Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BL7148

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
AWB 07/710 en 07/711 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft het verlenen van ontheffing op grond van de Luchtvaartwet aan Groningen Airport Eelde.

Aangezien ten tijde van de advisering niet voldaan was aan de verplichting op grond van artikel 28, derde lid aanhef en onder b, van de Luchtvaartwet, had verweerder dit advies niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Voorts is er sprake van een inhoudelijk niet inzichtelijk advies, nu het een meerderheidsstandpunt van de Commissie betreft en niet valt na te gaan hoe het advies uiteindelijk tot stand is gekomen. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke belangen tegen elkaar afgewogen zijn en waarom de belangen van omwonenden ondergeschikt zouden moeten zijn aan het belang dat is gelegen in (de toename van) militair medegebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Zaaknummer: AWB 07/710 en 07/711 BESLU

Uitspraak in het geschil tussen

1. [appellant] wonende te Bunne,

2. de Vereniging Omwonenden Luchthaven Eelde (VOLE) en de Stichting Rondom Vliegveld Eelde (de Stichting), thans alleen VOLE, eisers,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigden: mr. M.B. Gschwind en J.W. Bossenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 25 mei 2007. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 30 september 2002 onder een aanvullende motivering ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende het verlenen van een ontheffing onder voorwaarden, ingevolge het bepaalde in artikel 33, tweede lid, van de Luchtvaartwet (Lvw), aan Groningen Airport Eelde (hierna: GAE) voor het (mede)gebruik van deze luchthaven door militaire les- en transportvliegtuigen en militaire helikopters.

2. Zitting

De geschillen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 20 mei 2009.

Eiser sub 1 is met kennisgeving niet verschenen.

Namens eisers sub 2 is de gemachtigde ir. I.G.J. van Lotringen verschenen, vergezeld van [betrokkene]

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigden.

GAE heeft, na daartoe op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid te zijn gesteld, als partij aan het geding deelgenomen. GAE heeft zich doen vertegenwoordigen door [belanghebbende]

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Procesverloop

Bij Aanwijzingsbesluit van 1 oktober 1959, Stcrt. 1959/198, is een nader aangegeven terrein onder de benaming “Luchthaven Eelde” aangewezen als luchtvaartterrein ten behoeve van het openbaar luchtverkeer met burgerlijke vliegtuigen en zweefvliegtuigen en oefen- en proefvluchten met burgerlijke vliegtuigen en zweefvliegtuigen.

Bij beschikking van 25 september 1959 is voorts op grond van artikel 34, tweede lid, van de Lvw tot wederopzegging aan de gezagvoerders van militaire vliegtuigen ontheffing verleend voor het incidenteel gebruik van onder andere het luchtvaartterrein Eelde.

Bij besluit van 15 mei 2001 is op grond van de artikelen 24 en 27 van de Lvw een nieuw Aanwijzingsbesluit genomen, onder intrekking van het besluit van 1 oktober 1959. Dit gewijzigde Aanwijzingsbesluit regelt de uitbreiding, de aanleg en het gebruik van het aangewezen luchtvaartterrein. Tevens omvat het de vaststelling van de ingevolge de Lvw vereiste geluidszones behorende bij het tweebanenstelsel.

In artikel 3 van het Aanwijzingsbesluit is het luchtvaartterrein Eelde aangewezen voor het openbare burgerlijke luchtverkeer. Daarnaast zijn in artikel 6 de geluidszones rond het luchtvaartterrein bepaald.

Naar aanleiding van een door omwonenden bij het Openbaar Ministerie ingediende klacht is de Officier van Justitie in het najaar van 2001 overgegaan tot het strafrechtelijk vervolgen van GAE wegens het overtreden van artikel 33, eerste lid, van de Lvw.

In reactie hierop heeft GAE een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 33,

tweede lid, van de Lvw ingediend. Op 23 augustus 2001 heeft GAE verweerder verzocht ontheffing te verlenen van het in artikel 33, eerste lid, van de Lvw opgenomen verbod om een luchtvaartterrein te (doen of laten) gebruiken in strijd met de bepalingen en voorschriften die bij de aanwijzing zijn gesteld ten behoeve van militaire luchtvaartuigen. GAE en verweerder zijn er tot dat moment van uitgegaan dat een ontheffing op grond van artikel 34, tweede lid, van de Lvw ten behoeve van de individuele gezagvoerders voldoende was voor legitiem militair medegebruik.

