Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BL7199

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
AWB 08/1165 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bouwvergunning en belanghebbendheid in de zin van de Awb.

De rechtbank overweegt dat de verlening van de bouwvergunning slechts de krachtens de Woningwet gegeven toestemming het bouwwerk op te richten omvat. De Woningwet stelt niet de eis dat degene aan wie de bouwvergunning wordt verleend, aanspraak kan maken op verwezenlijking van het bouwplan, noch is dat een grond voor weigering van een aanvraag om bouwvergunning, als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet. Hieruit volgt dat de aanvrager om bouwvergunning als belanghebbende bij een beslissing op die aanvraag dient te worden aangemerkt, tenzij aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Gelet op de voorgaande overwegingen dient eiseres naar het oordeel van de rechtbank in die zin dan ook als een belanghebbende in de zin van de Awb bij het gevraagde besluit te worden aangemerkt. Steun voor haar oordeel vindt de rechtbank in een uitspraak van 28 oktober 2009 van de ABRS, gepubliceerd onder LJN: BK1371.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Zaaknummer: AWB 08/1165 WW44

Uitspraak in het geschil tussen

Stichting Nijestee, gevestigd te Groningen, eiseres,

gemachtigde: mw. mr. S. Pluim,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde: T. Hofman-Aupers, werkzaam bij de gemeente.

1. Onderwerp van geschil

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 november 2008, verzonden op 6 november 2008. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van bewoners en eigenaren van het appartementencomplex La Déesse tegen het besluit van 31 maart 2008 gegrond verklaard, de aan eiseres verleende bouwvergunning voor het oprichten van een appartementencomplex met bedrijfsruimte en parkeergelegenheid aan de Friesestraatweg 20 te Groningen herroepen en het verzoek van eiseres buiten behandeling gelaten.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zittingen van 12 juni 2009 en 16 oktober 2009.

Eiseres werd aldaar vertegenwoordigd door de voornoemde gemachtigde en [de man]

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigde mw. mr. L.P. de Vries.

Namens belanghebbende is verschenen [de man], bijgestaan door de gemachtigde mw. mr. B.M. Warmerdam, advocaat te Noordwijk.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten en procesverloop

Namens eiseres is op 22 juni 2005 een aanvraag voor het oprichten van een appartementen- complex met bedrijfsruimte en parkeergelegenheid (carport) aan de Friesestraatweg 20 te Groningen bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft bij besluit van 12 januari 2006 bouwvergunning onder vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan eiseres verleend ten behoeve van het oprichten van een appartementencomplex met bedrijfsruimte en parkeergelegenheid op het voornoemde perceel in Groningen.

Op 20 juli 2006 is de akte van splitsing van het betreffende perceel grond met de daarop in aanbouw zijnde opstallen bij de notaris verleden. Een aantal onjuistheden door kennelijke misslagen zijn in een akte van 26 juli 2008 hersteld.

Namens eiseres is op 5 februari 2008 een aanvraag om bouwvergunning ten behoeve van het gedeeltelijk veranderen van het bouwplan, waarvoor eerder bouwvergunning onder voornoemde vrijstelling is verleend, bij verweerder ingediend. Het ingediende bouwplan ziet op het gedeeltelijk wijzigen van de gevels en plattegronden van het eerdere bouwplan.

Verweerder heeft de aanvraag ter advisering voorgelegd aan Libau, de commissie voor de welstandszorg van de gemeente Groningen (hierna: de welstandscommissie). In een advies van 7 maart 2008 heeft de welstandscommissie aangegeven dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Bij besluit van 31 maart 2008, verzonden op 1 april 2008, heeft verweerder bouwvergunning aan eiseres verleend ten behoeve van het wijzigen van de gevels en de plattegronden van het appartementencomplex met bedrijfsruimte en parkeergelegenheid op het voornoemde perceel te Groningen.

Een aantal bewoners en eigenaren van het appartementencomplex La Déesse hebben (tijdig) een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft de aanvraag opnieuw ter advisering voorgelegd aan de welstandscommissie. In een advies van 4 juni 2008 heeft de welstandscommissie gemotiveerd aangegeven dat het bouwplan voldoet aan de criteria van de welstandsnota en aan redelijke eisen van welstand.

