Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK7933

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
29-12-2009
Zaaknummer
110819/FA RK 09-1421
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks diverse verzoeken geeft de man geen inzage in zijn inkomsten en uitgaven. Hij zegt al jaren te worden ondersteund door zijn broer. De man heeft geen draagkrachtberekening overgelegd, maar ter zitting blijkt wel dat hij twee huizen heeft, die hij verhuurt. Nu de onduidelijkheid over zijn financiële situatie aan de man te wijten is, wordt de verzochte kinderalimentatie opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 110819/FA RK 09-1421

beschikking d.d. 24 november 2009

in de zaak van:

de vrouw,

advocaat mr. U.R. Slangenberg,

en

de man,

advocaat mr. I. Lfil.

PROCESVERLOOP

De vrouw heeft op 19 juni 2009 een verzoekschrift ingediend ertoe strekkende te bepalen, dat de man vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift maandelijks - bij vooruitbetaling te voldoen - met een bedrag van € 400.- bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering, die de man op grond van geldende wetten en/of regelingen ten behoeve van deze minderjarige kan of zal worden verleend.

De man heeft op 17 juli 2009 een verweerschrift ingediend.

Daarbij heeft hij verzocht de aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind op nihil te bepalen, kosten rechtens.

Ter griffie is op 7 oktober 2009 een brief met bijlagen d.d. 5 oktober 2009 van mr. Slangenberg ontvangen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 13 oktober 2009. Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen en gehoord.

Op 27 oktober 2009 is een akte met bijlagen van mr. Lfil ontvangen en op 9 november 2009 een akte van mr. Slangenberg.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten:

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond.

Uit hun relatie is het thans nog minderjarige kind geboren, dat door de man is erkend.

Het kind heeft hoofdverblijf bij de vrouw.

beoordeling:

behoeftigheid

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden, dat de vrouw, die een uitkering ontvangt krachtens de Wet werk en bijstand, behoeftig is.

behoefte

De kinderbijdrage wordt gebruikelijk vastgesteld op basis van de CBS-Nibudtabel met betrekking tot het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen.

Aan de hand van de leeftijd van de kinderen en het netto gezinsinkomen tijdens de laatste jaren van het huwelijk kan uit deze tabel worden afgeleid welke uitgaven die ouders gebruikelijk ten behoeve van de kinderen doen.

De behoefte van de kinderen kan dan in redelijkheid worden gesteld op het bedrag van deze uitgaven c.q. kosten.

Uit de inhoud van de door partijen overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting bedroeg naar het oordeel van de rechtbank de hoogte van het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun huwelijk ongeveer € 2.500,- netto per maand.

Hiermee correspondeert volgens de toepasselijke Tremanormen een behoefte van het kind van € 400,- per maand.

bijdrage

De man is directeur van een B.V.

De man stelt dat deze B.V. de werkzaamheden op 1 januari 2008 heeft gestaakt, dat hij sedertdien (bijna twee jaar lang) geen salaris meer heeft ontvangen en volledig door zijn broer - met wie hij een arbeidsverhouding heeft - wordt onderhouden.

Deze broer zou directeur-grootaandeelhouder zijn van meerdere BV’s, waaronder een bedrijf dat zich bezighoudt met de tewerkstelling van mensen, die moeilijk werk kunnen vinden. Door de arbeidsverhouding kan de man geen aanspraak maken op een wettelijke uitkering.

De man is eigenaar van een tweetal panden, die door hem worden verhuurd, maar volgens de man zijn de maandelijkse hypothecaire lasten hoger dan de huurinkomsten.

De man stelt, dat er door de fiscus beslag op de woningen is gelegd in verband met de door hem opgebouwde schuldenlast, onder meer bestaande uit niet voldane inkomstenbelasting, en dat openbare verkoop van de woningen niet te vermijden zal zijn. Volgens de man zullen de schulden ook dan nog niet helemaal zijn afgelost.

Wat hiervan ook zij de rechtbank is van oordeel, dat de man - hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid te zijn gesteld - onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie.

Zo ontbreken huurovereenkomsten, is onduidelijk waarom de BV waarvan de man directeur is, de ondernemingsactiviteiten heeft beëindigd, wat de man heeft ondernomen om weer betaalde arbeid te verrichten en ook wat zijn werkelijke inkomsten en uitgaven zijn; de man heeft zelfs geen draagkrachtberekening overgelegd.

Gelet hierop en op grond van de inhoud van de thans overgelegde stukken en van hetgeen door of namens de man ter zitting naar voren is gebracht (onder meer, dat hij niet in staat is te bewijzen niet over inkomsten te beschikken) is de rechtbank van oordeel, dat het ervoor moet worden gehouden dat de man over middelen, dan wel mogelijkheden beschikt om met het door de vrouw verzochte bedrag bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. De man is deze bijdrage verschuldigd vanaf de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, omdat hij er vanaf dat moment rekening mee kon houden de bijdrage te moeten voldoen.

proceskosten

Omdat partijen ex-partners zijn worden de proceskosten in die zin gecompenseerd, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

BESLISSING

bepaalt dat de man vanaf 19 juni 2009 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen, voor zover de termijn niet reeds is verstreken telkens bij vooruitbetaling, een bedrag van € 400,- per maand moet betalen;

compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.Th. Buijtenhuijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2009, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.