Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK7612

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
24-12-2009
Zaaknummer
18/670318-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet. Inhaalmanoeuvre met te hoge snelheid; inschattingsfout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670318-09 (promis)

datum uitspraak: 24 december 2009

op tegenspraak

raadsman: mr. A.P.E.M. Pover

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende aan [adres], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 december 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 juli 2008, te Stadskanaal,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, de Dr. Kinglaan, komende uit de richting van de

Borgenweg, en toen in of ter hoogte van of nabij een in die Dr. Kinglaan

gelegen voor hem, verdachte, naar rechts voerende (flauwe) bocht, zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend, met een snelheid van (tenminste) 84 kilometer

per uur, althans met een - gezien de omstandigheden ter plaatse - (veel) te

hoge snelheid heeft gereden en/of (vervolgens) de macht over het stuur heeft

verloren en met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig tegen een - gezien

verdachtes rijrichting - tegen een aan de linkerzijde van die Dr. Kinglaan

staande boom is gebotst of (aan)gereden,

waardoor een inzittende van dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (genaamd

[slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een (forse)

hersenkneuzing en/of geheugen- en/of concentratiestoornissen, of zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 30 juli 2008, te Stadskanaal,

als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de

Dr. Kinglaan, komende uit de richting van de Borgenweg, en toen in of ter

hoogte van of nabij een in die Dr. Kinglaan gelegen voor hem, verdachte, naar

rechts voerende (flauwe) bocht, met een snelheid van (tenminste) 84 kilometer

per uur, althans met een - gezien de omstandigheden ter plaatse - (veel) te

hoge snelheid heeft gereden en/of (vervolgens) de macht over het stuur heeft

verloren en met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig tegen een - gezien

verdachtes rijrichting - tegen een aan de linkerzijde van die Dr. Kinglaan

staande boom is gebotst of (aan)gereden, door welke gedraging(en) van

verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,

en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op het proces-verbaal van bevindingen, het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, de verklaring van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] en de verklaring van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er is geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit blijkt immers niet uit de verklaringen van de getuigen en ook niet uit het technisch bewijs. [getuige 1] – niet verdachte – heeft onvoorzichtig gereden door plots te versnellen toen verdachte hem aan het inhalen was, waardoor verdachte genoodzaakt was ook zijn snelheid te verhogen. De snelheid van 84 tot 127 kilometer per uur was noodzakelijk om [getuige 1] te kunnen inhalen.

De raadsman heeft betoogd dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van de volgende gang van zaken. Op 30 juli 2008 reed verdachte in een zwarte Volkswagen Golf over de Dr. Kinglaan te Stadskanaal, komende uit de richting van de Borgenweg. Naast hem in de auto zat [slachtoffer].[1] De ter plaatse toegestane maximumsnelheid was 50 kilometer per uur.[2] Voor verdachte reed [getuige 1] in een Opel Tigra.[3] Verdachte en [getuige 1] kwamen bij een versmalling in de Dr. Kinglaan. [getuige 1] minderde vaart. Na de versmalling te zijn gepasseerd trok [getuige 1] op. Verdachte is toen met zijn auto begonnen de Opel in te halen.[4] [getuige 1] reed op dat moment ongeveer 60 kilometer per uur. [getuige 1] en verdachte naderden een bocht naar rechts.[5] Verdachte kwam langszij en zag dat er in de bocht een tegenligger aankwam. Verdachte heeft gas bij gegeven en is de Opel gepasseerd, waarna hij strak naar rechts heeft gestuurd.[6] De snelheid van de Volkswagen was op dat moment ten minste 84 en ten hoogste 127 kilometer per uur.[7] Verdachte is toen de controle over de auto kwijtgeraakt en heeft getracht de auto weer onder controle te krijgen door naar links te sturen. Door deze stuurcorrectie in combinatie met de gereden snelheid is de Volkswagen vervolgens in een dwarsslip terechtgekomen.[8] De auto is daarna tegen een boom aan de linkerkant van de weg gebotst.[9] Als gevolg van deze aanrijding heeft [slachtoffer] een forse hersenkneuzing opgelopen.[10]

Voor het vaststellen van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de gedragingen van verdachte en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt in dat kader het volgende.

