Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:1743

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-12-2010
Datum publicatie
08-08-2019
Zaaknummer
C18 / 82968 / HA ZA 05-939
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

bouwzaak, waardering getuigenverklaringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 82968 / HA ZA 05-939

Vonnis van 15 december 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] PROJECTARCHITECT B.V.,

gevestigd te Groningen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.A.P.H. Randag,

tegen

1 [gedaagde, sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde, sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J. Bolt.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 mei 2010,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 juli 2010.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

De rechtbank beschouwt als hier ingelast en herhaald hetgeen is overwogen in de tussenvonnissen van 1 februari 2006, 25 juli 2007 en 26 mei 2010.

in conventie

2.2.

Zoals in het vonnis van 25 juli 2007 reeds overwogen is de vordering van [eiser] in beginsel toewijsbaar. De rechtbank zal de gevorderde hoofdsom thans toewijzen. Weliswaar hebben [gedaagden] te dien aanzien een beroep gedaan op verrekening, maar de rechtbank gaat hieraan op grond van artikel 6:136 BW voorbij, nu de tegenvordering waarop [gedaagden] zich beroepen – zoals in reconventie zal blijken – niet eenvoudig is vast te stellen.

2.3.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II – worden afgewezen. [eiser] heeft immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

2.4.

[eiser] heeft gevorderd [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 691,91 voor verschotten en EUR 452,00 voor salaris advocaat (1 rekest x tarief EUR 452,00).

2.5.

[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,93

- vast recht 199,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.078,93

in reconventie

2.6.

Bij vonnis van 25 juli 2007 is reeds overwogen dat de vordering van [gedaagden] tot betaling van EUR 5.000,00 zal worden afgewezen. De rechtbank zal daar thans toe over gaan. Voorts is [eiser] bij dat vonnis toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands vermoeden dat [eiser] heeft nagelaten om [gedaagden] van het meerwerk en de daaraan verbonden kosten op de hoogte te houden.

2.7.

Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [eiser] [naam A] , [naam B] , [naam C] , [naam D] en [eiser] als getuigen doen horen. Op verzoek van [gedaagden] zijn in tegenverhoor [gedaagde, sub 1] , [gedaagde, sub 2] en [naam F] als getuigen gehoord.

2.8.

Getuige [naam A] , projectleider in dienst van [eiser] , heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “De allereerste bouwvergadering die ik heb bijgewoond was die van april 2005. De eerste begroting van Stijkel is bij de aanbesteding ter tafel gekomen; dat was in november 2004, ik ben daar niet bij aanwezig geweest. De volgende begroting van februari 2005 is in een bouwvergadering besproken; dat heb ik uit een verslag opgemaakt. De begroting van maart is ook in een bouwvergadering aan de orde geweest. In februari 2005 zijn er een aantal toevoegingen op het bouwplan geweest waarvoor ons kantoor tekeningen heeft gemaakt. (…) De tekeningen in verband met toevoegingen zijn naar Stijkel gegaan. Deze heeft ze meegenomen in de begroting van 1 maart. Na deze begroting zijn er nog meer wijzigingen doorgevoerd. Ik heb een nota van Stijkel, de dertiende termijn, in april 2005 doorgestuurd naar de [gedaagden] waaraan ik heb toegevoegd dat de kosten van de werkzaamheden hoger zouden uitvallen dan onze raming van 16 februari 2005. Ik overhandig u de brief van ons kantoor van 18 april 2005 plus de kostenraming die ik aan de hand daarvan heb opgesteld en welke gedateerd is op 19 april 2005. Ik heb de laatste ook aan de [gedaagden] doorgestuurd. (…) In april 2005 was de totale omvang van de werkzaamheden bekend. In die maand was het belangrijkste dat het huis afgemaakt werd. (…) In dezelfde tijd heb ik ten behoeve van de verbouw verschillende offertes opgevraagd om het huis af te krijgen. In juni 2005 kwam de aannemer met een overzicht van het meer- en minderwerk. Hij heeft toen ook een voorstel gedaan voor de afrekening. Gedurende de verbouwing heb ik af en toe gehoord dat de [gedaagden] rechtsreeks meerwerkopdrachten aan de aannemer heeft gegeven, evenals wijzigingen die tijdens de bouw naar voren waren gekomen. Ik heb al verteld dat ik in april een bouwvergadering heb bijgewoond, dat ging toen vooral om de oplevering en niet over kosten. De volgende vergadering die ik heb bijgewoond was de oplevering zelf. Toen zijn er opleverlijsten gemaakt. Ook toen ging het niet om de kosten. (…) De gewoonte was dat wij voor meerwerk kostenbegrotingen maakten en daarvoor toestemming vroegen aan de klant. In het onderhavige geval is het meestal ook zo opgegeven, maar in de periode maart/april 2005 niet omdat de meeste bouwkundige zaken al bekend waren evenals de interieurveranderingen. Als er soms iets niet is doorgegeven dan kwam dat doordat alles zo snel moest. Van Stijkel heb ik in die periode geen lijsten van meerwerk gekregen. Achteraf heeft Stijkel wel meerwerk overzichten verstrekt. (…) Toen Stijkel in juni 2005 met een totaaloverzicht kwam heb ik dat gecontroleerd en op een rijtje gezet. Ik heb het een en ander doorgestuurd naar de [gedaagden] . Stijkel heeft naar aanleiding daarvan ook een voorstel gedaan voor de eindafrekening. (…) Het geheel is vervolgens na akkoord van de architect naar de [gedaagden] gegaan. (…) De [gedaagden] heeft geen reactie op de kostenramingen gegeven. (…) Dat men akkoord ging met de kostenraming van