Desgevraagd heeft GAE verweerder bij brief van 12 april 2002 nader geïnformeerd over het militaire verkeer op Groningen Airport Eelde.

Op 31 mei 2002 heeft de Commissie Milieuhygiëne Luchtvaartterrein Eelde, zijnde de Commissie als bedoeld in artikel 28 van de Lvw (hierna: de Commissie 28), advies uitgebracht aan verweerder ten aanzien van de gevraagde ontheffing.

De Bevelhebber van de Luchtstrijdkrachten heeft verweerder in een brief van

30 juli 2002 het belang van militair medegebruik van Groningen Airport Eelde nader uiteengezet.

Voorts heeft de Stafgroep Juridische Zaken van de Koninklijke Landmacht verweerder op 22 augustus 2002 nadere informatie verstrekt over het benodigde aantal vliegbewegingen van buitenlandse militaire toestellen en het soort toestellen dat gebruik maakt van Groningen Airport Eelde.

Bij besluit van 3 september 2002 heeft verweerder aan GAE onder voorwaarden ontheffing verleend van het verbod, zoals neergelegd in artikel 33, eerste lid, onder a, van de Lvw teneinde incidenteel militaire transportvliegtuigen en helikopters toe te laten op het luchtvaartterrein Eelde tot een maximum van 400 bewegingen per jaar.

Bij besluit van 30 september 2002 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 3 september 2002, wederom ontheffing verleend van het verbod, zoals neergelegd in artikel 33, eerste lid, onder a, van de Lvw teneinde incidenteel militaire les- en transportvliegtuigen alsmede militaire helikopters toe te laten op het luchtvaartterrein Eelde tot een maximum van 400 bewegingen per jaar.

Aan deze ontheffing zijn onder meer de volgende voorwaarden verbonden:

“Artikel 2 Voorwaarden

a. Hetgeen is bepaald in artikel 1 geldt alleen indien en voor zover de bewegingen

gebeuren ten behoeve van vluchten die humanitair dan wel operationeel

noodzakelijk zijn;

b. Militaire les- en trainingsvluchten met straalvliegtuigen dan wel met vliegtuigen

met een MTOW van meer dan 6000 kg, anders dan ter voorbereiding van een of

meer geplande of voorziene vluchten, als bedoeld onder a van dit artikel, zijn van

de ontheffing uitgesloten;

c. Het uitvoeren van circuitvluchten als onderdeel van militaire les- en

trainingsvluchten met vliegtuigen met een schroefaandrijving met een maximaal

toegelaten startmassa van 6000 kg of meer, alsmede met straalvliegtuigen, is verboden.”

Eisers hebben bij afzonderlijke brieven een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Deze bezwaren zijn behandeld in een hoorzitting van 16 december 2002.

Bij de beslissing op bezwaar van 6 maart 2003 heeft verweerder, onder gegrondverklaring van een aantal bezwaren, zijn beslissing van 30 september 2002 gehandhaafd, onder aanvulling van voorwaarde 2 met een sub d en een sub e. Daarbij heeft verweerder, voor zover daar om is verzocht, het verzoek om vergoeding van de kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar afgewezen. De genoemde aanvulling van de voorwaarden luidt als volgt:

“Artikel 2 Voorwaarden

(...)

d. Het is verboden de in artikel 6 van het Aanwijzingsbesluit opgenomen

geluidszones met militair medegebruik te overschrijden;

e. De bepalingen zoals opgenomen in de paragrafen 2.2 en 3 van het

Aanwijzingsbesluit gelden onverkort voor het militair medegebruik.”

Tegen dit besluit hebben eisers bij afzonderlijke brieven een beroepschrift bij de rechtbank ingediend.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) heeft op

3 december 2003, nummer 200205524/1, onder meer beslist op de tegen het Aanwijzingsbesluit van 15 mei 2001 gerichte beroepen. Daarbij is de beslissing op bezwaar inzake het Aanwijzingsbesluit gedeeltelijk vernietigd.

