Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BL1012

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
07-08-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
414018 VV EXPL 09-94
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een provisioneel vonnis. In de bodemzaak is er een geschil over achterstallige huur en mogelijke gebreken aan het gehuurde. De kantonrechter gelast een deskundigenonderzoek. Vervolgens vordert de verhuurder in voorlopige voorziening de ontruiming van het gehuurde en betaling van (een voorschot op) de huurachterstand. De huurder verschijnt niet op de mondelinge behandeling waarna de provisionele vordering wordt toegewezen. De kantonrechter oordeelt in kort geding dat (volledige) tenuitvoerlegging van het provisionele vonnis misbruik van recht oplevert en schort de tenuitvoerlegging daarom (grotendeels) op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 414018 VV EXPL 09-94

Vonnis in kort geding d.d. 7 augustus 2009

inzake

R.,

h.o.d.n. Restaurant Akropolis,

wonende te [adres],

eiseres, hierna R. te noemen,

gemachtigde mr. G.B. de Jong, advocaat te Hoogezand,

tegen

de besloten vennootschap Kaynar Holding BV,

gevestigd te Groningen aan de Rouaanstraat 15,

gedaagde, hierna Kaynar te noemen,

gemachtigde mr. J.A. Buur, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

Op de in de inleidende dagvaarding genoemde gronden heeft R. in kort geding gevorderd dat (de tenuitvoerlegging van) het tussen partijen op 9 juni 2009 gewezen vonnis wordt opgeschort totdat in de hoofdprocedure een (eind)vonnis zal zijn gewezen, met veroordeling van Kaynar in de proceskosten.

Partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling producties in het geding gebracht.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2009. Verschenen zijn

mr. A.H.W.M. Coolen als zaakwaarnemer van R., B. Kaynar, de directeur van Kaynar, en de gemachtigden van partijen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Partijen hebben vervolgens getracht een minnelijke schikking te bereiken, maar zij zijn daarin niet geslaagd, waarna is bepaald dat heden vonnis wordt gewezen.

OVERWEGINGEN

De feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1. Onder zaak-/rolnummer 354285 CV EXPL 08-2071 is bij de sector kanton van deze rechtbank een procedure aanhangig tussen Kaynar en R. Kaynar vordert in die procedure betaling van achterstallige huurpenningen (met nevenvorderingen) en de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte (op de eerste verdieping) inclusief de onzelfstandige woonruimte (op de tweede verdieping) aan de X-straat 1 te Sappemeer. R. vordert in voorwaardelijke reconventie dat de huurprijs met een substantieel bedrag wordt verminderd in verband met de aanwezigheid van gebreken als bedoeld in de wet en dat Kaynar wordt veroordeeld om de gebreken op straffe van verbeurte van een dwangsom te verhelpen.

1.2. Bij vonnis van 10 december 2008 heeft de kantonrechter R. toegelaten tot het bewijs dat er (nog steeds) sprake is van lekkage in het pand en dat de balken en de vloer in het toilet verrot zijn geworden door een omstandigheid die in de risicosfeer van Kaynar ligt. R. heeft aangegeven dat zij het bewijs wenst te leveren middels een deskundige, waarna de kantonrechter partijen bij vonnis van 28 januari 2009 in de gelegenheid heeft gesteld om zich uit te laten over de persoon van de deskundige en om vragen voor de deskundige te formuleren.

1.3. De zaak is vervolgens op verzoek van partijen aangehouden in verband met onderhandelingen. Op de rolzitting van 22 april 2009 is de procedure aangehouden tot 17 juni 2009. Op dat moment was mr. H.G.B. van der Wal, advocaat te Stadskanaal, de gemachtigde van R.; deurwaarder J.L. Werkman te Winschoten, was de rolgemachtigde. Dat de zaak is aangehouden tot de zitting van 17 juni 2009, is genoteerd op de rollijst van 22 april 2009. Na deze zitting heeft deurwaarder Werkman daarvan - zoals gebruikelijk is bij deze sector - per fax een exemplaar ontvangen. De aanhouding is ook per brief aan de gemachtigden van partijen meegedeeld.

1.4. Op 7 mei 2009 is ter griffie ingekomen de incidentele conclusie van Kaynar tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, samengevat inhoudende dat R. wordt veroordeeld tot betaling van € 11.351,91 aan huur tot en met mei 2009, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag (vermeerderd met rente) en tot ontruiming van het gehuurde (met nevenvorderingen). De behandeld (lees: behandelend) kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden. De griffier heeft de gemachtigden van partijen om hun verhinderdata gevraagd. Na ontvangst daarvan is op de rollijst van 20 mei 2009 aangetekend dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 9 juni 2009 om 09.30 uur. Deurwaarder Werkman heeft ook in dit geval per fax een exemplaar van de ingevulde rollijst ontvangen. De gemachtigde van Kaynar, die geen rolgemachtigde had, is bij brief van genoemde datum en tijdstip op de hoogte gebracht.