Bezwaarmakers zijn in de gelegenheid gesteld om de bezwaarschriften mondeling toe te lichten bij de algemene bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie), van welke gelegenheid namens hen op 3 juli 2008 gebruik is gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De commissie heeft verweerder bij brief van 21 oktober 2008 geadviseerd om het bezwaarschrift gegrond te verklaren, de aan eiseres verleende bouwvergunning te herroepen en het verzoek van eiseres buiten behandeling te laten.

In voornoemd advies heeft de commissie onder meer het volgende overwogen:

‘(…). Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat degene die niet de eigendom van het perceel of het pand heeft waarvoor een bouwvergunning wordt verleend, in beginsel niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij een verleende bouwvergunning kan worden aangemerkt, waardoor een verzoek om een dergelijke vergunning niet als een aanvraag kan worden gekwalificeerd (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), 29 juni 2005, AB 2005/280).

Niet in geschil is dat ten tijde van het indienen van het verzoek het eigendom van Nijestee, het betreffende perceel grond en daarop aanwezige opstallen, was gesplitst in appartementsrechten. Alle eigenaars gezamenlijk, verenigd in de vereniging van eigenaren, zijn hiermee eigenaar geworden van het gehele gebouw. (…) Ten tijde van het indienen van het verzoek was niet Nijestee, maar de vereniging van eigenaren eigenaar. Naar het oordeel van de commissie doen zich geen bijzondere omstandigheden voor op grond waarvan Nijestee, ondanks het feit dat zij niet langer eigenaar is, toch als belanghebbende moet worden aangemerkt. Het feit dat de bouwkundige oplevering van de negen verkochte woningappartementen na indiening van de aanvraag heeft plaatsgevonden, levert niet een dergelijk bijzondere omstandigheid op. (…).’

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het voornoemde advies, de bezwaren gegrond verklaard, de aan eiseres verleende bouwvergunning herroepen en het verzoek van eiseres (alsnog) buiten behandeling gelaten.

Namens eiseres is bij brief van 16 december 2008, aangevuld bij brief van 3 februari 2009, tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het geschil is behandeld op de zitting van 12 juni 2009.

Eiseres werd aldaar vertegenwoordigd door de voornoemde gemachtigde en M.J. Nijhof.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft op grond van het bepaalde in artikel 8:68, eerste lid, van de Awb besloten tot heropening van het vooronderzoek teneinde de vereniging van eigenaren van het appartementencomplex La Déesse als belanghebbende partij in de gelegenheid te stellen op de reeds ingebrachte stukken te reageren.

Namens belanghebbende is bij brief van 29 juli 2009 een schriftelijke reactie ingediend.

Het geschil is opnieuw behandeld op de zitting van 16 oktober 2009.

3.2 Rechtsoverwegingen

In het onderhavige geval ligt ter beoordeling van de rechtbank de rechtsvraag voor of verweerder eiseres bij de aanvraag om een gewijzigde bouwvergunning terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt.

De rechtbank beantwoordt voornoemde rechtsvraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

In voornoemd verband heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat een strikte uitleg van het bestreden besluit van verweerder er in zijn algemeenheid toe zou leiden dat, nadat een appartementsrecht eenmaal juridisch is geleverd, geen bouwvergunningplichtige wijzigingen in het bouwplan meer kunnen worden doorgevoerd, althans dat de in verband daarmee benodigde vergunning niet meer kan worden aangevraagd door de ontwikkelaar/bouwer, terwijl er krachtens overeenkomst wel een verplichting is tot uitvoering. Daardoor komt de ontwikkelaar/bouwer in een spagaat. De ontwikkelaar/bouwer mag niet bouwen in strijd met de bouwvergunning, maar kan ook niet zelf een wijzigingsvergunning aanvragen, aldus eiseres.