Bij uitspraak van 17 februari 2005 heeft de rechtbank de beroepen van eisers gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 6 maart 2003 vernietigd.

Alvorens verweerder opnieuw heeft beslist op de bezwaarschriften van eisers, zijn zij in de gelegenheid gesteld om op 26 oktober 2005 hun bezwaren mondeling toe te lichten. Van deze gelegenheid hebben eisers geen gebruik gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

Naar aanleiding van een na de hoorzitting van 26 oktober 2005 binnengekomen document met betrekking tot de luchtkwaliteit en emissies heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), eisers opnieuw in de gelegenheid gesteld hun bezwaren mondeling toe te lichten. Van deze gelegenheid hebben eisers geen gebruik gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 30 september 2002 onder een aanvullende motivering ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende het verlenen van een ontheffing onder voorwaarden, ingevolge het bepaalde in artikel 33, tweede lid, van de Lvw, aan GAE voor het (mede)gebruik van deze luchthaven door militaire les- en transportvliegtuigen en militaire helikopters.

3.2 Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Lvw kan verweerder in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) luchtvaartterreinen aanwijzen.

Krachtens artikel 27, eerste lid, van de Lvw kan verweerder in overeenstemming met de Minister van VROM een aanwijzing te allen tijde wijzigen.

Artikel 28 van de Lvw luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. Ten behoeve van overleg en voorlichting omtrent de milieuhygiëne rond

het luchtvaartterrein kan Onze Minister een commissie instellen. De instelling

van deze commissie geschiedt in elk geval bij een luchtvaartterrein waarvoor een

geluidszone als bedoeld in de artikelen 25a, 25b en 25c is vastgesteld.

2. De commissie kan worden gehoord inzake de vaststelling van het

handhavingsvoorschrift bedoeld in artikel 30a en de vaststelling van het

gebruiksplan bedoeld in artikel 30b. Onze Minister kan de commissie in de

gelegenheid stellen advies uit te brengen over alle maatregelen en voorschriften

met gevolg voor de geluidsbelasting rond het luchtvaartterrein alsmede over de

wijze van handhaving van deze maatregelen en voorschriften.

De commissie is bevoegd Onze Minister ongevraagd voorstellen terzake te doen.

In artikel 33, eerste lid, van de Lvw is bepaald dat het de exploitant van een luchtvaartterrein verboden is een luchtvaartterrein te gebruiken of te doen of te laten gebruiken:

a. in strijd met de bepalingen en voorschriften bij de aanwijzing gesteld;

b. in strijd met de door verweerder gegeven voorschriften als bedoeld in artikel 35;

c. voor andere doeleinden dan die welke verband houden met de exploitatie van het luchtvaartterrein.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Lvw geldt het bepaalde in het eerste lid niet, indien verweerder ontheffing heeft verleend.

In artikel 3 van het vigerende aanwijzingsbesluit is bepaald dat het luchtvaartterrein Eelde wordt aangewezen voor het openbare civiele luchtverkeer.

3.3 Rechtsoverwegingen

In het onderhavige geval dient beoordeeld te worden of verweerder terecht en op juiste gronden een ontheffing heeft verleend aan GAE voor het (mede)gebruik van het luchtvaartterrein Eelde door militaire les- en transportvliegtuigen en militaire helikopters. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat bij uitspraak van 17 februari 2005 de beroepen van eisers gegrond zijn verklaard en de beslissing op bezwaar van 6 maart 2003 is vernietigd. Beide partijen hebben berust in deze uitspraak, zodat deze in kracht van gewijsde is gegaan.

Met betrekking tot de omvang van het gezag van gewijsde heeft de ABRS in een uitspraak van 6 augustus 2003, kenbaar uit AB 2003/355, overwogen dat het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, indien in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat het ten tweede male beoordelen van door de rechtbank eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend miskent. De rechtszekerheid brengt met zich dat het betrokken bestuursorgaan en belanghebbenden mogen uitgaan van de rechtmatigheid van het besluit, voor zover hiertegen beroepsgronden zijn gericht en de rechtbank deze uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen.