1.5. Op genoemde zitting zijn Kaynar (deugdelijk vertegenwoordigd) en haar gemachtigde verschenen. R. en haar gemachtigde zijn niet verschenen. De vordering tot betaling van de huurpenningen is bij vonnis van 9 juni 2009 toegewezen. De ontruiming is in die zin voorwaardelijk toegewezen dat ontruiming alleen is toegestaan in het geval R. de huurpenningen niet binnen 30 dagen na de betekening van het vonnis mocht hebben voldaan. R. is ten slotte veroordeeld in de proceskosten van het incident. Het vonnis is op 15 juni 2009 aan R. betekend.

1.6. De ontruiming is aangezegd tegen 16 juli 2009. Tijdens de mondelinge behandeling (op 15 juli 2009) hebben partijen afgesproken nog een poging te ondernemen om het geschil in onderling overleg op te lossen. Blijkens het faxbericht van Kaynar van 29 juli 2009 zijn partijen daarin niet geslaagd.

Het standpunt van R.

2. R. stelt dat haar rolgemachtigde (Werkman) er niet van op de hoogte was dat op 20 mei 2009 een rolhandeling (de dagbepaling van de mondelinge behandeling) zou plaatsvinden, waardoor Werkman de bewuste aantekening op de rol over het hoofd heeft gezien. Werkman was bovendien niet op de hoogte dat de incidentele conclusie was ingediend. Die omstandigheid is ook aan de griffie van de sector kanton toe te schrijven. Als er een rolgemachtigde is, verstuurt de griffie namelijk ook wel eens een rolbericht in plaats van alleen maar de ingevulde rol per fax. Door de geschetste gang van zaken waren zij (R.) en haar gemachtigde niet van de mondelinge behandeling op de hoogte. Als zij wel was verschenen, zou de voorlopige voorziening zeker niet zijn getroffen omdat het duidelijk is dat er sprake is van gebreken en een vermindering van de huurprijs daarom in de rede ligt. Een en ander kan naar de mening van R. worden gezien als een juridische en/of feitelijke misslag. Daarnaast is er thans sprake van een noodsituatie. Door de aangekondigde ontruiming heeft zij het pand leeg moeten halen voor zover het spullen betreft die haar eigendom zijn. Zij heeft echter een groot belang bij voortzetting van haar bedrijf. Zij is ook zeker van plan om dit zo spoedig mogelijk te doen.

Het standpunt van Kaynar

3. Kaynar ziet niet dat er sprake is van een juridische of feitelijke misslag of van een noodtoestand. Met dit laatste heeft de kantonrechter ook rekening gehouden door de ontruiming voorwaardelijk toe te wijzen. Er is hoogstens sprake van onduidelijkheid over de datum van de mondelinge behandeling, maar dat betekent niet dat er sprake is van een feitelijke misslag in het vonnis. Kaynar is van mening dat deurwaarder Werkman de aantekening op de rol van 20 mei 2009 had kunnen en moeten zien. Eventuele misverstanden als gevolg van het feit dat R. naast een gemachtigde ook een rolgemachtigde had, komen naar zijn mening voor rekening en risico van R. Kaynar ziet dan ook geen reden om de executie van het provisionele vonnis op te schorten. In dit verband verwijst hij nog naar een aantal foto’s die kort voor de zitting zijn gemaakt, waarop volgens Kaynar overduidelijk is te zien dat R. niet van plan is om in het pand terug te keren.

De beoordeling

4. Niet in geschil is dat R. een spoedeisend belang bij haar vordering heeft.

5. Naar het oordeel van de kantonrechter is de berichtgeving over het tijdstip van de mondelinge behandeling wellicht wat ongelukkig verlopen, maar zijn alle betrokkenen (griffie, gemachtigden en rolgemachtigde) hier min of meer debet aan. Van de griffie kan namelijk worden gezegd dat het voor de hand had gelegen dat - hoewel rolhandelingen waarbij deurwaarders als (rol)gemachtigden betrokken zijn doorgaans aan hen worden meegedeeld middels toezending per fax van de ingevulde rol - zij het tijdstip van de mondelinge behandeling rechtstreeks aan de gemachtigden van partijen had meegedeeld, nu deze gemachtigden eerder rechtstreeks om hun verhinderdata waren gevraagd. Verder heeft de gemachtigde van Kaynar de incidentele conclusie tot het treffen van de voorlopige voorziening rechtstreeks aan de (toenmalige) gemachtigde van R. verzonden, terwijl hij wist dat deurwaarder Werkman de rolgemachtigde van R. was en de rolhandelingen in die tijd dus via laatstgenoemde liepen. Maar ook de toenmalige gemachtigde van R. heeft het misverstand in de hand gewerkt door zijn verhinderdata rechtstreeks aan de griffie door te geven in plaats van via zijn rolgemachtigde en hij zijn rolgemachtigde kennelijk ook niet anderszins van de gevraagde voorlopige voorziening op de hoogte heeft gesteld. Wel is het een feit dat de zaak wel op de rollijst van 20 mei 2009 stond en dat deurwaarder Werkman een paar dagen voor die rolzitting per fax een kopie van de lege rollijst heeft gehad en kort na de rolzitting per fax het ingevulde exemplaar. Deurwaarder Werkman had dus wel kunnen zien dat er een rolhandeling plaats zou vinden en heeft plaatsgevonden, waarbij de kantonrechter het antwoord op de vraag of hij dat ook had moeten zien in het midden laat.

