij mij op bezoek was zag ik dat ze een rode wang had. [Aangever J] vertelde dat [Verdachte] haar kopstoten gaf en haar beet. Ze vertelde dat [Verdachte] haar armen en benen blauw kneep en dat ze werd geschopt en geslagen. Ze vertelde dat ze in het begin wel eens had teruggeslagen, maar dat [Verdachte] haar toen driemaal zo hard had geslagen dat ze ermee opgehouden was.

9.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [Getuige J] d.d. 29 september 2009 als vervat op pagina 78 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van de getuige, waaruit, zakelijk weergegeven:

Mijn nicht is [Aangever J]. [Aangever J] heeft met mij gesproken over het feit dat ze door haar vriend, [Verdachte], werd geslagen. Toen ik een keer zag dat haar arm onder de blauwe plekken zat, heb ik haar meegenomen naar de slaapkamer. Daar vertelde ze dat ze door [Verdachte] erg mishandeld werd. Hij gaf haar kopstoten en schopte en beet haar. Een paar dagen later liet [Aangever J] hele grote blauwe plekken op haar been zien. Ook daarvan zei ze dat [Verdachte] deze had veroorzaakt.

10.

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 22 september 2009 als vervat op pagina 87 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, waaruit, zakelijk weergegeven:

Ik heb een relatie gehad met [Aangever J]. Wij hadden wel ruzie. Soms waren de ruzies wel heftig. We hebben wel eens slaande ruzie gehad. Ik heb haar wel eens zo vast gepakt dat ze daar blauwe plekken aan over hield.

11.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [Getuige N] d.d. 29 september 2009 als vervat op pagina 81 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van de getuige, waaruit, zakelijk weergegeven:

Ik ben de moeder van [Aangever J]. [Aangever J] werd in de relatie met [Verdachte] door hem mishandeld. [Aangever J] vertelde mij bijvoorbeeld dat ze op 10 september 2009 in het UMCG was en daar door [Verdachte] is mishandeld. [Verdachte] wilde naar het Hyves-account van [Aangever J] kijken. [Aangever J] zou met een andere jongen contact hebben gehad. Dat was aanleiding voor [Verdachte] om [Aangever J] te mishandelen.

12.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [Getuige DT] d.d. 29 september 2009 als vervat op pagina 84 en verder van het onder 1. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van de getuige, waaruit, zakelijk weergegeven:

Op 10 september 2009 was ik als beveiligingsmedewerker werkzaam in het UMCG in Groningen. Ik zag daar dat een jongen een meisje een harde klap in haar gezicht gaf. Hij deed dat kennelijk opzettelijk en met kracht. Ik zei tegen de jongen dat ik dat niet wilde hebben. Hij zei dat hij het dan buiten wel zou afmaken. Ik begreep later van een persoon in de internetruimte dat de jongen boos was geworden naar aanleiding van een Hyves-contact van het meisje.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de ingenomen standpunten en naar aanleiding van de voormelde bewijsmiddelen als volgt.

Hoewel aangeefster [Aangever J] meerdere verklaringen heeft afgelegd over het door verdachte tegen haar gepleegde geweld, welke verklaringen over de aard, ernst en frequentie van het geweld uiteenlopen, gaat de rechtbank uit van de betrouwbaarheid van de onder 7. opgenomen aangifte.

De rechtbank wijst daarbij op het feit dat hetgeen aangeefster in die verklaring heeft gesteld, op onderdelen wordt bevestigd door de verklaringen van getuigen [Getuige T] en [Getuige J]. Bovendien overweegt de rechtbank dat de foto’s gevoegd bij de aangifte van [Aangever J] van 17 september 2009, aan de overtuigende waarde van deze aangifte bijdragen.

Dat de ouders van aangeefster, de getuigen [Getuige T] en [Getuige J] zouden hebben bewogen tot het afleggen van een (valselijke) belastende verklaring acht de rechtbank onaannemelijk. Van een dergelijke beïnvloeding blijkt uit geen van de voorhanden zijnde bescheiden in het strafdossier. De rechtbank heeft daarbij bovendien acht geslagen op het feit dat een deel van de verklaring van de moeder van aangeefster door een onafhankelijke derde, getuige [Getuige DT], wordt bevestigd.