In het licht van de voornoemde uitspraak van de ABRS stelt de rechtbank vast dat in de uitspraak van 17 februari 2005 de door eisers aangevoerde beroepsgronden voor wat betreft de relatie tussen het aanwijzingsbesluit en de verleende ontheffing, de advisering door de Commissie 21, de vraag of het aantal van 400 vliegbewegingen als incidenteel kan worden aangemerkt en de proceskostenveroordeling in de bezwaarfase uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, zodat (thans) van de juistheid van het eerder gegeven oordeel dient te worden uitgegaan. In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om van de jurisprudentie van de ABRS af te wijken. In zoverre kunnen de beroepen van eisers dan ook niet slagen.

Inhoudelijk wordt als volgt overwogen.

Ter beoordeling van de rechtbank ligt de rechtsvraag voor of verweerder met het thans bestreden besluit heeft voldaan aan de eerdere uitspraak van 17 februari 2005.

De rechtbank beantwoordt voornoemde rechtsvraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Vastgesteld dient te worden dat aan het thans bestreden besluit een advies van de Commissie 28 ten grondslag is gelegd.

Eisers hebben grieven geuit inzake de samenstelling van de Commissie 28 en het uitgebrachte advies, een en ander in onderlinge samenhang bezien.

Artikel 28, derde lid, van de Lvw luidt als volgt:

‘Onze Minister stelt bij de instelling van een commissie als bedoeld in het eerste lid nadere regels vast omtrent de taak en de samenstelling na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en na overleg met Gedeputeerde Staten van de provincies en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, bedoeld in artikel 19. In de commissie hebben zitting:

a. één vertegenwoordiger van elke provincie als bedoeld in artikel 19;

b. twee vertegenwoordigers van elke gemeente als bedoeld in artikel 19, waarvan tenminste één als vertegenwoordiger van in die gemeente woonachtige omwonenden van het luchtvaartterrein kan worden beschouwd;

c. ten hoogste twee vertegenwoordigers van de exploitant van het luchtvaartterrein;

d. ten hoogste twee vertegenwoordigers van de gebruikers van luchtvaartuigen, welke geregeld op het luchtvaartterrein landen en daarvan opstijgen;

e. ten hoogste twee door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen vertegenwoordigers;

f. één vertegenwoordiger van rechtspersoonlijkheid bezittende milieuorganisaties;

g. indien sprake is van burgerluchtvaart, een door Onze Minister aan te wijzen vertegenwoordiger;

h. voor zover dit op het betreffende luchtvaartterrein van toepassing is één vertegenwoordiger van de verkeersleidingsdienst.’

Ten aanzien van de samenstelling van de Commissie 28 overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser sub 1 heeft zich – onweersproken – op het standpunt gesteld dat de samenstelling niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 28, derde lid, aanhef en onder b, van de Lvw, aangezien in de commissie een vertegenwoordiger van de omwonenden van de gemeente Haren ontbrak. Eiser sub 1 wijst erop dat deze omissie wordt veroorzaakt doordat de Commissie 28 nagelaten heeft de vacature voor de bedoelde vertegenwoordiger op te vullen. Naar de mening van eiser sub 1 is het onaanvaardbaar dat een besluit wordt genomen dat omwonenden raakt, waarbij een deel van hen door nalatigheid van de Commissie 28 van inbreng in de advisering wordt uitgesloten.

Verweerder gaat in het bestreden besluit en in het verweerschrift niet in op deze stelling. Verweerder acht het nader uitgebrachte advies van 11 augustus 2005 voldoende zorgvuldig tot stand gekomen, zodat dit naar zijn oordeel aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd aangegeven niet te weten of een onjuiste samenstelling van de Commissie 28 consequenties dient te hebben.

