Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BL0520

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
431208 VV EXPL 09-152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks dat werkgeefster snel na indiensttreding van werknemer twijfelde over diens capaciteiten, heeft het een aantal maanden geduurd voordat zij een nader onderzoek heeft laten instellen. Er zijn geen afdoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit voortvloeit dat zij niet eerder een nader onderzoek naar het arbeidsverleden van werknemer heeft kunnen laten uitvoeren. Ter zitting is wel aangegeven dat is gebeld naar een vorige werkgeefster van werknemer, maar verder is er geen actie ondernomen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter duidt dit lange wachten er op dat de vereiste dringendheid van het ontslag ontbreekt. Op grond hiervan kan het ontslag op staande voet niet in stand blijven.

Het ontslag op staande voet kan ook geen stand houden omdat werknemer niet de gelegenheid van een weerwoord is geboden. Sterker, het rapport waarop het ontslag op staande voet is gebaseerd, is niet meegezonden met de ontslagbrief. De loonvordering wordt toegewezen. De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen in verband met de op afzienbare termijn te verwachten beschikking op het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Matiging wettelijke verhoging tot 25%. Afwijzen buitengerechtelijke incassokosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 431208/09-152

Vonnis in kort geding van 22 december 2009

inzake

L., wonende te [adres],

eiser, hierna L. te noemen,

gemachtigde mr. M.L. Ensing, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bollegraaf Recycling Machinery B.V., gevestigd en kantoorhoudende te 9902 AM Appingedam, Tweede Industrieweg 1,

gedaagde, hierna Bollegraaf te noemen,

gemachtigde mr. G.N. Paanakker, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

Op de in de inleidende dagvaarding genoemde gronden heeft L. een vordering ingesteld.

De mondelinge behandeling is -tezamen met het door Bollegraaf ingediende verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst- gehouden op 10 december 2009.

Partijen (Bollegraaf vertegenwoordigd door X., directeur en Y. medewerkster P&O), bijgestaan door hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet, mede aan de hand van de door de gemachtigden opgestelde pleitaantekeningen. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Het vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. De feiten

1.1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.2. L. is op 15 april 2009 bij Bollegraaf in dienst getreden in de functie van salesmanager tegen een salaris van laatstelijk € 6.457,69 bruto, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

1.3. Volgens zijn curriculum vitae heeft L. in het verleden verschillende leidinggevende functies bekleed. In deze functies heeft hij volgens zijn opgave leiding gegeven aan 14 tot 45 medewerkers. Het curriculum vitae vermeldt voorts dat L. in de periode 1999-2002 bij de Rabobank De Beek-Dal-Veste de functie Directeur Particuliere Relaties, en in de periode 1998-1999 bij de Rabobank Den Haag e.o. de functie van hoofd Interne Controle heeft vervuld.

1.4. L. heeft zich per 14 september 2009 arbeidsongeschikt gemeld.

1.5. Bij schrijven van 29 oktober 2009 heeft Bollegraaf L. op staande voet ontslagen. Bollegraaf vermeldt in de ontslagbrief onder meer:

Zoals u weet heb ik de keus op u laten vallen gelet op uw werkervaring. Ik had alle vertrouwen dat u de juiste man op de juiste plaats zou zijn.

Al vrij snel begon ik twijfels te krijgen of u de functie wel aan zou kunnen. Ook begon ik te twijfelen aan de informatie die u mij heeft gegeven met betrekking tot uw arbeidsverleden.(...)

Ik heb u thuis bezocht tezamen met mevrouw Y. waarin wij u expliciet naar uw arbeidsverleden hebben gevraagd. Inmiddels heb ik informatie dat u bij de Rabobank twee maal een andere, eenvoudigere functie heeft bekleed dan in uw CV vermeld en dat het niet juist is dat u een directiefunctie/leidinggevende functie heeft vervuld. (...)

U heeft tijdens het huisbezoek desgevraagd ontkend dat u slechts minder zware uitvoerende functies zou hebben bekleed bij de Rabobank en gesteld dat hetgeen u mij tijdens de sollicitatiegesprekken heeft medegedeeld en de inhoud van uw CV correct zijn. Ik heb u toen bericht één en ander nader te onderzoeken omdat ik toch mijn twijfels hieromtrent had. (...).

Uit dit onderzoek is evenwel gebleken dat u valse informatie heeft gegegeven, niet alleen mondeling, doch dat ook informatie die op uw CV staat vermeld onjuist is. Ik stel vast dat u tijdens de sollicitatiegesprekken mij onjuist heeft ingelicht. Indien ik op de hoogte was geweest van de werkelijke situatie had ik u de functie niet aangeboden (...).

2. Het standpunt van L.

2.1. Er is geen sprake van een dringende reden die een ontslag op staande voet zou kunnen rechtvaardigen. Hij heeft in zijn curriculum vitae geen onjuiste informatie verstrekt over zijn arbeidsverleden bij de Rabobank. Uit de verklaring van zijn voormalige directeur en uit het visitekaartje dat hij destijds gebruikte blijkt ook dat hij de zwaarte van de functie niet heeft overdreven. De werkzaamheden die hij heeft verricht bij T&D Fastwork B.V. en BW beveiligingssystemen B.V. zijn niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd.

2.2. Het ontslag is ook niet onverwijld gegeven. Blijkens de ontslagbrief zijn er vrij snel na zijn indiensttreding twijfels gerezen over de verstrekte informatie. Vervolgens wordt er pas maanden later een onderzoek ingesteld.

2.3. L. heeft vanaf oktober 2009 geen loon ontvangen terwijl hij wel geconfronteerd wordt met vaste lasten hetgeen betalingsproblemen oplevert.