Feit 3

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de officier van justitie geconcludeerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich aan het subsidiair tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt. Naar de mening van de officier van justitie blijkt niet dat het door verdachte uitgeoefende geweld van dien aard was dat daardoor aanmerkelijke kans heeft bestaan dat aan aangever [Aangever D] fataal letsel zou worden toegebracht. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat met name het feit dat een medische verklaring ontbreekt maakt dat ten aanzien van de aard en ernst van het toegebrachte letsel geen uitspraken kunnen worden gedaan.

Dat verdachte het feit heeft begaan volgt volgens de officier van justitie uit de verklaring van aangever [Aangever D], de verklaringen van getuigen [Getuige S], [Getuige Jo], [Getuige O] en [Getuige Po] en het tapverslag van het telefoongesprek dat tussen verdachte en een onbekende vrouw is gevoerd op 14 maart 2009 om 22:36:35 uur.

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw eveneens geconcludeerd tot vrijspraak van verdachte. Naar de mening van de raadsvrouw blijkt niet wettig en overtuigend dat verdachte betrokken is geweest bij de steekpartij zoals deze heeft plaatsgevonden op de Grote Markt te Groningen op 13 maart 2009.

Daarbij heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het tapverslag van het gesprek dat is gevoerd op 14 maart 2009 om 22:36:35 uur niet voor het bewijs kan worden gebezigd. De verdediging is niet in staat gesteld om te controleren of het verdachte is geweest die het bewuste gesprek voerde en of justitie op rechtmatige gronden heeft getapt.

Verdachte ontkent degene te zijn die de in het tapverslag vervatte uitlatingen heeft gedaan.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 3 tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

13.

Een proces-verbaal van aangifte door [Aangever D] d.d. 13 maart 2009 als vervat op pagina 25 en verder van een strafdossier met nummer 2009025289-23 / 2009026330 Aalscholver d.d. 23 april 2009, voor zover houdende de verklaring van aangever, waaruit, zakelijk weergegeven:

Op 12 maart 2009 ging ik de stad in met een vriend. Ik was in de [Uitgaansgelegenheid]. Op een gegeven moment stootte ik per ongeluk iemand aan. Ik zag dat de jongen zich naar me toe draaide en ik hoorde hem zeggen: ‘Wat doe je?’ Direct daarna sloeg de jongen met zijn vuist in mijn gezicht. Ik heb het erbij gelaten en ben doorgelopen. Ik heb bij de rokersruimte een sigaret gerookt met een vriend van mij, [Getuige S]. De jongen die mij had geslagen kwam er aan lopen. Hij zei tegen [Getuige S]: ‘Je moet niet zo stoer doen.’ Direct daarna zag ik dat de jongen met zijn vuist een klap in het gezicht van [Getuige S] gaf. [Getuige S], de jongen en ik werden toen uit de [Uitgaansgelegenheid] gezet. De jongen zei tegen ons: ‘Kom maar achter de Martinitoren met me vechten.’ Ik ben toen op de jongen afgestapt en heb hem een vuistslag in zijn gezicht gegeven. De jongen viel en trok mij mee. Ik voelde dat hij mij een paar keer tegen mijn lichaam stompte. Ik voelde dat het nat was bij mijn buik. Ik zag dat ik bloedde. In het ziekenhuis bleek dat ik met een mes gestoken was. Volgens de arts had ik geluk gehad. Er waren geen vitale delen geraakt, maar het was wel dichtbij.

14.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [Getuige Jo] d.d. 18 maart 2009 als vervat op pagina 33 van het onder 13. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van de getuige, waaruit, zakelijk weergegeven:

Op 13 maart 2009 was ik op de Grote Markt in Groningen. Ik zag daar onder meer [Getuige S] en [Aangever D] staan. Ik zag ook een mij onbekende jongen met een normaal postuur, getinte huid en een gouden tand. Deze jongen zei tegen ons dat we maar mee moesten komen naar achter de kerk. Daar zou hij ons dan gaan steken. Ik zag dat de jongen een mes in zijn hand had. De jongen had [Getuige S] geslagen. Ik zag dat [Aangever D] op de jongen afliep en de jongen sloeg. Ik zag dat de jongen een zwaaiende beweging maakte naar de schouder van [Aangever D] en naar de buik/borst van [Aangever D]. Ik zag dat de jongen met het mes toen wegliep. [Aangever D] zei kort daarna dat hij was gestoken.