Onder verwijzing naar een uitspraak van 29 juni 2005 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), gepubliceerd in AB 2005/280, stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres niet aangemerkt kan worden als belanghebbende en om die reden niet gerechtigd was tot het doen van een aanvraag tot wijziging van de eerder verleende bouwvergunning. Naar de mening van verweerder volgt dit uit het feit dat niet eiseres, maar de vereniging van eigenaren ten tijde van het verzoek tot wijziging van de verleende bouwvergunning eigenaar was van het pand, waarin de appartementen zijn gerealiseerd.

Kern van het geschil is of eiseres ten tijde van de aanvraag van de bouwvergunning als belanghebbende kon worden aangemerkt, aangezien een aanvraag een verzoek van een belanghebbende is.

Partijen worden verdeeld gehouden welke consequentie voornoemd gegeven heeft voor wat betreft de belanghebbendheid van eiseres. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat, indien en voor zover belanghebbende een geschil heeft met eiseres over de wijze van uitvoering van de herstelwerkzaamheden en de bouw van een carport, dit geschil dient te worden voorgelegd aan de eventueel contractueel voorgeschreven arbiter dan wel de burgerlijke rechter. Daar ligt voor de bestuursrechter geen taak.

Voorts wijst de rechtbank er op dat een bouwvergunning slechts een recht op bouwen conform de verleende bouwvergunning constitueert doch geenszins ertoe verplicht om te gaan bouwen. Het staat belanghebbenden ten alle tijden vrij om een bouwvergunning aan te vragen voor een ander gebouw of een andere uitvoering van het gebouw op de plaats waarvoor eerder vergunning is verleend. Dat er dan meerdere vergunningen voor één perceel bestaan, is geen probleem nu er maar één kan worden gerealiseerd en die realisatie afhankelijk is van de civielrechtelijke verhouding. De rechtbank benadrukt daarbij dat een bouwvergunning niets meer en niets minder is dan een toestemming om te bouwen onder de constatering dat het voorgenomen bouwwerk in overeenstemming is met de daarvoor geldende publiekrechtelijke voorschriften.

De rechtbank gaat er bij de beoordeling van dit geschil van uit dat eiseres, gelet op het overlegde vonnis van 25 maart 2009 van de Raad van arbitrage voor de bouw, gehouden is om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. Daarmee is ook duidelijk dat uit de contractuele verhouding tussen belanghebbende, die wordt vertegenwoordigd door de vereniging van huiseigenaren, en eiseres voortvloeit dat eiseres die werkzaamheden moet uitvoeren of laten uitvoeren. Wat er ook zij van de vraag of en in hoeverre eiseres kan worden aangemerkt als eigenaar van het complex, vast staat dat eiseres deze werkzaamheden slechts kan uitvoeren wanneer daartoe een bouwvergunning wordt verleend. De rechtbank overweegt voorts dat de verlening van de bouwvergunning slechts de krachtens de Woningwet gegeven toestemming het bouwwerk op te richten omvat. De Woningwet stelt niet de eis dat degene aan wie de bouwvergunning wordt verleend, aanspraak kan maken op verwezenlijking van het bouwplan, noch is dat een grond voor weigering van een aanvraag om bouwvergunning, als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet. Hieruit volgt dat de aanvrager om bouwvergunning als belanghebbende bij een beslissing op die aanvraag dient te worden aangemerkt, tenzij aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Gelet op de voorgaande overwegingen dient eiseres naar het oordeel van de rechtbank in die zin dan ook als een belanghebbende in de zin van de Awb bij het gevraagde besluit worden aangemerkt. Steun voor haar oordeel vindt de rechtbank in een uitspraak van 28 oktober 2009 van de ABRS, gepubliceerd onder LJN: BK1371.

Om die reden is het beroep van eiseres gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

Aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 1, eerste lid aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, ziet de rechtbank geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. Wel ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 288,-- aan haar dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op het bezwaarschrift van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 288,-- aan haar dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. R.L. Vucsán (voorzitter), mr. T.F. Bruinenberg en mr. A.W. Wassink en in het openbaar door de voorzitter uitgesproken op 27 november 2009 in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De griffier De voorzitter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag

Afschrift verzonden op:

typ: hvk