Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BL7204

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/1102 en 09/1149 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Van rechtswege verleende bouwvergunning voor een windturbine en de door de voorzieningenrechter aan te leggen toetsing aan het bestemmingsplan. Deze toetsing aan het bestemmingsplan staat los van hetgeen partijen hieromtrent hebben aangevoerd. Verschoonbaar te laat ingediend bezwaarschrift, nu het verzoekster niet kenbaar was of had moeten zijn dat een bouwvergunning van rechtswege was verleend. Welstandsadvisering, waarbij de welstandscommissie de eerder opgenomen voorwaarden laat vallen, kan de rechterlijke toets doorstaan. Verweerder heeft de welstandsadvisering dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknr: AWB 09/1102 en 09/1149 WW44

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

M.A. Baar, wonende te Eenrum, verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. D. Rietberg, advocaat te Groningen,

ten aanzien van het besluit op het bezwaarschrift van 7 oktober 2009, van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Marne, verweerder,

gemachtigde: W.K. de Wind, werkzaam bij de gemeente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2009, verzonden op 8 oktober 2009, heeft verweerder de bezwaren van verzoekster tegen het primaire besluit van 5 juni 2009 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende dat aan de maatschap G. & [belanghebbende] (hierna: de vergunninghouder) een reguliere bouwvergunning verleend is ten behoeve van het plaatsen van een duurzame energieopwekker voor eigen gebruik bij het bedrijf aan de Hornsterweg 1 te Eenrum.

Namens verzoekster is bij brief van 16 november 2009 tegen dit besluit bij de rechtbank een beroepschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van 30 november 2009 is namens verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het voornoemde besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 4 december 2009 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 december 2009, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde en J.A.M. Groothuis.

Namens vergunninghouder is [belanghebbende] verschenen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

Door vergunninghouder is op 4 september 2008 een aanvraag om reguliere bouwvergunning ten behoeve van het plaatsen van een windmolen voor eigen gebruik bij het bedrijf aan de Hornsterweg 1 te Eenrum bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft het bouwplan ter advisering voorgelegd aan Libau (hierna: de welstandscommissie). In een advies van 24 september 2008 heeft de welstandscommissie aangegeven dat het bouwplan niet strijdig is met redelijke eisen van welstand, indien de onderstaande opmerkingen door de vergunninghouder worden overgenomen.

De welstandscommissie is van mening dat de verhouding tussen de diameter van de mast en het molengedeelte onevenwichtig is. Dit geeft het geheel een onnodig massief aanzien. Geadviseerd wordt de mast met een kleinere diameter uit te voeren.

Daarnaast bestaat een uitgesproken voorkeur voor het plaatsen van windmolens met drie rotorbladen. Dit heeft niet zozeer te maken met het beeld van de molen zelf, maar wel met de indruk die deze maakt, indien in gebruik. Drie rotorbladen geven op dat moment een veel rustiger beeld dan twee.

Verweerder heeft vergunninghouder bij brief van 3 oktober 2008 medegedeeld dat zijn aanvraag om reguliere bouwvergunning aangehouden is in verband met een voorbereidingsbesluit voor het buitengebied en gelet op het gegeven dat de bouwaanvraag in strijd is met het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Eenrum’.

Verweerder heeft vergunninghouder bij brief van 30 maart 2009 medegedeeld dat de aanhouding van zijn bouwaanvraag op grond van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet met ingang van 6 maart 2009 is doorbroken.

Namens vergunninghouder is bij brief van 17 april 2009 gereageerd op het welstandsadvies.

Bij primair besluit van 5 juni 2009 heeft verweerder een reguliere bouwvergunning ten behoeve van het plaatsen van een windmolen voor eigen gebruik bij het bedrijf aan de Hornsterweg 1 te Eenrum aan vergunninghouder verleend.

In een nader advies van 12 juni 2009 heeft de welstandscommissie aangegeven dat een nadere motivering is aangeleverd met betrekking tot de gekozen vorm van de mast. De welstandscommissie acht deze motivering voldoende zwaarwegend om van het eerdere bezwaar af te zien.

Vervolgens komt de welstandscommissie tot de conclusie dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Namens verzoekster is bij brief van 15 juli 2009, aangevuld bij brief van 10 augustus 2009, een bezwaarschrift tegen dit besluit bij verweerder ingediend.

