Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BL0324

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
106269 / FA RK 08-2744
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op de man is de buitengerechtelijke schuldregeling van toepassing. Dit is vergelijkbaar met de WSNP, zodat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 106269 / FA RK 08-2744

beschikking d.d. 4 augustus 2009

in de zaak van:

[de man],

wonende te [adres],

verzoeker,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.H.A. de Jong,

en

[de vrouw],

wonende te [adres],

verweerster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.H. Heeg.

PROCESVERLOOP

De man heeft op 28 november 2008 ter griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingediend waarin hij verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van deze rechtbank van 18 september 2007 te wijzigen, in die zin dat met ingang van 27 oktober 2008, datum schuldregelingsovereenkomst, dan wel de datum van de indiening van het verzoekschrift, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen op nihil wordt gesteld, althans op een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De vrouw heeft op 6 januari 2009 ter griffie van de rechtbank een verweerschrift ingediend waarin zij primair verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek van de man af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

Subsidiair verzoekt de vrouw de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind met ingang van 28 november 2008 en slechts gedurende de periode dat de thans bestaande schuldregelingsovereenkomst van toepassing is, op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag vast te stellen dan wel op nihil te stellen en te bepalen dat de man zodra de schuldregelingsovereenkomst is beëindigd de vrouw hierover prompt dient te informeren, waarna de beschikking van 18 september 2007 weer herleeft voor wat betreft de bijdrage. Tevens heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man jaarlijks op eerste verzoek van de vrouw de financiële gegevens met betrekking tot zijn schuldregelingsovereenkomst, zoals verstrekt door de Groningse Kredietbank, aan de vrouw dient te overleggen zodat zij op de hoogte blijft van de financiële positie van de man.

Op 24 februari 2009 is ter griffie van de rechtbank een brief met bijlagen van de zijde van de vrouw ontvangen.

Op 20 maart 2009 en 25 maart 2009 zijn ter griffie van de rechtbank brieven met bijlagen van de zijde van de man ontvangen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 31 maart 2009.

Daarbij zijn partijen, bijgestaan door hun raadslieden, verschenen en gehoord.

Ter zitting heeft mr. M.H. Heeg een pleitnotitie overgelegd.

Op 11 mei 2009 en 9 juli 2009 zijn ter griffie van de rechtbank brieven met bijlagen van de zijde van de man ontvangen.

Op 18 mei 2009 is ter griffie van de rechtbank een faxbrief van de zijde van de vrouw ontvangen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke in 2004 is geëindigd. Uit deze relatie is geboren het thans nog minderjarige kind:

* [de minderjarige], geboren [in 2003] in de gemeente [***] en door de man erkend [in 2003].

Voornoemde minderjarige verblijft bij de vrouw. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 september 2007 is bepaald dat de man met ingang van 13 februari 2007 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige aan de vrouw telkens bij vooruitbetaling, een bedrag van € 320,-- per maand moet betalen.

Ten aanzien van de man

Uit een eerder huwelijk van de man is geboren het thans nog minderjarige kind [***], geboren [in 1996]. Ten aanzien van deze minderjarige geldt een co-ouderschapsregeling.

De man heeft op 13 oktober 2008 een schuldregelingsovereenkomst gesloten met de Groningse Kredietbank.

De geschilpunten

- de wijziging van omstandigheden c.q de ontvankelijkheid van de man;

- de draagkracht van de man.

Ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek

Indien een verzoeker in rechte aanvoert dat zich sedert de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging in omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht rechtvaardigt, is de verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek. Ingeval de rechter vervolgens vaststelt dat er geen sprake is van een wijziging in omstandigheden dient een afwijzing van het verzoek te volgen.

Nu de man aan zijn inleidend verzoek ten grondslag heeft gelegd dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden is de man ontvankelijk in zijn inleidende verzoek.

De wijziging van omstandigheden

Vervolgens is aan de orde de vraag of zich na de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging in omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW heeft voorgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de man een schuldovereenkomst en een overeenkomst tot budgetbeheer heeft gesloten met de Groningse Kredietbank zich in de situatie van de man een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van zijn draagkracht rechtvaardigt.

Draagkracht van de man

Uit de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter zitting blijkt dat de man zich bij de Groningse Kredietbank heeft aangemeld voor buitengerechtelijke schuldregeling. De Groningse Kredietbank probeert in overleg met de schuldeisers tot een zo goed mogelijke oplossing te komen voor de schuldensituatie van de man. De duur van deze regeling bedraagt 36 maanden, overeenkomstig de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zoals blijkt uit de faxbrief van de Groningse Kredietbank is de werkwijze die zij hanteren analoog aan die van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). De rechtbank is dan ook van oordeel dat gezien de opzet en inhoud van de regeling deze zodanig overeenkomt met de schuldsaneringsregeling van de WSNP, dat de financiële positie waarin de man verkeert, hieraan gelijk gesteld moet worden. De rechtbank heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat sinds 1 januari 2008 als toelatingseis tot de wettelijke schuldsanering geldt dat eerst een vrijwillige bemiddeling of sanering geprobeerd dient te worden.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man gedurende de periode dat de buitengerechtelijke schuldregeling op hem van toepassing is niet in staat is om enige bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen. De bijdrage wordt dan ook voor deze periode op nihil gesteld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat wanneer de WSNP van toepassing is, er redelijkerwijs niet van kan worden uitgegaan dat de tijdens de termijnen -gedurende welke de toepassing van de wettelijke schuldsanering van kracht is- nog ruimte over is voor het betalen van een bijdrage.

Het is gebruikelijk om een wijzing van een opgelegde alimentatieverplichting in te laten gaan vanaf het moment waarop het daartoe strekkende verzoek is ingediend. Er kunnen niettemin redenen zijn om de wijziging met ingang van een andere datum in te laten gaan. In de onderhavige zaak blijkt dat de man op 13 oktober 2008 de schuldregelingsovereenkomst met de Groningse Kredietbank heeft gesloten. De rechtbank zal in dit geval voornoemde datum als ingangsdatum hanteren.

Gedurende de periode dat de schuldregeling op de man van toepassing is zal de bijdrage op nihil worden gesteld, derhalve voor een periode van 36 maanden. Na afloop van deze regeling mag worden verwacht dat de man weer ruimte heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen. De rechtbank overweegt tenslotte dat de man zich dient te houden aan de voorwaarden zoals deze door de Groningse Kredietbank zijn gesteld. Ook dient hij de vrouw op haar verzoek eenmaal per jaar te informeren omtrent de voortgang van de schuldregeling en aan haar financiële gegevens te overleggen met betrekking tot de schuldregelingsovereenkomst zoals verstrekt door de Groningse Kredietbank. Tevens dient de man zodra de schuldregelingsovereenkomst is beëindigd de vrouw hieromtrent te informeren.

Partijen hebben een relatie gehad. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren, zoals hieronder volgt.

BESLISSING

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 18 september 2007 in die zin dat met ingang van 13 oktober 2008 de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], op nihil wordt gesteld voor de periode van 36 maanden, derhalve tot 13 oktober 2011;

bepaalt dat de man de vrouw op haar verzoek eenmaal per jaar dient te informeren omtrent de voortgang van de schuldregeling en aan haar financiële gegevens dient te overleggen met betrekking tot de schuldregelingsovereenkomst zoals verstrekt door de Groningse Kredietbank, alsmede zodra de schuldregelingsovereenkomst is beëindigd de vrouw hieromtrent te informeren;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.H. Nieuwenhuis-Oosterhof en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2009 in tegenwoordigheid van mr. L.J. van der Heide als griffier.

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.