Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK7228

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
111762 / JE RK 09-676 en 112750 / JE RK 09-813
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ots + uhp voor 6 mnd. Moeder verzet zich tegen de ots en uhp van haar twee kinderen. Zij heeft het vertrouwen in de hulpverlening en de rechtspraak verloren en wenst enkel mee te werken aan hulpverlening als er wordt gewerkt aan een thuisplaatsing. De kinderrechter zal een deskundige benoemen teneinde inzicht te krijgen in de persoon van moeder en de rol die zij al dan niet in de verzorging en opvoeding van haar kinderen kan vervullen. Het toekomstperspectief van de kinderen dient helder te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 111762 / JE RK 09-676 en 112750 / JE RK 09-813

beschikking kinderrechter d.d. 28 oktober 2009

inzake

* kind A en kind B.

De kinderen zijn verwekt via kunstmatige inseminatie, de vader van voornoemde kinderen is onbekend.

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarigen.

PROCESVERLOOP

Op 30 juli 2009 heeft de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSG), namens het bureau jeugdzorg, verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing (geregistreerd onder nummer 111762/JE RK -09-676) ingediend, gedateerd 29 juli 2009. Daarbij zijn overgelegd een raadsrapportage van 9 augustus 2007, de hulpverleningsplannen, verslagen van het verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, alsmede indicatiebesluiten.

Op 7 september 2009 zijn verzoeken van de moeder ontvangen tot opheffing van de ondertoezichtstelling (geregistreerd onder nummer 112750/JE RK 09-813) en tot opheffing van de uithuisplaatsing (geregistreerd onder nummer 112831/JE RK 09-823) van haar beide minderjarige kinderen.

Op 10 september 2009 is een verweerschrift (4 delen) van moeder ontvangen.

Op 15 september 2009 is een faxbericht ontvangen, waarin mr. A.H.R. Baas mededeelt dat hij zich als advocaat aan de zaak onttrekt.

De verzoeken zijn ter zitting van 18 september 2009 gevoegd behandeld. Bij beschikking van dezelfde datum is het verzoek van de moeder tot opheffing van de uithuisplaatsing niet-ontvankelijk verklaard, is de termijn van de ondertoezichtstelling met ingang van

6 oktober 2009 verlengd voor de duur van een maand, is de termijn van de uithuisplaatsing verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling en is de beslissing ten aanzien van de voor langere duur verzochte ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, alsmede de beslissing ten aanzien van het verzoek tot opheffen van de ondertoezichtstelling aangehouden.

Op 22 oktober 2009 is ontvangen van de raadsman van de moeder, mr. E. Henkelman, een afschrift van een tweetal rapportages betreffende een psychologisch onderzoek van de moeder.

Op 26 oktober 2009 is een aanvullende verweerschrift van de moeder met bijlagen ontvangen, waarin zij tevens aankondigt niet aanwezig te zullen zijn bij de behandeling van de zaken ter zitting van 28 oktober 2009.

Op 28 oktober 2009 heeft de kinderrechter de behandeling ter zitting voortgezet. Gehoord zijn daarbij: de raadsman van moeder, mr. E. Henkelman, de heer S.P. Winter namens de WSG en de heer R.C.M. Wouters namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

OVERWEGINGEN

Standpunt partijen

Standpunt van de WSG

De WSG handhaaft haar verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige [kind A.] en de minderjarige [kind B.].

De moeder heeft een belaste voorgeschiedenis; zij is seksueel misbruikt door haar vader, haar moeder vertoonde psychotisch gedrag en haar beide ouders hebben zelfmoord gepleegd. Uit onderzoek bij Accare blijkt dat de moeder lijdt aan autisme en een borderline persoonlijkheidsstoornis. De moeder is meermalen langdurig opgenomen in psychiatrische instellingen, vanwege onder meer psychoses. De moeder is onvoldoende in staat om aan te sluiten bij de behoeften en belevingswereld van haar kinderen, die ook ieder kampen met specifieke problematiek.

[kind A.] is een autistisch meisje van 9 jaar dat in de thuissituatie tot 2007 ontwikkelingsachterstanden heeft opgelopen.

De cognitieve achterstanden heeft zij, sinds haar uithuisplaatsing, ingelopen. [kind A.] wordt (onveranderd) in haar sociaal-emotionele ontwikkeling bedreigd. [kind A.] vertoont regelmatig probleemgedrag, zoals bonken met haar hoofd, wanneer zaken voor haar niet duidelijk zijn. Zij is zeer rigide en heeft een voorspelbare, gestructureerde omgeving nodig waarin zij begrensd kan worden.