16 februari 2005 lees ik uit het bouwverslag. Werkzaamheden waarvoor wij offertes hebben aangevraagd zijn opgedragen nadat ik gehoord had dat dat akkoord was. (…) De begrotingen die Stijkel heeft gemaakt zijn allemaal doorgestuurd tijdens de bouw aan de [gedaagden] , dan wel tijdens de bouw overhandigd. Ik heb in juni 2005 een overzicht gemaakt om te laten zien wat er allemaal tijdens de bouw is gebeurd. Voor dat overzicht was de overschrijding van het budget niet de aanleiding. Ik heb dat overzicht en de eindafrekening met meneer [gedaagde, sub 1] besproken”.

2.9.

Getuige [naam B] , directeur van Stijkel Bouw B.V., heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “Bijna dagelijks werden er wijzigingen verzocht. (…) Behalve de schriftelijke begrotingen is er met de architect gecorrespondeerd over prijzen van meerwerk en over wijzigingen in het project. Ik kwam zelf drie tot vier keer per week op de bouw. [gedaagde, sub 2] was regelmatig op het werk aanwezig. (…) Meerwerkopdrachten werden ofwel bij de architect ingediend, ofwel door de opdrachtgevers zelf op de bouwplek verstrekt. (…) Vaak werden ter plekke beslissingen genomen over de wijze van uitvoering. Dat werkte later door in de prijs. Er was niet de tijd om alles onmiddellijk prijstechnisch uit te werken. Wij voerden de verzoeken tot meerwerk uit want de klant is koning. Er bleven wijzigingen komen. Dit was een van de weinige projecten waarin ik drie begrotingen heb gemaakt. De eerste was in november 2004, de tweede in februari 2005 en 1 maart 2005 de laatste. Nadien zijn er nog offertes gevraagd van veel zaken die toen nog niet in de begroting stonden. Overigens stonden er soms nog voorbehouden in de begroting want niet alle prijzen waren onmiddellijk bekend. Wanneer u mij vraagt of ik weet hoe de architect meerwerkopdrachten doorgaf, antwoord ik dat ik weet dat [naam F] dat in het begin deed. Later ging dat via [naam A] . Tijdens twee bouwvergaderingen is ook over de kosten gesproken. Meerwerkopdrachten die nog niet bekend waren en die niet in de begrotingen stonden zijn later in het eindoverzicht verwerkt. In april en mei 2005 zijn er geen begrotingen meer opgesteld. Bepaalde zaken heeft de [gedaagden] zelf geregeld. Bijvoorbeeld het bestellen van de houten vloer. (…) Mr. Randag vraagt mij hoe vaak het voorkwam dat de [gedaagden] rechtstreeks aan ons bedrijf wijzigingen opgaf of meerwerk opdroeg. Mijn antwoord is dat dat regelmatig het geval was. Ik kwam drie keer per week op de bouw en dan zag ik de jongens regelmatig andere dingen doen dan ik verwacht had dat zij zouden doen”.

