Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BL7145

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/811 en 09/843 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet op het vorenstaande, niet aannemelijk gemaakt dat op het onderhavige terrein over vijf jaar geen behoefte meer bestaat aan de voorziening parkeerplaatsen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in en om het centrum van Zuidhorn juist een grote vraag zal blijven bestaan naar parkeerplaatsen. Deze ontwikkeling duidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter, zoals reeds gezegd, eerder op een permanente- dan op een tijdelijke behoefte aan parkeerplaatsen op het onderhavige terrein.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een voorziening in een tijdelijke behoefte. Voor verweerder bestond dan ook geen ruimte om een tijdelijke ontheffing te verlenen. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknr: AWB 09/811 en 09/843 BESLU

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[appellant] wonende te Zuidhorn, verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 21 juli 2009 van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidhorn, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2009, verzonden op 21 augustus 2009, heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijze van verzoeker, aan de gemeente Zuidhorn een tijdelijke ontheffing, als bedoeld in artikel 3:22 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro), van 1 oktober 2009 tot 1 oktober 2014 verleend ten behoeve van het aanleggen van parkeerplaatsen en het bieden van een mogelijkheid tot het houden van een weekmarkt en tweejaarlijks een kermis op en nabij het voormalig perceel Klinckemalaan 2 te Zuidhorn.

Namens verzoeker is bij brief van 24 augustus 2009 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij verzoekschrift van 24 augustus 2009 is namens verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het voornoemde besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 2 september 2009 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 september 2009, alwaar verzoeker werd vertegenwoordigd door de gemachtigde mr. J.T.F. van Berkel, verbonden aan SRK Rechtsbijstand.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigde P.W. de Boer.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

Namens de gemeente Zuidhorn is bij ongedateerde brief een aanvraag om tijdelijke ontheffing, als bedoeld in artikel 3:22 van de Wro, bij verweerder ingediend ten behoeve van het aanleggen van parkeerplaatsen en het bieden van een mogelijkheid tot het houden van een weekmarkt en tweejaarlijks een kermis op en nabij het voormalig perceel Klinckemalaan 2 te Zuidhorn.

Verweerder heeft in zijn vergadering van 28 april 2009 ingestemd met het opstarten van de procedure voor een tijdelijke ontheffing voor de aanleg van parkeerplaatsen en het bieden van een mogelijkheid tot het houden van een weekmarkt en tweejaarlijks een kermis op en nabij het voormalig perceel Klinckemalaan 2 te Zuidhorn en aangegeven voornemens te zijn om medewerking te verlenen aan het voornoemde verzoek om tijdelijke ontheffing op grond van artikel 3:22 van de Wro.

Verweerder heeft het voornemen om tijdelijke ontheffing te verlenen gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘Westerkwartier’ van 13 mei 2009. In deze publicatie heeft verweerder aangegeven dat de stukken gedurende zes weken vanaf 14 mei 2009 ter inzage liggen en dat eenieder een zienswijze kan indienen bij verweerder met betrekking tot het voornemen om een tijdelijke ontheffing te verlenen.

Namens verzoeker is bij brief van 23 juni 2009 een zienswijze bij verweerder ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijze van verzoeker, aan de gemeente Zuidhorn een tijdelijke ontheffing, als bedoeld in artikel 3:22 van de Wro, van 1 oktober 2009 tot 1 oktober 2014 verleend ten behoeve van het aanleggen van parkeerplaatsen en het bieden van een mogelijkheid tot het houden van een weekmarkt en tweejaarlijks een kermis op en nabij het voormalig perceel Klinckemalaan 2 te Zuidhorn.

2.2 Regelgeving

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier (niet) voor.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 3:22, eerste lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. De termijn kan ten hoogste vijf jaar belopen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

2.3 Overwegingen

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt voor een door verweerder genomen besluit, inhoudende dat aan de gemeente Zuidhorn een tijdelijke ontheffing, als bedoeld in artikel 3:22 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro), van 1 oktober 2009 tot 1 oktober 2014 verleend is ten behoeve van het aanleggen van parkeerplaatsen en het bieden van een mogelijkheid tot het houden van een weekmarkt en tweejaarlijks een kermis op en nabij het voormalig perceel Klinckemalaan 2 te Zuidhorn.

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat het gebruik van het voornoemde perceel in strijd is met de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan ‘Kom Zuidhorn’ en (voor een ondergeschikt gedeelte) met het bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan in onderdelen, kern Zuidhorn’.

Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de ontheffing aan de gemeente Zuidhorn van tijdelijke aard is. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat er in het onderhavige geval sprake is van een tijdelijke behoefte aan parkeerplaatsen op het voornoemde perceel in verband met het uitvoeren van de plannen in de kom van Zuidhorn. Door de realisering van de verschillende plannen vervallen tijdelijk parkeerplaatsen in het centrum van Zuidhorn. Ter compensatie biedt het beschikbare terrein de mogelijkheid om op verantwoorde wijze 52 parkeerplaatsen aan te leggen. Van deze parkeerplaatsen staan 13 plaatsen ten dienste van hotel ‘In ’t Holt’ en de overige plaatsen zijn openbare parkeerplaatsen.