[kind A.] vertoont zeer rigide gedrag, welk gedrag extra vaardigheden van haar opvoeders vraagt. Vanwege haar handicap en gedragsproblemen is zij aangewezen op AWBZ zorg.

[kind B.] is een jongentje van zes jaar, met ADHD en een autistische stoornis van het afwerende type. Er is sprake van een forse algemene ontwikkelingsachterstand en forse gedragsproblematiek. [kind B.] heeft last van ernstige driftbuien waarin hij andere mensen slaat, bijt en krabt. Ook vertoont hij risicovol gedrag voor zichzelf; hij bonkt met zijn hoofd en klautert op gevaarlijke plekken. [kind B.] heeft behoefte aan een duidelijke voorspelbare omgeving waarin hem voldoende (fysieke) veiligheid kan worden geboden. Zijn problematiek vraagt eveneens extra vaardigheden van zijn opvoeders. Hij is vanwege zijn handicap en ernstige gedragsproblematiek aangewezen op intramurale zorg.

De moeder vertoont sedert de ondertoezichtstelling van de kinderen onvoorspelbaar gedrag, waarbij zij haar eigen belang centraal stelt. Verzoeken om toestemming te verlenen voor het aanvragen van extra hulp voor de kinderen, worden door haar afgewezen. De moeder weigert elke samenwerking met de WSG, zolang er niet wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. Een thuisplaatsing is evenwel niet aan de orde.

De WSG heeft de Raad verzocht onderzoek in te stellen naar een verderstrekkende maatregel.

Standpunt van de Raad

De Raad heeft inderdaad een verzoek tot een verderstrekkende maatregel ontvangen. Er zal in dat verband een onderzoek ingesteld worden.

Standpunt van de moeder

De moeder kan zich (kort samengevat) niet verenigen met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van haar kinderen, om die reden verzoekt zij ook om opheffing. De moeder heeft geen vertrouwen in de WSG en de rechtspraak. Ook is zij het niet eens met de problematiek van de kinderen en van zichzelf, zoals die door de WSG wordt geschetst. Er wordt ten onrechte gebruik gemaakt van verouderde gegevens, er is sedert de ondertoezichtstelling nooit een gedegen onderzoek verricht, daarnaast heeft moeder haar verleden inmiddels verwerkt.

Namens de moeder van voornoemde minderjarigen heeft de raadsman aangevoerd dat de moeder het niet eens is met de gang van zaken in Nederland. De zaken zullen na afloop van de onderhavige zitting ook overgedragen worden aan een andere advocaat.

Gezien de zorgen omtrent de kinderen refereert de raadsman zich ten aanzien van de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing aan het oordeel van de kinderrechter.

De raadsman voert nog aan dat het de moeder frustreert dat de mogelijkheden tot terugplaatsing van de kinderen niet onderzocht worden. Daarnaast maakt de moeder zich zorgen omtrent het contact met de kinderen en omtrent het contact tussen de kinderen onderling. De moeder wil graag dat die contacten in stand blijven. Als laatste geeft de raadsman aan dat de moeder bereid is mee te werken aan een onderzoek, omdat ze graag de problemen uit het verleden de wereld uit wil helpen.

Beoordeling van de kinderrechter

Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt dat de moeder zich met hand en tand verzet tegen de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van haar kinderen. De moeder heeft haar vertrouwen in de WSG, maar ook in de rechtspraak verloren. Haar verzet lijdt ertoe dat zij op geen enkele manier wil meewerken met de WSG, zolang er niet wordt gewerkt aan een thuisplaatsing. De WSG is van mening dat daar, gelet op de problematiek van moeder en haar kinderen, geen sprake van kan zijn. De belaste voorgeschiedenis van moeder wordt daarbij als een risicofactor gezien.

Uit de stukken blijkt dat voorafgaand aan de uithuisplaatsing, jarenlang sprake is geweest van (grote) zorgen. Uit het Raadsrapport blijkt onder meer het volgende:

Met betrekking tot [kind A.]