2.10.

Getuige [naam C] , uitvoerder in dienst van Stijkel Bouw B.V., heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “Wij werkten volgens tekeningen van de architect. [gedaagde, sub 2] was ongeveer drie keer per week op het werk aanwezig en meestal gaf zij dan de wens te kennen om iets te veranderen. Ik antwoordde haar meestal dat zij dat eerst met de architect moest bespreken. Voor grotere klusjes wachtte ik dus op groen licht van de architect. Kleinere werkzaamheden werden onmiddellijk uitgevoerd. (…) Meestal kwam [gedaagde, sub 2] zelf weer bij mij terug en zei dan dat de door haar gewenste verandering kon worden uitgevoerd. Soms hoorde ik van de architect dat dat akkoord was. [eiser] was regelmatig, ik denk twee of drie keer per week, op het werk aanwezig. Op het laatst was hij daar bijna dagelijks. Soms was ook zijn compagnon daar. De prijstechnische gevolgen van meerwerk waren niet mijn taak want dat regelde de heer [naam B] . (…) Wanneer er op de werkplek een bespreking met de architect was, was [gedaagde, sub 2] daar in het algemeen bij aanwezig”.

2.11.

Getuige [naam D] , administratief medewerkster bij [eiser] , heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “[naam A] heeft zich beziggehouden met de bouwkundige kant van de zaak. Hij weet of iets meerwerk is. Ik kon alleen maar achteraf aan de cijfers zien dat er meerwerk in rekening is gebracht. (…) Wij zijn veelvuldig met wijzigingen geconfronteerd. Wij hebben steeds offertes aangevraagd en wanneer deze kwamen doorgestuurd aan de [gedaagden] . Ik heb persoonlijk geen meerwerkopdrachten aangenomen, maar ik wist dat ze er waren. Wanneer u mij vraagt waarom er dan een groot verschil is ontstaan tussen de begroting en de eindafrekening antwoord ik: ik denk dat het komt omdat de heer en [gedaagde, sub 2] allerlei dingen uitzochten waarmee wij geconfronteerd werden. (…) In april 2005 heb ik kostenramingen gezien. Ik heb deze toen opgeteld. Overigens heeft [naam A] dat afgehandeld”.

2.12.

Partijgetuige [eiser] heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “Er is niet zoveel meerwerk geweest. (…) Gaande de bouw zijn diverse werkzaamheden op een rijke manier uitgevoerd en opgevoerd. Door ons kantoor is tot drie keer toe duidelijk gemaakt dat de [gedaagden] over de begroting heen was geraakt. (…) Het meerwerk ontstond onder andere door de keuzes die gemaakt werden, bijvoorbeeld nam ik [gedaagde, sub 2] mee naar een klant in Peize. Deze had een hele mooie houten vloer. [gedaagde, sub 2] wilde die ook. Ik heb voor de kosten daarvan gewaarschuwd. (…) Er is ook meerwerk ontstaan doordat er zaken werden uitgevoerd waar ons bureau niets van afwist, bijvoorbeeld een zolder boven de bijkeuken, een zolder boven de badkamer, de kast indeling en het aanbrengen van een kattenluik. Waar dat mogelijk was hebben wij offertes aangevraagd en kortingen bedongen. (…) U vraagt waarom er tussen maart en juni geen overzichten zijn van alle gemaakte kosten. U moet bedenken dat we redelijk op tijd stonden in verband met de gewenste verhuisdatum en dat wij voor allerlei prijzen afhankelijk waren van de werkelijke kosten van de aannemer c.q. de onderaannemers. De aannemer kon het niet altijd bijhouden. Wij hadden alle kosten aan de aannemer en de onderaannemers gevraagd en vervolgens op een rijtje gezet. De eindafrekening van Stijkel Bouw was eigenlijk een voorstel aan de [gedaagden] . De aannemer had daar wel over willen spreken maar eiste eerst dat de dertiende termijn betaald werd.(…) Toen de begroting een tussenstand had van circa EUR 410.000,00 hebben wij nog een keer gewaarschuwd dat er steeds kosten bijkwamen en dat deze verder opliepen.(…) In de praktijk ging het soms zo dat er al wel opdracht werd gegeven terwijl de kosten nog niet bekend waren. Het merendeel van de extra kosten betreft afwerking en verrekening van stelposten”.