Gelet op het vorenstaande moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de samenstelling van de Commissie 28 niet in overeenstemming was met het bepaalde in artikel 28, derde lid, aanhef en onder b, van de Lvw. Aangezien ten tijde van de advisering niet voldaan is aan een wettelijke verplichting, is het advies van de Commissie 28 onzorgvuldig tot stand gekomen. Hieruit volgt dat verweerder het advies van de Commissie 28 niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Voorts wordt met betrekking tot de totstandkoming van het advies van de Commissie 28 het volgende overwogen.

Op 11 augustus 2005 heeft de Commissie 28 advies uitgebracht aan verweerder. Blijkens dit advies blijft de meerderheid van de Commissie 28 de mening toegedaan dat er geen bezwaren bestaan tegen incidenteel gebruik van GAE door militaire toestellen en kan de meerderheid van de commissie instemmen met het gestelde maximum van 400 vliegbewegingen.

De advisering betreft een omvangrijk dossier over een complexe materie. In het onderhavige geval blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van een zorgvuldige advisering. Een overleg waarin het mogelijk is op elkaars standpunten te reageren, om vervolgens tot een gewogen oordeelsvorming te komen, heeft – naar eisers sub 2 onweersproken hebben gesteld - niet plaatsgevonden. Gelet op het feit dat de standpunten van de commissieleden kennelijk uiteen liepen (het gaat immers om een meerderheidsstandpunt binnen de Commissie 28), bestond daartoe naar het oordeel van de rechtbank echter alle aanleiding. Niet duidelijk is dan ook hoe het uiteindelijke advies tot stand is gekomen. In het advies van 11 augustus 2005 wordt voorts niet inzichtelijk gemaakt welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van de uitspraak van 17 februari 2005 de Commissie 28 op 4 mei 2005 opnieuw om advies verzocht heeft. Blijkens de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder bij de adviesaanvraag aangegeven dat de oorspronkelijke aanvraag van GAE in stand is gebleven en dat deze is aangevuld met nader onderbouwde gegevens.

De rechtbank stelt vast dat de (oorspronkelijke) aanvraag betrekking heeft op militair verkeer voor de inzet van uitsluitend humanitaire missies. De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 2, onderdeel a, van de ontheffing (bij de beslissing op bezwaar van 25 mei 2007) aangeeft dat hetgeen in artikel 1 is bepaald alleen geldt indien en voor zover de bewegingen gebeuren ten behoeve van vluchten die humanitair dan wel operationeel noodzakelijk zijn.

De rechtbank constateert dan ook dat het advies van de Commissie 28 slechts een deel van de door verweerder te nemen beslissing over de ontheffing betreft. In zijn verzoek om hernieuwd advies heeft verweerder aan de Commissie 28 te kennen gegeven dat de ontheffing uitsluitend betrekking zou hebben op humanitaire vluchten. Aangenomen moet daarom worden dat de Commissie 28 dientengevolge uitsluitend heeft geadviseerd over ontheffing voor humanitaire vluchten. De ontheffing zoals die in het bestreden besluit is neergelegd, heeft echter op meer betrekking dan alleen op humanitaire vluchten. Verweerder heeft bij het bestreden besluit derhalve meer toegestaan, dan waarop het advies van de Commissie 28 ziet. Nu is het weliswaar bestendige jurisprudentie dat een bestuursorgaan kan afwijken van een advies, ook als dit advies niet als een verplichting in de wet is vastgelegd, maar daarvoor geldt dan wel de eis dat dit gemotiveerd moet gebeuren. Uit het bestreden besluit en uit het verweerschrift, als ook uit het verhandelde ter zitting, leidt de rechtbank echter af dat verweerder zich op het standpunt stelt dat het advies van de Commissie 28 op deugdelijke wijze tot stand is gekomen en is onderbouwd. Verweerder heeft om die reden geen aanleiding gezien om van het advies af te wijken en heeft - kort samengevat - in de verleende ontheffing en de toelichting daarop de aanbevelingen van de Commissie 28 opgevolgd.