15.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [Getuige Po] d.d. 20 maart 2009 als vervat op pagina 36 van het onder 13. genoemde strafdossier, voor zover houdende de verklaring van de getuige, waaruit, zakelijk weergegeven:

Op 13 maart 2009 was ik op de Grote Markt in Groningen. Ik zag daar onder meer [Getuige S] en [Aangever D] staan. Ik zag ook een mij onbekende jongen met een normaal postuur, getinte huid en een tatoeage in zijn hals. De jongen had [Getuige S] geslagen. Deze jongen zei tegen ons dat we maar mee moesten komen naar achter de kerk. Daar zou hij ons dan gaan steken. Ik zag dat de jongen op [Aangever D] afliep en een zwaaiende beweging maakte naar de schouder van [Aangever D]. Hij maakte meerdere bewegingen richting [Aangever D].

16.

Een schriftelijk stuk, te weten een verslag van een getapt telefoongesprek d.d. 14 maart 2009 omstreeks 22:35:35 uur, waaruit, zakelijk weergegeven:

[Verdachte] (sh): Hé, luister. Ik heb een persoon gestoken. Er kwam een Surinamer in een discotheek naar me toe. (…) Op een gegeven moment ben ik weggerend. Naar de rookruimte. Op een gegeven moment ben ik weer naar ze toe gegaan. Er waren drie Mokro’s bijgekomen. Ik had een van hen geslagen. Zijn mond bloedde. Op een gegeven moment ging ik naar buiten. Die Mokro zei tegen me: ‘wat wil je djago.’ Ik zei tegen hem: ‘je moeder djago… ga van me weg.’ Op een gegeven moment gaf hij mij een harde slag. Ik viel op de fietsen. Ik heb een mes genomen. Ik heb hem in zijn buik een keer gestoken. Een keer in zijn rug. Een keer in zijn schouder. Hij was gewond. Hij bloedde. Men is nu naar mij aan het zoeken. Die jongen heet [Getuige S] of zo. Luister, het zijn vier mensen tegen mij. Dan ben ik ook keihard snap je? Ik ga ophangen.

17.

Een proces-verbaal van bevindingen (Mastlokatie Groningen Naberpassage) d.d. 21 juli 2009 als gehecht aan het aanvullend proces-verbaal d.d. 26 augustus 2009, waaruit, als constatering van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit het (getapte) telefoongesprek met nummer 276655833 kan blijken dat [Verdachte] op 13 maart 2009 omstreeks 02:46 uur een telefoongesprek heeft gevoerd in de omgeving van de Naberpassage in Groningen.

Voorts heeft de rechtbank terzake het onder 3 tenlastegelegde acht geslagen op het onder 5. genoemde bewijsmiddel.

De rechtbank is van oordeel dat het verslag van het getapte telefoongesprek d.d. 14 maart 2009 (het onder 16. opgenomen bewijsmiddel) voor het bewijs kan worden gebezigd. Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, is de rechtbank niet gebleken dat aan de rechtmatigheid of de betrouwbaarheid van dit tapverslag moet worden getwijfeld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat ook van de zijde van de verdediging geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat moet worden getwijfeld aan het feit dat verdachte degene was die in het bewuste telefoongesprek de genoemde uitlatingen heeft gedaan. Bovendien gaat de rechtbank er bij dit bewijsmiddel vanuit dat de rechtmatigheid van de telefoontap en de verdenking naar aanleiding waarvan dit onderzoeksmiddels is ingezet, door de rechter-commissaris in het Arnhemse strafrechtelijk onderzoek zijn getoetst. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat daaraan zou moeten worden getwijfeld.

Met betrekking tot het onder 17. opgenomen bewijsmiddel overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat de Naberpassage in Groningen grenst aan de Grote Markt te Groningen.

Uit de met betrekking tot feit 3 opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank de navolgende feitelijke gang van zaken af.

Verdachte en aangever zijn op 13 maart 2009 in een uitgaansgelegenheid van de stad Groningen. In die uitgaansgelegenheid ontstaat een ruzie tussen verdachte en aangever en een aantal van diens vrienden. Daarbij wordt door verdachte een vuistslag uitgedeeld aan een vriend van aangever. Verdachte en aangever en diens vrienden worden daarop uit de uitgaansgelegenheid verwijderd. Op straat wordt de ruzie vervolgd en aangever loopt na uitlatingen van verdachte op verdachte toe en brengt deze een vuistslag toe. Daarop ontstaat een worsteling tussen beiden waarbij verdachte driemaal op het lichaam van aangever insteekt. Aangever wordt daarbij driemaal geraakt, in zijn buik, in zijn rug en in zijn schouder.