2.13.

Partijgetuige [gedaagde, sub 1] heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “Ik heb destijds de brief van 18 april 2005, die [naam A] bij het getuigenverhoor heeft overgelegd, wel ontvangen. Daar zit wel een verhaal achter. In de bijlage van die brief zijn de kosten op ongeveer EUR 444.000,00 beraamd. Echter bij deze prijs zitten de gordijnen, vloerbedekking en jaloezieën erbij. Als deze kosten er af gaan en ook de kosten van de houten vloer, die immers al in de oorspronkelijke aanbieding zat, kwam ik toch op vier ton. Vier ton was het bedrag waar wij op mikten. Dat was het bedrag voor de aannemer, onderaannemers, architect en keuken. We hebben geen opdrachten rechtstreeks aan de aannemer gegeven. Bij alles zeiden ze dat het via de architect moest. In maart/april 2005 zijn er alleen drie kastjes bij de trap bijgekomen en een vliering in de bijkeuken. De architect heeft dit voorgesteld. Bedragen zijn niet genoemd. Wij hebben wel steeds gevraagd of het binnen het budget bleef. (…) De tijdsdruk was wel groot, dat kan ik beamen. (…) Het budget van vier ton is tot stand gekomen in overleg met [naam F] . De kosten kwamen eerst uit op EUR 444.000,00 ongeveer, er zijn toen bezuinigingen doorgevoerd om toch op vier ton te komen. (…) Deze lijsten van de kosten zijn ook met [eiser] besproken. Deze begroting was van november 2004. We hebben toen besloten dat het huis meer in stijl zou worden herontworpen. (…) De tekeningen hiervan waren pas 23 december klaar, op 12 februari hebben wij toen voor het eerst gesproken over de kosten aan de hand van Excel sheets die opgesteld zijn door [naam F] . Bij deze bespreking waren naast mijn vrouw en ik [eiser] en [naam F] aanwezig. (…) Naar aanleiding van deze besprekingen hebben wij gezegd dat het niet duurder moet zijn dan vier ton. [eiser] heeft gezegd: “dat komt in orde”. [naam F] weet hier ook van. [naam A] kwam pas in een later stadium erbij. Met hem heb ik niet gesproken over het budget van vier ton. (…) U vertelt mij dat getuige [naam B] heeft gezegd dat er veel wijzigingen zijn doorgegeven. Dit is totaal niet de waarheid”.

2.14.

Partijgetuige [gedaagde, sub 2] heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “Ik hoorde op een gegeven moment dat het eindbedrag hoger werd dan wij wilden. Ik heb toen telefonisch contact opgenomen met [eiser] en gezegd dat het niet boven de vier ton moet uitkomen en dat anders de bouw wordt stilgelegd. Daarna is er vergaderd om te bekijken hoe het bedrag toch beneden de vier ton zou moeten blijven. Als het goed is, is dat in maart geweest. In het telefoongesprek met [eiser] is voor het eerst het bedrag van vier ton genoemd. Nadat de verbouwing van de bovenetage erbij is gekomen zijn er eigenlijk nooit meer vaste bedragen genoemd. (…) U wijst mij op de brief van 18 april 2005 die is overgelegd door getuige [naam A] . Ik heb gezien dat we die hebben ontvangen. Daar staat een bedrag in van ongeveer EUR 444.000,00. Maar hier staan bijvoorbeeld ook de gordijnen en de vloerbedekking bij terwijl die erbuiten vielen. We hadden toch het idee dat we nog onder de vier ton zaten. Dit temeer daar [eiser] zei dat we ons geen zorgen hoefden te maken omdat hij nog een grote klapper zou maken. Hij bedoelde daarmee dat hij aan het eind nog een korting zou bedingen. Ik heb geen meerwerk rechtstreeks aan de aannemer opgedragen, alles werd besproken met de architect, het verliep allemaal in goede samenwerking. (…) Af en toe hebben wij gevraagd of het allemaal nog binnen het budget viel, [eiser] zei dan dat het goed zou komen”.