Derhalve kan niet anders worden geconcludeerd, dan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij van mening is dat er in dit geval aanleiding is om andere dan de door de Commissie 28 in haar advies genoemde – humanitaire – vluchten toe te staan.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het advies van de Commissie 28 ook in inhoudelijk opzicht onzorgvuldig is voorbereid. Omdat verweerder dit advies heeft overgenomen en aan de bestreden besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, is dit besluit onzorgvuldig voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Nu het advies enkel ziet op humanitaire vluchten, verweerder stelt dat niet van het advies is afgeweken en de verleende ontheffing ziet op een breder scala aan vluchten dan waarover is geadviseerd, is het bestreden besluit bovendien niet deugdelijk gemotiveerd. Het is derhalve tevens in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

Dit betekent dat de beroepen van eisers in zoverre gegrond zijn.

Met betrekking tot de belangenafweging overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft blijkens de motivering van het bestreden besluit aangegeven dat rekening is gehouden met de uitspraak van 3 december 2003 van de ABRS, gepubliceerd onder LJN AN9219, door het onderzoeksbureau Advanced Decision Systems Airinfra B.V. (Adecs) een onderzoek naar geluid, emissies en luchtkwaliteit ten behoeve van het gebruik van het luchtvaartterrein te laten verrichten.

Onder verwijzing naar een uitspraak van 28 juli 1998 van de ABRS, gepubliceerd onder LJN AP6461, stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte alleen het aspect geluidhinder bij de belangenafweging heeft betrokken. In de visie van eisers had verweerder eveneens de aspecten stankhinder, luchtverontreiniging en externe veiligheid bij de belangenafweging dienen te betrekken.

De rechtbank stelt vast, onder verwijzing naar de toelichting bij de ontheffing, dat het oogmerk van verweerder is om met de verleende ontheffing het reeds meerdere jaren bestaande feitelijke (militaire mede)gebruik van vliegveld Eelde juridisch af te dekken. Gelet op dit uitgangspunt heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de belangenafweging niet afdoende gemotiveerd waarom er van 400 vluchten dient te worden uitgegaan. Dit aantal vluchten spoort niet met de eerdere aanvraag en evenmin met het verzoek om advisering aan de Commissie 28. Voorts klemt dit gegeven in het licht van de door verweerder te verrichten belangenafweging te meer, aangezien de hoeveelheid vluchten en het type vliegtuigen niet inzichtelijk is gemaakt. Daarnaast is niet inzichtelijk geworden op welke manier rekening is gehouden met het feitelijke, terughoudende (militaire mede)gebruik van het vliegveld, zoals dat in de praktijk aan de orde is.

De rechtbank overweegt dat het enkel vaststellen dat het belang van het medegebruik van deze luchthaven door militaire les- en transportvliegtuigen en militaire helikopters zwaarder weegt dan andere belangen geen adequate belangenafweging is. Daarvoor is vereist dat verweerder de diverse afzonderlijke en (deels) tegenstrijdige belangen in kaart brengt en tegen elkaar afweegt.

Hieruit volgt dat verweerder in het thans bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke belangen tegen elkaar afgewogen zijn en waarom de belangen van omwonenden ondergeschikt zouden moeten zijn aan het belang dat is gelegen in (de toename van) militair medegebruik.

Gelet op de voorgaande overwegingen berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering van de belangenafweging, hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb met zich brengt. Ook om die reden zijn de beroepen van eisers gegrond.

Aangezien de beroepen van eisers gegrond worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eisers te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen de kosten van eisers sub 2 worden begroot op € 3,90, zijnde de reiskosten van de gemachtigde van eisers sub 2. Voor het overige is de rechtbank niet gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser sub 1 betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,-- aan hem dient te vergoeden. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers sub 2 betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- aan hen dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep van eiser sub 1 gegrond;

- verklaart het beroep van eisers sub 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaarschriften, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers sub 2 ten bedrage van € 3,90 en bepaalt dat de Staat der Nederlanden deze kosten alsmede het door eisers sub 2 betaalde griffierecht ad € 285,-- aan hen dient te vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser sub 1 betaalde griffierecht ad € 143,-- aan hem dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mrs. W.P. Claus, voorzitter, M.W. de Jonge en H.A. Oldenziel en in het openbaar door de voorzitter uitgesproken op 1 juli 2009 in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De griffier De voorzitter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag

Afschrift verzonden op:

typ: hvk