Verzoekster is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de bezwaarschriftencommissie van de gemeente De Marne, van welke gelegenheid namens haar op 24 september 2009 gebruik is gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder onder ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van verzoekster het primaire besluit gehandhaafd.

2.2 Regelgeving

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier (niet) voor.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid aanhef en onder c en d, van de Woningwet mag en moet een reguliere bouwvergunning slechts geweigerd worden, indien de bouwaanvraag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand.

Artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet luidt als volgt:

‘Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, of in geval van een bouwvergunning als bedoeld in het derde lid, onder b, na de terinzageligging overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van de ontwerp-besluiten, beslissen burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de aanvraag overeenkomstig artikel 46’.

2.3 Overwegingen

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Aangezien vergunninghouder gebruik kan maken van de verleende bouwvergunning, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang in het onderhavige geval gegeven.

In formeel opzicht overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.

Ingevolge het vijfde lid wordt verlening van de bouwvergunning van rechtswege aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Ingevolge artikel 58 wordt de eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw, overeenkomstig bij de bouwverordening gegeven voorschriften, door burgemeester en wethouders binnen twee weken na de dag waarop een bouwvergunning van rechtswege is verleend, schriftelijk van deze verlening in kennis gesteld.

Gebleken is dat de aanvraag om reguliere bouwvergunning op 4 september 2008 door verweerder is ontvangen. Verweerder heeft, door eerst op 5 juni 2009 op deze aanvraag te beslissen, de in artikel 46, eerste lid aanhef en onder b, in samenhang bezien met artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet voorgeschreven termijn niet in acht genomen.

Gelet hierop dient allereerst de rechtsvraag te worden beantwoord of in verband met het bepaalde in artikel 46, vijfde lid, van de Woningwet de gevraagde bouwvergunning van rechtswege is verleend. Voor het antwoord op deze rechtsvraag is, gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet beslissend of het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan.

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, kenbaar uit LJN: BD0746, overweegt de voorzieningenrechter dat de vraag of een bouwvergunning van rechtswege is verleend, niet kan worden beantwoord dan na onderzoek door de rechter of zich een weigeringsgrond ingevolge het vigerende bestemmingsplan voordoet. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter daarbij niet gebonden is aan hetgeen partijen daaromtrent stellen.

Ingevolge het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ rust op het perceel, waarop het bouwwerk is geprojecteerd, de bestemming ‘agrarisch landschappelijk’.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor agrarisch-landschappelijke en natuurlijke waarden aangewezen gronden onder meer bestemd voor windturbines.

Artikel 3, tweede lid aanhef en onder d, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan luidt als volgt:

‘Bebouwing ten behoeve van windturbines:

1. windturbines mogen uitsluitend worden gebouwd:

- binnen het in artikel 3, tweede lid aanhef sub a en onder 1, genoemde oppervlak, met dien verstande dat het aantal windturbines niet meer bedraagt dan één per bouwperceel’.

Het in artikel 3, tweede lid aanhef sub a en onder 1, bedoelde oppervlak wordt als volgt omschreven:

‘Ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf zijn uitsluitend gebouwen toegestaan op de gronden die op de plankaart zijn aangegeven met ‘intensieve veehouderij’, ‘grondgebonden agrarisch bedrijf met bestaande intensieve tak’ en ‘grondgebonden agrarisch bedrijf’. Mits deze gebouwen worden gegroepeerd binnen een oppervlak van 1,5 hectare (…)’.

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als vaststaand aan, dat er in het onderhavige geval sprake is van een agrarisch bedrijf in de zin van artikel 1 onder f van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan en dat de op te richten windmolen binnen een oppervlak van 1,5 hectare met de overige bedrijfsbebouwing geplaatst kan worden.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat binnen het bouwvlak van 1,5 hectare gegroepeerd gebouwd dient te worden. In de visie van verzoekster volgt dit uit artikel 3, tweede lid aanhef en sub d, van de planvoorschriften, waarin staat vermeld dat windturbines uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het in artikel 3, tweede lid aanhef sub a en onder 1, van de planvoorschriften genoemde oppervlak. In artikel 3, tweede lid aanhef en sub a, van de planvoorschriften staat de oppervlakte omschreven voor het bouwen van gebouwen. Door de verwijzing is hetgeen ten aanzien van de locatie waar gebouwen gebouwd mogen worden eveneens van toepassing voor windmolens, hoewel dit geen gebouwen zijn. Tussen de bestaande schuur en de windmolen ligt een afstand van 200 meter. Naar de mening van verzoekster zijn de windmolen en de overige bedrijfsgebouwen dan ook geenszins gegroepeerd binnen de voornoemde 1,5 hectare.