- Accare stelt in juli 2002 vast dat sprake is van een ernstig autisme spectrumstoornis bij een zeer prikkelgevoelig meisje. Ook is sprake van een cognitieve achterstand;

- uit psychodiagnostisch onderzoek in november 2003 blijkt dat sprake is van forse contactproblemen en een ontwikkelingsachterstand van tien maanden;

- in mei 2004 volgt na een dag behandeling in de kliniek van Accare, een opname binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie. [kind A.] is daar opgenomen ter observatie vanwege ernstige gedragsproblematiek, extreme driftbuien en zelfbeschadigend bedrag;

Met betrekking tot [kind B.]

- in 2005 stelt Accare vast dat sprake is van een matig verstandelijk gehandicapte jongen met autisme van het afwerende type en ADHD, waarna hij vanaf augustus 2005 tot januari 2006 deelneemt aan een dagbehandeling op de Kliniek voor Kinderpsychiatrie;

- in 2007 wordt vastgesteld dat er sprake is van een forse algemene ontwikkelingsachterstand, autisme en ADHD;

- er is regelmatig sprake van agressieve buiten, waarbij hij mensen bijt;

Met betrekking tot de moeder

- haar vader heeft haar jarenlang seksueel misbruikt, was heel labiel en pleegde zelfmoord in 1986;

- haar moeder was ernstig psychotisch en pleegde zelfmoord in 1988;

- haar broertje is schizofreen en verblijft jarenlang in de psychiatrie;

- de moeder is verwaarloosd en mishandeld en vanaf haar 14e jaar uithuis geplaatst;

- de moeder is meermalen opgenomen in de psychiatrie, vanwege onder meer psychoses. Ook is in die tijd een borderline persoonlijkheidsstoornis vastgesteld;

- toen [kind A.] één jaar was is de moeder opgenomen nadat zij haar pols had doorgesneden. De moeder was (rand)psychotisch, achterdochtig, star, down en prikkelbaar;

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat voorts [kind A.] zich, sedert de uithuisplaatsing (inmiddels ruim twee jaar geleden), voorspoedig ontwikkelt. Zij heeft op cognitief gebied een enorme groei gemaakt, zij maakt gebruik van het reguliere onderwijs en ontwikkelt zich daar goed. Ook anderszins heeft zij haar achterstanden ingelopen. Haar gedragsproblemen zijn afgenomen. De zorgen om [kind B.] zijn evenwel onveranderd (erg) groot. [kind B.] verblijft in een zorginstelling, waarbij hij in zijn vrije tijd sterk afhankelijk is van een bedbox omdat hij zonder ogenschijnlijke aanleiding agressief wordt naar andere kinderen en uiterst risicovol gedrag vertoont. Hij spreekt nauwelijks en het is bijna onmogelijk om oogcontact met hem te krijgen.

Ten aanzien van moeder blijkt de kinderrechter dat zij zeer betrokken is bij haar kinderen en haar uiterste best doet om een goede moeder voor hen te zijn. Zij onderkent daarbij dat sprake is van problematiek en zij schakelt daar ook, ook uit eigen beweging, hulp voor in. De hulp stagneert echter omdat de moeder bij herhaling in strijd raakt met haar omgeving; vaak omdat zij het niet eens is met het beleid en de deskundigheid van mensen die professioneel bij haar of haar kinderen zijn betrokken. Ook met de WSG is de moeder in een strijd belandt met als gevolg dat de contacten tussen de moeder en de kinderen niet goed verlopen en de moeder bij herhaling weigert haar toestemming te geven voor extra zorg of onderzoek.

Het behoeft geen betoog dat deze strijd een belasting vormt voor de kinderen. Te meer daar de moeder ook ten overstaan van [kind A.] het pleeggezin waar zij verblijft, afkeurt en zij aan [kind A.] te kennen geeft dat zij binnenkort weer thuis komt wonen.

De kinderrechter is van oordeel dat er rust dient te komen in de situatie. Voor de moeder en de kinderen dient het toekomstperspectief helder te zijn. Op korte termijn dient duidelijk te worden wat de rol van de moeder kan zijn op korte en lange termijn met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen.

De moeder is in dat kader van mening dat er teveel wordt terug gegrepen op het verleden en ten onrechte gebruik wordt gemaakt van verouderde onderzoeksgegevens, met als gevolg dat ook van onjuiste diagnoses wordt uitgegaan. Ter ondersteuning van haar stelling heeft de moeder in 2009 zelf een psychologisch onderzoek laten verrichten, en de rechtbank een afschrift van de rapportages gestuurd. Blijkens deze rapportages komt de moeder naar voren als een vrouw die met beide voeten op de grond staat en prima in staat is problemen het hoofd te bieden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een borderline persoonlijkheidsstoornis of depressie. Ook is aangegeven dat er geen sprake lijkt te zijn van symptomen die passen bij schizofrenie of een psychotische stoornis, waarbij is aangetekend dat het gekozen meetsysteem slechts het functioneren van de afgelopen twee weken meet.