2.15.

Getuige [naam F] , bouwkundig tekenaar, tot 11 april 2005 werkzaam bij [eiser] , heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “Ik ben betrokken geweest bij de verbouwing van de woning van de [gedaagden] . (…) Ik ben ook betrokken geweest bij de kosten van de verbouwing. Ik heb niet deelgenomen aan alle gesprekken over de kosten. Ik heb voor het eerst te maken gehad met de kosten in februari. Ik moest toen een overzicht maken van de meerwerkkosten op dat moment, dat is besproken met de [gedaagden] . (…) Ik weet dat het budget vier ton was, in overleg met de [gedaagden] is er een aantal zaken geschrapt. Volgens mij is er toen ook nog een aangepaste begroting van de aannemer gekomen. (…) In het budget van vier ton zaten de kosten van de aannemer en de keuken. Bij mijn weten zaten de kosten van de architect ook in het budget. Wat betreft de architectkosten, hier heb ik overleg over gehad met [eiser] , hij heeft mij het bedrag doorgegeven dat ik op moest nemen. Ik kan mij niet herinneren dat budgetbewaking aan de orde is geweest. Verder is er niet met mij over de kosten gecommuniceerd”.

2.16.

[eiser] heeft in haar conclusie na enquête erkend dat zij [gedaagden] op de hoogte diende te houden van de prijsontwikkeling als gevolg van aanvullende wensen van [gedaagden] , maar zij heeft gesteld dat dit van haar niet verwacht kon worden ten aanzien van opdrachten die [gedaagden] buiten [eiser] om aan de aannemer hebben verstrekt. Evenmin kon van [eiser] verwacht worden vooraf een prijsopgave te doen aan [gedaagden] wanneer zij vanwege tijdgebrek van de aannemer geen prijsopgave had gekregen. In de periode van 1 februari 2005 tot 29 april 2005 heeft [eiser] [gedaagden] wel degelijk op de hoogte gehouden van de voor [eiser] kenbare prijsontwikkeling. De tussentijdse opgave van de aannemer van 1 maart 2005 is in de eerstvolgende bouwvergadering besproken en op 19 april 2005 heeft [eiser] een financieel overzicht verstrekt aan [gedaagden] . Hierna hebben [gedaagden] nog allerlei extra opdrachten verstrekt.

2.17.

[gedaagden] hebben in hun conclusie na enquête gesteld dat [eiser] geen aandacht heeft besteed aan bewaking van het budget. [eiser] heeft de kostenopgave van de aannemer blind voor akkoord getekend. Bij [eiser] was bekend dat het budget van [gedaagden] EUR 400.000,00 was, waarbij de kosten van de keuken en de architect waren inbegrepen. Noch bij de keuze van de materialen, noch bij de invulling van de afwerkpunten heeft [eiser] gewaarschuwd dat het budget door deze keuzes mogelijk zou worden overschreden. De door [eiser] overgelegde correspondentie vermeldt geen (meer)prijzen, zodat [gedaagden] ervan uit mochten gaan dat de in de begroting opgenomen bedragen toereikend waren. Eén keer, in februari 2005, hebben [gedaagden] vernomen dat het budget niet toereikend zou zijn. Zij hebben toen onmiddellijk bezuinigingen doorgevoerd. Nadien heeft [gedaagden] geen enkele waarschuwing van [eiser] over budgetoverschrijding bereikt. Wijzigingen hebben [gedaagden] altijd eerst aan [eiser] doorgegeven voordat de aannemer tot uitvoering overging. De kostenraming van 19 april 2005 is niet correct opgesteld. Het betrof een indicatie, geen definitief overzicht. Het definitieve overzicht hebben [gedaagden] pas op 17 juni 2005 ontvangen. Tijdens de bouwvergaderingen is niet over de kosten gesproken. [eiser] is tekort geschoten in de bouwbegeleiding, bouwdirectie, coördinatie en financiële afwikkeling van de bouw.