6. In het licht van het voorgaande kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust doordat R. om de hiervoor geschetste reden niet op de terechtzitting is verschenen. Verder is het begrijpelijk dat het belang van R. door de ontruiming wordt geschaad, maar er is geen sprake van een situatie waarin de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van R. een noodtoestand zal doen ontstaan. Om die reden kan dan ook de executie niet worden geschorst.

7. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om op grond van de hierna te noemen reden de tenuitvoerlegging van het vonnis (gedeeltelijk) op te schorten.

8. Gezien de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de oproeping voor de mondelinge behandeling, is het naar het oordeel van de kantonrechter (ook) voor Kaynar evident geweest, dat R. en haar gemachtigde niet van de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling op de hoogte waren en dat zij dus niet opzettelijk niet op die zitting zijn verschenen. Voor Kaynar was het ook overduidelijk dat R. de uitkomst van de voorlopige voorziening (de veroordeling tot betaling tot de volledige huurachterstand en de gedwongen ontruiming) niet wilde omdat zij immers in de bodemzaak verweer had gevoerd en een bewijsopdracht had gekregen. De goede trouw, die verhouding tussen partijen niet alleen buiten rechte maar ook tijdens de tussen hen aanhangige procedure beheerst, maakt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook dat de (volledige) tenuitvoerlegging van het provisionele vonnis misbruik van recht oplevert.

9. De gemachtigde van Kaynar heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit kort geding verklaard dat het belang van Kaynar erin is gelegen dat de huurpenningen worden betaald. Wat zijn belang bij de ontruiming is, is niet helder geworden. De kantonrechter ziet dan ook aanleiding om de tenuitvoerlegging van het provisionele vonnis op te schorten voor zover dat op de ontruiming ziet.

10. In het licht van hetgeen de (collega-)kantonrechter in haar tussenvonnissen in de bodemzaak heeft beslist, is het nog maar de vraag of de gevorderde huurpenningen integraal zullen worden toegewezen. Dat hangt er immers vanaf of R. in haar bewijsopdracht zal slagen. Daar kan de kantonrechter in dit kort geding niet op vooruitlopen. Niet te verwachten valt evenwel dat, in het geval R. in haar bewijsopdracht zal slagen, de huurprijs tot nihil zal worden verminderd. De kantonrechter acht het daarom redelijk dat R. een gedeelte van de huurprijs en dus ook de huurachterstand betaalt. Gezien de ongewisse uitkomst van de bodemprocedure acht de kantonrechter een voorschot op de huurachterstand van 50% op zijn plaats. Voor dit oordeel is temeer aanleiding omdat de gemachtigde van Kaynar ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit geding heeft laten blijken dat hij had verwacht dat bij het provisionele vonnis niet de volledige huurachterstand zou worden toegewezen en dat hij om die reden in die procedure heeft gevorderd dat de huurachterstand, althans een door de kantonrechter te bepalen voorschot, zal worden toegewezen. De kantonrechter zal de tenuitvoerlegging van het provisionele vonnis daarom (ook) opschorten voor zover de veroordeling tot betaling van de huurpenningen de helft van het toegewezen bedrag overstijgt.

11. Gezien de uitkomst van de procedure zullen de proceskosten aldus worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING IN KORT GEDING

De kantonrechter:

1. schort de tenuitvoerlegging van het door de kantonrechter te Groningen op 9 juni 2009 onder zaak-/rolnummer 354285 CV EXPL 08-2071 tussen partijen gewezen provisionele vonnis op totdat in de bodemzaak (met hetzelfde zaak-/rolnummer) een eindvonnis wordt gewezen, voor zover R. bij dat provisionele vonnis is veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en voorts voor zover de veroordeling tot betaling van het voorschot op de huurpenningen een bedrag van € 5.675,96 te boven gaat;

2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van den Noort, kantonrechter, en op 7 augustus 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: MH