Verdachte heeft met zijn auto een inhaalmanoeuvre ondernomen zonder dat daar enige noodzaak toe bestond. Verdachte naderde op dat moment bovendien een bocht in de weg, die hij niet volledig kon overzien. Toen verdachte naast zijn voorligger reed en zag dat hem een tegenligger tegemoet kwam, besloot hij niet de inhaalmanoeuvre af te breken, maar gas bij te geven. Uit onderzoek ten behoeve van de Verkeersongevalsanalyse is vast komen te staan dat verdachte ten minste 84 kilometer per uur heeft gereden, waar 50 kilometer per uur de toegestane maximumsnelheid was. Vervolgens heeft verdachte abrupt naar rechts gestuurd en heeft hij de macht over het stuur verloren. De rechtbank beoordeelt dit handelen van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 30 juli 2008, te Stadskanaal, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Dr. Kinglaan, komende uit de richting van de Borgenweg, en toen nabij een in die Dr. Kinglaan gelegen voor hem, verdachte, naar rechts voerende bocht, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend met een snelheid van ten minste 84 kilometer per uur heeft gereden en vervolgens de macht over het stuur heeft verloren en met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig tegen een - gezien

verdachtes rijrichting - aan de linkerzijde van die Dr. Kinglaan staande boom is gebotst waardoor een inzittende van dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een forse hersenkneuzing, werd toegebracht.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen mocht achten, gepleit voor matiging van de door de officier van justitie gevorderde straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 1 december 2009, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 december 2009, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt door met een veel te hoge snelheid door de bebouwde kom te rijden en de macht over het stuur kwijt te raken. Ten gevolge van het ongeval is de bij verdachte in de auto zittende [slachtoffer] zwaar gewond geraakt. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door zijn gedrag niet alleen zichzelf en zijn bijrijder, maar ook zijn medeweggebruikers in gevaar heeft gebracht. Uit de Verkeersongevalsanalyse blijkt immers dat naast de weg een fietspad liep waar verdachte met zijn auto op terecht zou zijn gekomen indien hij niet tegen de boom tot stilstand was gekomen.

De rechtbank rekent het verdachte voorts aan dat hij zonder noodzaak op een plek waar hij de weg niet volledig kon overzien een inhaalmanoeuvre is begonnen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat deze manoeuvre was ingegeven doordat hij zich ergerde aan zijn voorligger en dat deze voorligger medeschuldig is aan het ongeval. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte er aldus blijk van gegeven onvoldoende inzicht te hebben in zijn eigen fouten. Ook heeft verdachte verklaard dat hij zijn rijstijl heeft aangepast, maar dat hij nog steeds dergelijke ergernissen op de weg ervaart. De rechtbank is er dan ook niet van overtuigd dat verdachte zijn rijgedrag echt heeft aangepast en heeft geleerd van het ongeval.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van na te melden duur passend en geboden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een rijontzegging moet worden opgelegd. De rechtbank zal een rijontzegging opleggen van langere duur dan door de officier van justitie gevorderd, aangezien de maatschappij hierbij naar het oordeel van de rechtbank, gezien hetgeen naar voren is gekomen omtrent verdachtes rijgedrag, is gebaat. Naast een onvoorwaardelijke rijontzegging van aanzienlijke duur is de rechtbank van oordeel dat er eveneens een voorwaardelijke rijontzegging van aanzienlijke duur dient te worden opgelegd. Na ommekomst van de onvoorwaardelijke rijontzegging dient verdachte zich dan bewust te blijven van zijn rijgedrag. Daar staat tegenover dat rechtbank meent dat met een lagere werkstraf dan gevorderd kan worden volstaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 120 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland;

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

18 maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van deze straf, groot 9 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mrs. H.L. Stuiver en

K.K. Lindenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.W. Mulder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2009.

--------------------------------------------------------------------------------

[1] Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 25 augustus 2008, opgenomen op pag. 18-20 van dossier nr. PL01PF/08-008380 d.d. 28 oktober 2008, inhoudende de verklaring van verdachte.

[2] Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 1 juli 2009, nr. 30.07.08.21.20.2552, inhoudende het relaas van verbalisanten.

[3] Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 augustus 2008, opgenomen op pag. 6-7 van het onder noot 1 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1].

[4] De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd.

[5] Zie onder noot 3.

[6] Zie onder noot 4.

[7] Een schriftelijk bescheid, zijnde een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met nummer 2009.02.05.133 d.d. 18 juni 2009, opgemaakt op ambtseed door de deskundige A.C.E. Spek.

[8] Zie onder noot 2.

[9] Zie onder noot 1.

[10] Een schriftelijk bescheid, zijnde een medische verklaring van de hulpverleningsdienst Groningen d.d. 12 maart 2009, opgemaakt door T. Naujocks, coördinerend forensisch arts, inhoudende de beschrijving van het letsel van [slachtoffer], opgenomen op pag. 25 van het onder noot 1 genoemde dossier.