De voorzieningenrechter overweegt dat de windturbine, gelet op het bepaalde in artikel 1 onder x, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan als een bouwwerk dient te worden aangemerkt en niet als een gebouw in de zin van de planvoorschriften. De door verzoekster voorgestane, ruime uitleg past naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet binnen de structuur van de planvoorschriften. Uit de redactie van de planvoorschriften kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een eis dat alle bedrijfsgebouwen en bouwwerken op een perceel gegroepeerd worden geplaatst. In het Provinciaal Omgevingsplan (POP II) is weliswaar aangegeven dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het open wierdenlandschap gehandhaafd dient te blijven, maar hieruit volgt niet dat de van rechtswege verleende bouwvergunning aangetast wordt. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat uit het vorenstaande niet volgt dat de van rechtswege verleende bouwvergunning strijdig is met het vigerende bestemmingsplan en kan een eventuele strijdigheid met de uitgangspunten van POP II als zodanig, gelet op het imperatieve karakter van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, niet tot een weigering van de bouwvergunning leiden.

Gezien het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Dit betekent dat op 22 mei 2009 de bouwvergunning ingevolge artikel 46, vijfde lid, van de Woningwet van rechtswege is verleend. Verweerder was dan ook op 5 juni 2009 niet meer bevoegd op de aanvraag om bouwvergunning te beslissen. Het bestreden besluit, dat strekt tot handhaving van het primaire besluit van 5 juni 2009, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook te worden vernietigd. Om die reden is het beroep van verzoekster gegrond.

De voorzieningenrechter overweegt inhoudelijk voorts het volgende.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Het bezwaarschrift van verzoekster kan geacht worden zich tevens te richten tegen de op 22 mei 2009 van rechtswege verleende bouwvergunning. Weliswaar is de ingevolge artikel 6:7 van de Awb voor het indienen van een bezwaarschrift geldende termijn overschreden, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze termijnoverschrijding evenwel verschoonbaar, nu verzoekster niet kenbaar was of had moeten zijn dat een bouwvergunning van rechtswege was verleend. Vast staat in dit geval dat niet is voldaan aan de op grond van artikel 57, eerste lid aanhef en onder c, van de Woningwet geldende registratieplicht. Voorts heeft verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 58 van de Woningwet nagelaten verzoekster binnen veertien dagen na de dag waarop de bouwvergunning van rechtswege is verleend, schriftelijk van deze verlening in kennis te stellen.

Vervolgens ligt ter beantwoording van de voorzieningenrechter de rechtsvraag voor of verweerder zich onder verwijzing naar de adviezen van de welstandscommissie op het standpunt heeft kunnen stellen dat het onderhavige bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

In dit verband heeft de gemachtigde van verzoekster zich op het standpunt gesteld dat verweerder in het onderhavige geval ten onrechte de door de welstandscommissie uitgebrachte adviezen aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, aangezien gemotiveerd is aangevoerd dat de bouw van de windmolen in strijd is met de welstandsnota. In de welstandsnota is voor dit gebied ten aanzien van de plaatsing onder andere opgenomen dat bijgebouwen en bedrijfsgebouwen zich binnen de clusterstructuur van het erf moeten schikken. In de beschrijving wordt vermeld dat erven rechthoekig zijn en omzoomd met bomen. De plaatsing van de windmolen buiten en losstaand van het erf past niet binnen dit kader.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het namens verzoekster aangehaalde criterium betrekking heeft op bijgebouwen en bedrijfsgebouwen, die zich zouden moeten schikken binnen de clusterstructuur van het erf. Naar de mening van verweerder is de te bouwen windturbine geen gebouw, maar een ander bouwwerk. Voorts wijst verweerder erop dat de welstandscommissie in haar advies van 24 september 2008 aangegeven heeft dat het bouwplan voldoet aan het beleid en de criteria in de gemeentelijke welstandsnota voor het betrokken gebied (C1, Wierdenlandschap Lauwersland).