3. Het standpunt van Bollegraaf

3.1. Zij verkeert momenteel in zwaar weer. Om het hoofd boven water te houden dient haar organisatie anders te worden ingericht. Voor een succesvol verloop van deze herstructurering is zij op zoek gegaan naar iemand met veel leidinggevende ervaring en sterke managementcapaciteiten. Gelet op het curriculum vitae en hetgeen tijdens het sollicitatiegesprek is besproken, leek L. die juiste persoon voor deze zware functie.

3.2. Na het aantreden van L. ontstonden er al snel twijfels over zijn capaciteiten. Deze twijfel groeide geleidelijk. L. diende voortdurend aangestuurd te worden terwijl juist van hem verwacht werd dat hij bepaalde kwesties zelfstandig zou oppakken.

3.3. Nadat L. te kennen had gegeven dat hij te kampen had met spanningsklachten, werd bij Bollegraaf het vermoeden dat L. de functie niet aan kon bevestigd. Dit heeft er toe geleid dat er een onderzoek is verricht naar het curriculum vitae van L.. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat L. een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven bij zijn sollicitatie. Zo heeft de Rabobank te Coevorden meegedeeld dat L. nooit de functie van Directeur Particuliere Relaties heeft vervuld of enige andere directeursfunctie. Verder blijkt uit gegevens van de Kamer van Koophandel dat bij T&D Fastwork B.V. slechts twee personen, en bij BW Beveiligingssystemen B.V. geen personen werkzaam waren. Dit in tegenstelling tot hetgeen L. heeft in zijn curriculum vitae heeft vermeld.

3.4. Nadat Bollegraaf op 29 oktober 2009 het onderzoeksrapport van B&W Onderzoek- en advies had ontvangen, is L. nog op dezelfde dag op staande voet ontslagen.

4. De beoordeling

4.1. De spoedeisendheid van de vordering is niet weersproken en deze blijkt overigens voldoende uit de aard van het gevorderde.

4.2. In deze kort geding procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vordering van L. in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. De onderhavige procedure leent zich niet voor het horen van getuigen. De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.3. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Om te kunnen concluderen of het ontslag rechtsgeldig is gegeven, dient niet alleen te worden vastgesteld of daarvoor een gegronde reden aanwezig is maar ook of het ontslag onverwijld is gegeven. Het begrip onverwijld geeft de werkgever die een ontslag op staande voet overweegt wel enig respijt, bijvoorbeeld voor het horen van een werknemer, intern overleg of het doen van nader onderzoek, maar er moet wel met de nodige voortvarendheid worden gehandeld.

Wanneer dat niet gebeurt is er geen sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, ook niet wanneer hetgeen de werknemer wordt verweten op zich een dringende reden voor ontslag kan opleveren.

4.4. Bollegraaf heeft aangevoerd dat zij al snel na indiensttreding van L. twijfelde over zijn capaciteiten en dat zij zich is gaan afvragen of L. wel de manager was die hij stelde te zijn. Het heeft echter nog een aantal maanden geduurd voordat Bollegraaf een nader onderzoek heeft laten instellen. Bollegraaf heeft geen afdoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit voortvloeit dat zij niet eerder een nader onderzoek naar het arbeidsverleden van L. heeft kunnen laten uitvoeren. Haar directeur heeft ter zitting aangegeven wel eens te hebben gebeld, maar verder is er geen actie ondernomen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter duidt dit lange wachter er op dat de vereiste dringendheid van het ontslag ontbreekt en kan het ontslag op staande voet op grond hiervan niet in stand blijven.

4.5. Het ontslag op staande voet kan ook geen stand houden omdat L. niet de gelegenheid van een weerwoord is geboden. Sterker, het rapport waarop Bollegraaf het ontslag op staande voet baseert, is niet meegezonden met de ontslagbrief.

4.6. Gezien het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat er een gerede kans bestaat dat de bodemrechter zal oordelen dat het ontslag op staande voet geen stand kan houden. De vorderingen in dit kort geding kunnen daarom worden toegewezen met inachtneming van het volgende. De gevorderde wedertewerkstelling wordt afgewezen. L. heeft daarbij geen spoedeisend belang in verband met zijn huidige arbeidsongeschiktheid en het feit dat de kantonrechter snel zal beslissen op het (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek. De kantonrechter heeft ter zitting een verstoorde arbeidsrelatie vastgesteld.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens afgewezen. L. heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die aantonen dat de werkzaamheden waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn aan te merken als verrichtingen anders dan die "ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak" en dat die meer omvatten dan het verzenden van een standaard aanmaning of het inwinnen van inlichtingen.

De kantonrechter acht termen aanwezig de wettelijke verhoging te matigen tot een maximum van 25 %.

4.7. Bollegraaf zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING IN KORT GEDING

De kantonrechter:

1. veroordeelt Bollegraaf om aan L. te betalen:

a. een bedrag groot € 6.457,69 bruto als verschuldigd loon;

b. een bedrag groot € 1.614,43 bruto verschuldigd als wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

c. de wettelijke rente over voornoemde bedragen, vanaf het moment van het opeisbaar worden van de vorderingen tot aan de dag der algehele voldoening;

2. veroordeelt Bollegraaf tot betaling van het overeengekomen loon c.a., op de gebruikelijke wijze en op de gebruikelijke tijdstippen, zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig en regelmatig is beëindigd, een en ander te verhogen met 25% aan wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf iedere vervaldag tot aan de dag der algehele voldoening;

3. veroordeelt Bollegraaf tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van L. tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 110,00 aan griffierecht, € 99,07 aan explootkosten en € 200,00 voor salaris van de gemachtigde;

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 22 december 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: mmv