2.18.

De rechtbank maakt uit de verklaringen van de getuigen het volgende op. [eiser] heeft ten behoeve van [gedaagden] meerdere begrotingen opgesteld. Deze zijn met [gedaagden] besproken. Nadien zijn er nog vele wijzigingen in het werk aangebracht, wat resulteerde in meerwerkopdrachten. Hiervan zijn aanvankelijk kostenoverzichten gemaakt en deze zijn met [gedaagden] in ten minste twee bouwvergaderingen besproken. Naar aanleiding van de begroting van februari 2005 is er geschrapt in de bouwplannen zodat de totale kosten – inclusief de kosten van de keuken en de architect – onder de vier ton zouden blijven. In de periode maart tot juni 2005 heeft [eiser] geen kostenoverzichten van het meerwerk gemaakt. De kosten van het meerwerk zijn in deze periode ook niet met [gedaagden] besproken. [eiser] heeft [gedaagden] in deze periode derhalve niet op de hoogte gehouden van het meerwerk en de daaraan verbonden kosten. Weliswaar heeft [naam A] een brief van 18 april 2005 van [eiser] aan [gedaagden] overgelegd, waarin [eiser] meedeelt dat de kosten van de werkzaamheden hoger zullen uitvallen dan de raming van 16 februari 2005 en dat er zo snel mogelijk een definitief overzicht gemaakt zal worden, maar de rechtbank is van oordeel dat uit de eveneens door [naam A] overgelegde kostenraming van 19 april 2005 niet duidelijk wordt welke kosten meerwerk betreffen en welke posten al in de aanneemsom zaten. Eerst bij de eindafrekening in juni 2005 wordt één en ander door [eiser] inzichtelijk gemaakt. Dat er in de periode na februari 2005 nog veel substantieel meerwerk is bijgekomen is niet bewezen.

2.19.

De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder gelet op de verklaring van [naam A] , de projectleider namens [eiser] . Hij heeft immers verklaard dat in de periode maart tot en met april 2005 geen kostenbegrotingen voor meerwerk meer zijn gemaakt en dat hij in die periode geen lijsten van meerwerk meer van de aannemer, Stijkel Bouw B.V., heeft gekregen. Weliswaar heeft [naam B] , directeur van Stijkel Bouw B.V., verklaard dat er in maart 2005 ook nog een begroting is opgesteld, maar dit blijkt niet uit de overige verklaringen. Voor zover deze begroting al is opgesteld, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat [eiser] actie heeft ondernomen naar aanleiding van deze begroting.

2.20.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] er niet in is geslaagd het voorshands vermoeden dat [eiser] heeft nagelaten om [gedaagden] van het meerwerk en de daaraan verbonden kosten op de hoogte te houden, te ontzenuwen. Dit vermoeden komt daarmee vast te staan.

2.21.

[eiser] heeft betoogd dat het haar niet verweten kan worden dat zij [gedaagden] in de laatste maanden niet telkens van alle kosten op de hoogte heeft gehouden, nu [gedaagden] rechtstreeks meerwerkopdrachten aan de aannemer hebben gegeven en doordat de aannemer vanwege tijdsdruk niet altijd een kostenopgave heeft verstrekt aan [eiser] . De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

[naam B] heeft inderdaad verklaard dat [gedaagden] “regelmatig” rechtstreeks wijzigingen aan Stijkel Bouw B.V. hebben doorgegeven. Dit wordt echter deels weersproken door [naam A] , die heeft verklaard dat [gedaagden] “af en toe” rechtstreeks opdrachten aan de aannemer hebben gegeven, en door [naam C] , die heeft verklaard dat hij bij grotere wijzigingen altijd op “groen licht” van [eiser] wachtte, maar kleinere wijzigingen wel meteen uitvoerde. [gedaagde, sub 1] en [gedaagde, sub 2] hebben ontkend opdrachten rechtstreeks aan de aannemer te hebben gegeven. De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze verklaringen weliswaar kan worden vastgesteld dat [gedaagden] rechtstreeks opdrachten aan de aannemer hebben gegeven, maar dat het slechts om kleinere wijzigingen ging. Van grotere wijzigingen was [eiser] op de hoogte en zij had [gedaagden] dan ook moeten informeren over de kosten hiervan.