In het licht van de beoordeling acht de voorzieningenrechter allereerst de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 28.916, nr. 3, paragraaf 3.3.3) van belang, waarin ten aanzien van - het latere - artikel 3:22 van de Wro wordt overwogen: “In dit artikel wordt de tijdelijke ontheffing van het bestemmingsplan geregeld. De ontheffing van het geldende plan wordt toegestaan voor een bepaald tijdvak, dat maximaal vijf jaar kan bedragen. Deze voortzetting van het oude artikel 17 van de WRO is nog iets stringenter geclausuleerd door de woorden ‘met het oog op een tijdelijke behoefte’ nu ook in de wet zelf op te nemen. Als er geen sprake is van een voorziening in een tijdelijke behoefte is er geen ruimte toepassing te geven aan dit artikel.”

Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat - anders dan bij de verlening van een tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de tot 1 juli 2008 geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening - in de motivering van het besluit tot tijdelijke ontheffing dient te worden aangetoond dat na het verstrijken van de te stellen termijn geen behoefte meer bestaat aan de voorzieningen die niet meer in het bestemmingsplan passen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in de lijst van de te plannen werkzaamheden in verband met de uitvoering van het ‘komplan’ Zuidhorn onder meer is opgenomen dat er een parkeerdek in het centrum zal worden gerealiseerd. Uit de motivering van het bestreden besluit valt echter niet af te leiden dat de parkeerplaatsen op het onderhavige terrein tijdelijk van aard zijn en voorzien in een tijdelijke behoefte totdat dit parkeerdek in het centrum van Zuidhorn is gerealiseerd. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat de gemachtigde van verweerder ter zitting erkend heeft dat de parkeerdruk op het centrum van Zuidhorn, ook na realisering van het parkeerdek, groot blijft. Ook voor wat betreft de motivering inzake de 13 parkeerplaatsen voor hotel ‘In ’t Holt’ op het onderhavige parkeerterrein blijft verweerder in het bestreden besluit en het verweerschrift naar het oordeel van de voorzieningenrechter onduidelijk voor wat betreft het gegeven dat er sprake is van een tijdelijke behoefte aan parkeerplaatsen. Niet is komen vast te staan immers dat het voornoemde hotel na realisering van het komplan geen behoefte meer heeft aan de 13 parkeerplaatsen op het onderhavige terrein. Ook voor wat betreft de verplaatsing van de kermis en de weekmarkt naar het onderhavige terrein lijken de thans beschikbare stukken er op te wijzen dat er sprake is van een permanente behoefte zonder dat verweerder kan aangeven wanneer en waar een definitieve plek in het centrum van Zuidhorn voor de voornoemde evenementen gerealiseerd zal worden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet op het vorenstaande, niet aannemelijk gemaakt dat op het onderhavige terrein over vijf jaar geen behoefte meer bestaat aan de voorziening parkeerplaatsen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in en om het centrum van Zuidhorn juist een grote vraag zal blijven bestaan naar parkeerplaatsen. Deze ontwikkeling duidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter, zoals reeds gezegd, eerder op een permanente- dan op een tijdelijke behoefte aan parkeerplaatsen op het onderhavige terrein.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een voorziening in een tijdelijke behoefte. Voor verweerder bestond dan ook geen ruimte om een tijdelijke ontheffing te verlenen. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard. Hieruit volgt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op het verzoek tot het verlenen van een tijdelijke ontheffing. Nu er in het onderhavige geval teruggevallen wordt op het verzoek tot het verlenen van een tijdelijke ontheffing bestaat er geen aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, aangezien er geen besluit tot het verlenen van een tijdelijke ontheffing (meer) bestaat.

In dit verband wijst de voorzieningenrechter partijen er op dat niet met de werkzaamheden, verband houdend met de tijdelijke ontheffing, mag worden begonnen.

De voorzieningenrechter kan hiermee volstaan, maar ziet om proceseconomische redenen aanleiding het volgende te overwegen.

Blijkens de motivering van het besluit zal het onderhavige terrein ook gebruikt worden voor de kermis (2x per jaar) en de weekmarkt. In het kader van de belangenafweging stelt verweerder zich op het standpunt dat de door verzoeker naar voren gebrachte overlast als subjectieve aanname dient te worden getypeerd. Dat verzoeker, zoals gesteld, hinder en overlast ondervindt van de wekelijks te houden markt en tweemaal per jaar een kermis gedurende meerdere dagen in de nabijheid van zijn perceel acht de voorzieningenrechter in het onderhavige geval niet onaannemelijk. De door verweerder in het bestreden besluit neergelegde motivering van de belangenafweging is zodanig summier dat deze naar het oordeel van de voorzieningenrechter als ondeugdelijk dient te worden beschouwd. Hieruit volgt dat verweerder in een eventueel nieuw te nemen besluit, naast een motivering aangaande de vraag of sprake is van een tijdelijke behoefte, ook afdoende zal dienen te motiveren waarom het algemeen belang dient te prevaleren boven het individuele belang van verzoeker in het onderhavige geval.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoeker te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende professionele rechtshulp. Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 150,-- aan hem dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

ten aanzien van het beroep:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op het verzoek om tijdelijke ontheffing, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten alsmede het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem dient te vergoeden.

ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg als voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 11 september 2009, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

typ: hvk

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ’s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.