De kinderrechter zal gelet op de aanwezige strijd, het schadelijke effect daarvan op de kinderen en gelet op het grote verschil in visie van moeder en de WSG, zelfstandig een deskundige benoemen teneinde inzicht te krijgen in de persoon van moeder en de rol die zij al dan niet in de verzorging en opvoeding van haar kinderen kan vervullen. De kinderrechter is voornemens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) te benoemen als deskundige en de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:

Met betrekking tot de kinderen

- Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van de kinderen worden beschreven en wat zijn eventuele aandachtspunten?

- Indien blijkt dat er sprake is van een verstoorde ontwikkeling op één of meer ontwikkelingsgebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn?

- Is er sprake van een psychiatrische stoornis en/of ontwikkelingsachterstand bij de kinderen. Zo ja, maakt deze psychiatrische stoornis een onderzoek door een psychiater noodzakelijk om de verdere vraagstelling te kunnen beantwoorden?

Met betrekking tot de moeder

- Hoe is op basis van klinische impressies en psychologisch testonderzoek de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te beschrijven?

- Hoe kan het verstandelijke vermogen van de moeder op basis van klinische impressies en psychologisch testonderzoek beschreven worden?

- Is er sprake van een psychiatrische stoornis en/of ontwikkelingsachterstand bij de moeder? Zo ja, maakt deze psychiatrische stoornis een onderzoek door een psychiater noodzakelijk om de verdere vraagstelling te kunnen beantwoorden?

Algemeen

- Zijn er (contra)-indicaties voor opvoeding en verzorging in de thuissituatie, gelet op eventuele psychische en/of psychiatrische problematiek bij de moeder en/of de kinderen?

- In hoeverre is terugplaatsing (op korte of lange termijn) in het belang van de kinderen?

- Is hulpverlening aangewezen voor de kinderen en/of de moeder om terugplaatsing naar huis te verwezenlijken? Zo ja, welke?

- Indien hulpverlening is aangewezen, in welk juridisch kader dient deze plaats te vinden?

- In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

De kinderrechter gaat er vanuit dat de moeder haar medewerking aan het onderzoek verleent en merkt op dat wanneer de medewerking wordt geweigerd, de kinderrechter op basis van de huidige stukken, een beslissing over de verzoeken zal nemen. Onder medewerking wordt mede verstaan het verlenen van toestemming voor het ter beschikking stellen van de dossiers aan het NIFP, het doen van onderzoek van de moeder en -als het NIFP dat nodig acht - het doen van onderzoek van (één van) de kinderen en de afgifte van de rapportage van het NIFP aan de rechtbank en belanghebbenden.

De kinderrechter zal de moeder, de WSG en de Raad de gelegenheid geven om aanvullende vragen voor te stellen, en uiterlijk in te leveren ter griffie van deze rechtbank op

24 november 2009. Daarna zal de kinderrechter een vervolgbeschikking wijzen waarin de deskundige wordt benoemd met daarin opgenomen de definitieve vraagstelling.

De kinderrechter zal, in afwachting van het onderzoek, op grond van de verkregen informatie, zoals in opgemelde verzoeken aangegeven en ter terechtzitting aangevuld, in het belang van de minderjarigen de termijn van de ondertoezichtstelling met een half jaar verlengen, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn, alsmede de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een dag en nacht opvang met een half jaar verlengen in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

BESLISSING

verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarige kinderen A. en B.

met zes maanden, ingaande 6 november 2009, met behoud van de opdracht van de ondertoezichtstelling aan de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSG), te Amsterdam, p/a Postbus 12865, namens het bureau jeugdzorg;

verlengt voorts de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een dag en nacht opvang, met ingang van 6 november 2009 voor de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing over de langer verzochte duur van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, alsmede het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling aan in afwachting van het onderzoek van het NIFP, waarna de kinderrechter dag en uur zal bepalen voor de voortzetting van de behandeling;

stelt de belanghebbenden als voornoemd in de gelegenheid onderzoeksvragen te formuleren en deze vóór 24 november 2009 schriftelijk bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. K. Offerein-Hulshoff, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2009.