Ten aanzien van de tijdsdruk heeft [naam A] verklaard dat er niet steeds kostenopgaven aan [gedaagden] zijn verstrekt omdat “alles zo snel moest”. [eiser] heeft verklaard dat er tussen maart en juni geen kostenoverzichten zijn gemaakt omdat hij “redelijk op tijd stond” in verband met de gewenste verhuisdatum van [gedaagden] . [naam B] heeft verklaard dat er geen tijd was om wijzigingen onmiddellijk “prijstechnisch uit te werken”. [gedaagde, sub 1] heeft bevestigd dat de tijdsdruk “groot” was. De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze verklaringen kan worden vastgesteld dat zowel [eiser] als de aannemer onder tijdsdruk hebben moeten werken en dat de aannemer bij wijzigingen niet altijd een voorafgaande prijsopgave aan [eiser] heeft gestuurd. Dit laat echter onverlet dat het aan [eiser] als toezichthoudend architect was om de aannemer in dat geval alsnog om een kostenopgave te vragen en [gedaagden] te informeren omtrent de eventuele financiële consequenties. In dit verband wordt nog overwogen dat door [eiser] medio april nog een kostenopgave aan [gedaagden] is gegeven die sloot op ongeveer EUR 444.000,00. In deze begroting zaten ook posten die buiten het budget van vier ton vielen. Zoals onder 2.18. reeds is overwogen is niet bewezen dat er in de laatste maanden nog veel substantieel meerwerk is opgedragen aan de aannemer.

Gelet op het voorgaande worden de verweren van [eiser] verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten in de uitvoering van de door [gedaagden] gegeven opdracht en is zij in beginsel tot schadevergoeding gehouden.

2.22.

[gedaagden] hebben gevorderd dat [eiser] gehouden is tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat. Voor toewijzing van deze vordering is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.

[gedaagden] hebben gesteld dat zij schade hebben geleden doordat [eiser] hen niet tijdig heeft geïnformeerd dat de bouwkosten hun budget te boven zouden gaan. Zij hebben gesteld dat hun budget EUR 400.000,00 bedroeg, met inbegrip van de kosten van de aannemer, de onderaannemers, de architect en de keuken. Dit is bevestigd door getuige [naam F] , die in dienst was van [eiser] . In de zaak van de aannemer tegen [gedaagden] (rolnummer 83166 / HA ZA 05-950) is bij eindvonnis vastgesteld dat de totale bouwkosten, bestaande uit de aanneemsom en het meerwerk, EUR 392.366,40 (EUR 373.994,42 + EUR 18.171,98 + EUR 200,00) bedragen. [eiser] heeft voor haar werkzaamheden EUR 47.387,66 in rekening gebracht. Voorts hebben [gedaagden] – onweersproken – gesteld dat de keuken ruim EUR 31.000,00 heeft gekost. Het totaal van deze bedragen is EUR 470.754,06, een overschrijding van het budget van EUR 400.000,00. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagden] schade hebben geleden. De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen.

2.23.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- getuigenkosten EUR 275,00

- salaris advocaat 1.243,00 (5,5 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.518,00

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 10.840,90 (tienduizend achthonderdveertig euro en negentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van EUR 7.611,24 vanaf 10 juli 2005 tot de dag van volledige betaling en vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van EUR 3.229,66 vanaf 10 augustus 2005 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de beslagkosten, aan de zijde van [eiser] begroot op
EUR 1.143,91,

3.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 2.078,93,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.6.

verklaart voor recht dat [eiser] gehouden is tot betaling van een schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

3.7.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 1.518,00,

3.8.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2010.1

1 type: coll: bm