De rechtbank is van oordeel - anders dan door de officier van justitie en de raadsvrouw is aangevoerd – dat het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte in een worsteling met aangever [Aangever D] tot drie maal toe op diens lichaam heeft ingestoken. De rechtbank beoordeelt de kans dat daardoor aan aangever dodelijk letsel zou kunnen zijn toegebracht als aanmerkelijk. Immers, dit steken heeft plaatsgevonden tijdens een worsteling, waarbij verdachte telkens geen zicht en invloed had op de daarbij door aangever gemaakte bewegingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit dit samenstel van factoren, naar algemene ervaringsregels, worden geconcludeerd dat aangever door één of meer van de messteken had kunnen worden geraakt in vitale lichaamsdelen. Blijkens het onder 16. genoemde bewijsmiddel is verdachte zich bewust geweest dat hij aangever met een mes in de buik, schouder en rug heeft gestoken. Verdachte heeft met zijn handelen de aanmerkelijke kans om aan aangever dodelijk letsel toe te brengen, bewust op de koop toe genomen.

Dat er geen medische verklaring voorhanden is met behulp waarvan het gevolg van verdachtes handelen, het letsel van aangever [Aangever D], kan worden beoordeeld, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht met inachtneming van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 4 augustus 2009 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [Aangever W], opzettelijk, en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg,

- op die [Aangever W] is afgelopen en (vervolgens) die [Aangever W] een of meermalen met kracht (in het gezicht) heeft gestompt en geslagen, en,

- die [Aangever W] meermalen met een (fiets)ketting/slot op/tegen het lichaam heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 september 2009 te Groningen

meermalen, op verschillende tijdstippen, (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Aangever J]), meermalen (met kracht),

- heeft geknepen, en stevig vastgepakt, en

- heeft gestompt, geslagen, getrapt en/of geschopt, en

- aan de haren heeft getrokken, en

- kopstoten heeft gegeven,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. primair

hij op 13 maart 2009, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [Aangever D], van het leven te beroven, met dat opzet die [Aangever D] met een mes in de buik(streek) en in de schouder heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

1 primair Poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade.

2 Mishandeling, meermalen gepleegd.

3 primair Poging tot doodslag.

De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van een van deze feiten opheffen.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte vanwege het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de door verdachte reeds ondergane voorlopige hechtenis en een voorwaardelijk deel voor de duur van acht maanden met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften gegeven door of vanwege de Reclassering Nederland, ook wanneer deze aanwijzingen inhouden dat verdachte een agressieregulatie training dient te volgen.

Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de hoeveelheid, de aard en de ernst van de feiten en met de persoon van de verdachte zoals deze blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting en het reclasseringsrapport d.d. 24 november 2009.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf matigt.

De raadsvrouw gaat daarbij uit van de gedeeltelijke bewezenverklaring terzake het onder twee tenlastegelegde en heeft geconcludeerd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor ten hoogste de duur van de ondergane voorlopige hechtenis wordt opgelegd.

Beoordeling

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 24 november 2009, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd. De rechtbank neemt hierbij en bij de bepaling van de hoogte hiervan in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een drietal (ernstige) geweldsdelicten.

Verdachte heeft – blijkens het onder 1 en 3 bewezenverklaarde – in een tweetal ruzies zwaar geweld toegepast ter beslechting van deze ruzies. Verdachte heeft zich daarbij in beide gevallen van een wapen bediend. Dat in beide gevallen het letsel relatief beperkt lijkt te zijn gebleven is een omstandigheid die niet aan het handelen van verdachte te danken is.

De rechtbank rekent verdachte aan dat beide ruzies zonder aanmerkelijke vorm van provocatie van de aangevers zijn ontstaan en dat verdachtes aandeel in beide gevallen een hevige escalatie teweeg heeft gebracht.

