Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK6970

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-12-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
630523-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor drie personen die verdacht werden van het witwassen van geld. De rechtbank oordeelde dat niet was aangetoond dat het geld dat naar de Antillen werd verstuurd afkomstig was van een misdrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630523-07 (promis)

datum uitspraak: 17 december 2009

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. N.B. Swart

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats & -datum],

wonende te [woonplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 december 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met 14 november

2007, in de gemeente Groningen en/of in de gemeente Amsterdam, althans in

Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij,

toen en daar op verschillende tijdstippen (telkens) een of meer voorwerpen, te

weten een of meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 208.664 euro en

47.962 ANG -, althans een of meer geldbedragen, verworven, voorhanden gehad,

overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerpen, te weten een

of meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 208.664 euro en 47.962 ANG

-, althans een of meer geldbedragen, gebruik gemaakt, terwijl zij wist dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

waren/was uit enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met 14 november

2007, in de gemeente Groningen en/of in de gemeente Amsterdam, althans in

althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer voorwerpen, te weten een of

meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 208.664 euro en 47.962 ANG -,

althans een of meer geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad,

heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerpen, te weten

een of meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 208.664 euro en 47.962

ANG -, althans een of meer geldbedragen, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij

wist dat bovenomschreven voorwerp(en) (telkens) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met 14 november

2007, in de gemeente Groningen en/of in de gemeente Amsterdam, althans in

Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer voorwerpen, te weten een of

meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 208.664 euro en 47.962 ANG -,

althans een of meer geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad,

heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerpen, te weten

een of meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 208.664 euro en 47.962

ANG -, althans een of meer geldbedragen, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij

redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) (telkens) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

art 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij verwijst daartoe naar het proces-verbaal inzake verdachte transacties, waarin onder meer is geconstateerd dat verdachte voor een bedrag van

€ 208.664,- en 47.962,- ANG aan verdachte transacties heeft verricht. Verdachte heeft regelmatig voor een persoon genaamd [betrokkene 1] grote bedragen overgemaakt naar rekeningen van onbekende personen op de Nederlandse Antillen. De transacties vonden soms meerdere keren op een dag plaats. De grens, zoals vastgesteld in de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties, werd niet overschreden. Verdachte ontving voor elke transactie een beloning van € 50,-. In het proces-verbaal zijn voldoende aanknopingspunten aanwezig voor het vermoeden dat het geld afkomstig was uit misdrijven. Verdachte heeft geen vragen gesteld over de herkomst van het geld omdat zij dat niet wilde weten. De officier van justitie is derhalve van mening dat kan worden bewezen dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit misdrijf. Verdachte had feitelijke zeggenschap over de geldbedragen nu zij deze onder zich had en de geldbedragen via money-transfers overmaakte naar andere rekeningen.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de raadsvrouw betoogd dat in de tenlastelegging is opgenomen dat verdachte voorwerpen of geldbedragen voorhanden heeft gehad. Dit veronderstelt dat verdachte daarover feitelijke zeggenschap moet hebben gehad. Verdachte had echter geen zeggenschap nu de money-transfers steeds in aanwezigheid van [betrokkene 1] zijn gedaan.

Daarnaast kan niet worden bewezen dat de geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf. Er is alleen een lijst met indicatoren in het dossier opgenomen waaruit het vermoeden is voortgekomen dat er sprake is van illegaal geld.

Voorts kan niet worden bewezen dat verdachte wist, dan wel had moeten weten dat de geldbedragen afkomstig waren uit misdrijven. Verdachte woonde pas in Nederland en was niet op de hoogte van de gang van zaken hier te lande. Zij vertrouwde op haar broers en vermoedde niet dat zij zich inliet met verkeerde transacties.

Bovendien staat niet vast dat er sprake was van illegale transacties. Wellicht kon [betrokkene 1] niet zelf geldbedragen overmaken omdat hij geen paspoort had of was sprake van schulden. Het OM heeft verzuimd onderzoek te doen naar [betrokkene 1].

Beoordeling

Ter beoordeling aan de rechtbank ligt voor de vraag of verdachte schuldig is aan witwassen doordat zij geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet, dan wel daarvan gebruik gemaakt, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf .

Voor een bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde feit, in welke variant dan ook, moet bewezen worden dat het voorwerp in kwestie (in dit geval het geld dat werd overgemaakt) uit misdrijf afkomstig is. Het misdrijf behoeft niet nader te worden aangeduid of omschreven; volstaan kan worden met de vermelding dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Daarvan moet uit de bewijsmiddelen blijken.

Volgens vaste jurisprudentie is niet vereist dat kan worden bewezen door wie, wanneer en waar dat misdrijf is gepleegd. Eveneens volgens vaste jurisprudentie kan soms uit een feit van algemene bekendheid worden afgeleid dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is. In deze zaak is een omschrijving opgenomen van een aantal verdachte omstandigheden die een aanknopingspunt zouden bieden voor het vermoeden dat de door verdachte overgemaakte geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Die aanknopingspunten zijn de volgende:

- er is geen legale economische verklaring voor het wisselen cq versturen van grote geldbedragen via money-transfers;

- de transacties staan niet in verhouding tot de inkomsten;

- er is geen economische activiteit van verdachte bekend in het land waarmee transacties werden verricht;

- het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta;

- medeverdachte [medeverdachte 1] onderhoudt vermoedelijk contacten met [medeverdachte 2]en gebleken is dat [medeverdachte 2] in verband kan worden gebracht met het plegen van misdrijven (waaronder de Opiumwet) en verdachte transacties;

- medeverdachte [medeverdachte 1] kan in verband worden gebracht met het plegen van misdrijven;

- het verrichten van vele money-transfers vanuit Nederland naar verschillende personen in het Caribische gebied gaat dikwijls gepaard met de smokkel van cocaïne van het Caribische gebied naar Nederland;

- er is veelvuldig gebruik gemaakt van money-transfers terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat dit aanmerkelijk duurder is dan girale transacties;

- het was kennelijk de bedoeling om de meldgrens MOT te ontduiken.

Wat er ook zij van de opsomming van bovengenoemde aanknopingspunten, naar het oordeel van de rechtbank leveren die aanknopingspunten geen wettig bewijs op op grond waarvan kan worden afgeleid dat de desbetreffende geldbedragen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig waren als bedoeld in artikel 420bis lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht. Die aanknopingspunten, die hoogstens een vermoeden opleveren dat het geld uit enig misdrijf afkomstig zou zijn, zijn immers van algemene aard en worden in het strafdossier op geen enkele wijze bevestigd door concrete gegevens over mogelijke misdrijven. Er is geen enkel onderzoek ingesteld naar de achtergrond van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], de door verdachte en medeverdachten genoemde verstrekkers van de geldbedragen, terwijl in de verklaring die door één van de medeverdachten bij de politie is afgelegd, aanwijzingen worden gegeven over de identiteit van de verstrekkers. Ook overigens kan uit het dossier op geen enkele concrete wijze iets worden afgeleid over de relatie tussen de geldbedragen en delicten.

De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair, subsidiair dan wel meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het haar primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. S. Tempel, voorzitter, L.M.E. Kiezebrink en L.W. Janssen in tegenwoordigheid van mr. T.J. de Wind, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2009.