In de gemeentelijke welstandsnota voor het betrokken gebied (C1, Wierdenlandschap Lauwersland) is onder meer het volgende opgenomen:

‘(…) Het welstandsbeleid is gericht op incidenteel wijzigen. Het handhaven van een zekere basiskwaliteit en samenhang staat voorop. Het nu aanwezige ruimtelijke beeld vormt de leidraad, maar kan in de loop van de tijd worden vervangen door geheel nieuwe beelden en nieuwe ruimtelijke oplossingen. Het kleurgebruik op grote geveloppervlakken en een consequente ordening van gebouwen op een erf zijn belangrijke aandachtspunten. (…).

De beeldbepalende eenheid van het gebied varieert (overwegend boerderijen op een erf en in mindere mate kleine individuele woonhuizen).

Bijgebouwen en bedrijfsgebouwen moeten zich binnen de clusterstructuur van het erf schikken.

Waar aanwezig dient de kleinschalige structuur te worden gehandhaafd. (…).’

De voorzieningenrechter stelt vast dat de welstandscommissie in haar advies van 24 september 2008 aangegeven heeft dat het bouwplan onder de genoemde voorwaarden in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Voorts dient te worden vastgesteld dat de welstandscommissie in een nader advies van 12 juni 2009 de voornoemde voorwaarden heeft laten vallen en aangegeven heeft dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

De kern van het onderhavige geschil draait derhalve om de vraag of de welstandsadvisering op een deugdelijke wijze tot stand is gekomen, gelet op het gegeven dat de welstandscommissie in het tweede advies de eerdergenoemde voorwaarden heeft laten vallen.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit het eerste advies van 24 september 2008 kan worden afgeleid dat het niet een positief advies betreft, gelet op de door de welstands-commissie in dit advies opgenomen voorwaarden. In een nader advies van 12 juni 2009 is de welstandscommissie voor wat betreft de gekozen vorm van de mast afgestapt van het eerder ingenomen standpunt. Voorts is gebleken dat de welstandscommissie de eerdere voorkeur voor een rotor met drie bladen kennelijk niet heeft gehandhaafd en dat uit het nadere advies niet kan worden afgeleid dat een windmolen, voorzien van een rotor met twee bladen, in strijd is met redelijke eisen van welstand. De ter zitting door de gemachtigden van verweerder gegeven toelichting voor wat betreft dit aspect komt de voorzieningenrechter niet onjuist voor. De door verzoekster naar voren gebrachte grond dat het bouwplan in strijd is met de welstandsnota, aangezien in de bijlage van de welstandsnota wordt aangegeven dat ook objecten als mest- en voedersilo’s geclusterd met de bedrijfsgebouwen op het erf geplaatst dienen te worden, kan evenmin slagen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het in de welstandsnota neergelegde criterium betrekking op bedrijfsgebouwen en bijgebouwen, die zich zouden moeten schikken binnen de clusterstructuur van het erf. De op te richten windturbine is geen gebouw en de enkele verwijzing naar mest- en voedersilo’s in de bijlage van de welstandsnota maakt niet dat dient te worden afgeweken van de begripsbepalingen van het bestemmingsplan. Ook in zoverre heeft verweerder de welstandsadviezen naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

Voor zover verzoekster zich op het standpunt stelt dat het ondervinden van geluidsoverlast aan het verlenen van de bouwvergunning in het onderhavige geval in de weg staat, kan deze stelling door de voorzieningenrechter niet gevolgd worden. Gelet op het imperatieve karakter van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet kan de vermeende geluidsoverlast van de windmolen niet als weigeringsgrond voor de bouwvergunning worden aangemerkt.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoekster gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De voorzieningenrechter ziet aanleiding op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, zoals hierna vermeld wordt.

De voorzieningenrechter herroept het primaire besluit van 5 juni 2009 van verweerder, verklaart het bezwaarschrift van verzoekster, gericht tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning, ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoekster te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 882,92, waarvan € 874,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde en € 8,92, zijnde de reiskosten van verzoekster. Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 150,-- aan haar dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

ten aanzien van het beroep:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 5 juni 2009 van verweerder;

- verklaart het bezwaarschrift van verzoekster, gericht tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning, ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 882,92 en bepaalt dat verweerder deze kosten, alsmede het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 150,-- aan haar dient te vergoeden.

ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge als voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 15 december 2009, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

typ: hvk

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ’s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Tegen de uitspraak in voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.