Het onder 1 bewezenverklaarde feit is gevolgd op een verkeersincident waarbij verdachte en het slachtoffer [Aangever W] al rijdend licht met elkaar in botsing zijn gekomen. Verdachte heeft buitensporig kwaad gereageerd op het slachtoffer door hem eerst met zijn vuisten te slaan en vervolgens het slachtoffer een slag toe te brengen met een kettingslot, dat verdachte daartoe van zijn brommer had gepakt. Uit niets is gebleken dat gebruik van geweld van de zijde van verdachte op enigerlei wijze gerechtvaardigd was. De rechtbank rekent verdachte dit feit derhalve zwaar aan.

Terzake het onder feit 2 bewezenverklaarde heeft verdachte in een drie maanden durende relatie met een 16-jarig meisje regelmatig geweld toegepast. De rechtbank rekent ook hier verdachte de frequentie, aard en ernst van de mishandelingen en de gevolgen daarvan voor aangeefster zwaar aan.

Voorafgaand aan het onder feit 3 bewezenverklaarde heeft zich eerst een geweldsincident voorgedaan, als gevolg waarvan verdachte en – onder meer – het slachtoffer [Aangever D] uit de [Uitgaansgelegenheid] zijn gestuurd, waarna verdachte het slachtoffer eerst heeft uitgedaagd en vervolgens, toen deze op zijn uitdaging inging, drie messteken toegediend waarvan de gevolgen fataal hadden kunnen zijn. Ook deze uiting van buitensporig en zinloos geweld rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank overweegt bovendien dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte zich de gevolgen van zijn handelen aantrekt en zijn aandeel daarin onderkent. De rechtbank leidt daaruit en uit het afschrift uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 22 september 2009 een ernstig gevaar voor recidive af.

Anders dan door de officier van justitie is geëist, acht de rechtbank geen gronden aanwezig om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf met enige bijzondere voorwaarde op te leggen. Blijkens het genoemde reclasseringsrapport is reclasseringstoezicht overigens ook niet geïndiceerd.

De rechtbank komt tot het opleggen van een gevangenisstraf van (aanzienlijk) langere duur dan door de officier van justitie geëist en door de raadsvrouw bepleit. Dit is in de eerste plaats gelegen in het feit dat de rechtbank terzake het onder 3 tenlastegelegde komt tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde (waar de officier van justitie tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde heeft geconcludeerd en de raadsvrouw tot integrale vrijspraak). Voorts is dit gelegen in het feit dat de rechtbank van oordeel is dat de geëiste en bepleite straffen geen recht doen aan de hoeveelheid, aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank heeft daarbij eveneens gelet op de straffen die bij soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij terzake feit 1

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [Aangever W], wonende te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro).

De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2009.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie heeft op grond van het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem d.d. 24 november 2008 (met nummer 05/508394-08) gevorderd dat de bij dat vonnis voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 250,- alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De officier van justitie heeft bovendien de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 30 maart 2009 (met nummer 18/654014-08) voorwaardelijk opgelegde 30 uur werkstraf.

Blijkens in genoemde vordering vermeld dossier onder parketnummer 18/670370-09 heeft de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig gemaakt aan een drietal geweldsdelicten, waarvoor nu een veroordeling volgt.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, alsnog tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straffen.

Het beslag

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een set keukenmessen en een zwarte jas, moet worden teruggegeven aan de rechthebbenden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 45, 57, 63, 287, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het 1 primair, 2 en 3 primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden

beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering van de benadeelde partij [Aangever W], wonende te Groningen, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 400,- (zegge vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2009 en veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 400,- (zegge vierhonderd euro) ten behoeve van de benadeelde partij [Aangever W], wonende te Groningen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis; toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 400,- ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat;

beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

gelast de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem d.d. 24 november 2008 onder parketnummer 05/508394-08, voorzover het betreft de toen voorwaardelijk opgelegde € 250,- (zegge tweehonderdvijftig euro), bij niet voldoen en ontoereikend verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis;

gelast voorts de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter in de bovengenoemde rechtbank d.d. 30 maart 2009 onder parketnummer 18/654014-08, voorzover het betreft de toen voorwaardelijk opgelegde 30 uur werkstraf, bij niet naar behoren te verrichten te vervangen door 15 dagen hechtenis;

het beslag

gelast de teruggave van een set keukenmessen en een zwarte jas aan de rechthebbenden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en

mr. J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.H.S. Kroeze als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2010.