Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK6084

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
18/670398-09, 18/670336-09 en 18/670519-07 (tul) (ttzgev) (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen opzet of schuld ten aanzien van de te jeugdige leeftijd (15 jaar) vereist, nu de leeftijd bij het ten laste gelegde seksueel binnendringen geobjectiveerd is. Beroep op mededader met grotere rol bij drie vermogensfeiten, alleen gebaseerd op eigen verklaring van verdachte, wordt niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummers: 18/670398-09, 18/670336-09 en 18/670519-07 (tul) (ttzgev) (promis)

datum uitspraak: 23 november 2009

op tegenspraak

raadsman: mr. F.H. Kappelhof

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

(parketnummer 18/670398-09)

hij op of omstreeks 17 juli 2009, in de gemeente Delfzijl, in elk geval in het

arrondissement Groningen,

met een meisje, genaamd [aangeefster], die de leeftijd van twaalf jaren

maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer

ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte zijn, verdachtes, tong in de mond van die

[aangeefster] geduwd/gebracht en/of gehouden;

art 245 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 juli 2009, in de gemeente Delfzijl, in elk geval in het

arrondissement Gronigen,

met een meisje, genaamd [aangeefster], die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en)

heeft gepleegd, bestaande uit het geven van een tongzoen aan die [aangeefster] en/of het zuigen aan en/of kussen in de nek van die [aangeefster];

art 247 Wetboek van Strafrecht

(parketnummer 18/670336-09)

1.

hij op of omstreeks 22 augustus 2009, in de gemeente Delfzijl,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de

[adres] heeft weggenomen een digitale camera (Pentax, type Optio)

en/of een mobiele telefoon (Samsung) en/of een autosleutel en/of geld en/of

een oplader en/of een bij die woning staande personenauto (Peugeot, type 407),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever feit 1], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming en/of valse sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

Een ander op of omstreeks 22 augustus 2009, in de gemeente Delfzijl,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan

de [adres] heeft weggenomen een digitale camera (Pentax, type Optio)

en/of een mobiele telefoon (Samsung) en/of een autosleutel en/of geld en/of

een oplader en/of een bij die woning staande personenauto (Peugeot, type 407),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever feit 1], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan die ander en/of aan verdachte,

waarbij die ander zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft

en/of de/het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van braak, verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel, bij het plegen van

welk misdrijf verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest door in

de nabijheid, althans op enige afstand, te blijven wachten, teneinde die ander

in geval van onraad te waarschuwen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2009 tot en met 23 augustus

2009, in de gemeente(n) Delfzijl en/of Appingedam, in elk geval in Nederland,

een personenauto (Peugeot, type 407) en/of een mobiele telefoon (Samsung)

en/of een oplader en/of een digitale camera (Pentax, type Optio) heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto en/of mobiele

telefoon en/of oplader en/of camera wist, danwel redelijkerwijs had moeten

vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 22 augustus 2009, in de gemeente Delfzijl, om ongeveer

03.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een

woning gelegen aan de [adres] of op het besloten erf waarop die woning

staat,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening uit die woning en/of bij die woning behorende

garage weg te nemen goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever feit 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), op genoemd tijdstip een garagedeur van die woning heeft geopend,

zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

een ander op of omstreeks 22 augustus 2009, in de gemeente Delfzijl, om

ongeveer 03.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,

in een woning gelegen aan de [adres] of op het besloten erf waarop die

woning staat,

ter uitvoering van het door die ander voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening uit die woning en/of bij die woning

behorende garage weg te nemen goederen, geheel of ten dele behorende aan

[aangever feit 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die ander en/of

aan verdachte, de garagedeur van die woning heeft geopend, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij het plegen van

welk misdrijf verdachte toen en aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest door

in de nabijheid, althans op enige afstand, te blijven wachten, teneinde die

ander in geval van onraad te waarschuwen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

A.

hij op of omstreeks 15 augustus 2009, in de gemeente Appingedam,

[aangeefster 1 feit 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

een vuurwapen, althans een voorwerp, tegen de nek/hals, althans het lichaam,

van die [aangeefster 1 feit 3] gezet en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd :

"Ik weet waar je woont. Pas maar op waar je loopt, anders maak ik je dood",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

EN/OF

B.

hij op of omstreeks 22 augustus 2009, in de gemeente Appingedam,

[aangeefster 2 feit 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

een vuurwapen, althans een voorwerp, tegen de nek/hals en/of hoofd, althans

het lichaam, van die [aangeefster 2 feit 3] gezet, althans een vuurwapen heeft getoond aan die

[aangeefster 2 feit 3] en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Je moet dit niet

doorvertellen, ook niet dat ik dealer ben" en/of "Als je dit vertelt gaat er

wat met je gebeuren" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2009 tot en met 20 augustus

2009, in de gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schuur behorende

bij een woning aan de [adres], een minibike, heeft weggenomen, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever feit 4], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte

en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

Een ander in of omstreeks de periode van 19 augustus 2009 tot en met 20

augustus 2009, in de gemeente Delfzijl, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een schuur behorende bij een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een minibike, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever feit 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die

ander en/of aan verdachte, waarbij die ander zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed onder zijn bereik

heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij het

plegen van welk misdrijf verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is

geweest door in de nabijheid, althans op enige afstand, te blijven wachten,

teneinde die ander in geval van onraad te waarschuwen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

(parketnummer 670320-09)

hij op of omstreeks 26 juli 2009, in de gemeente Appingedam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een garage behorende bij een

woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een personenauto

(Citroen, type Xantia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever feit 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag met betrekking tot parketnummer 670398-09

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het staat vast dat verdachte [aangeefster], die op dat moment 15 jaar was, een tongzoen heeft gegeven. Volgens de Hoge Raad levert een tongzoen seksueel binnendringen op. Bovendien is de leeftijd van het slachtoffer een geobjectiveerd bestanddeel van de tenlastelegging en verdachte kan zich dan ook niet beroepen op verontschuldigbare dwaling over die leeftijd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat, naar de letter van de wet, de rechtbank primair tot een veroordeling kan komen. Desondanks heeft de raadsman benadrukt dat er geen sprake is geweest van dwang, zoals het slachtoffer heeft verklaard. De in het dossier aanwezige foto en de verklaring van de moeder van [voornaam aangeefster] komen overeen met de verklaring van verdachte dat hij [voornaam aangeefster] nergens toe heeft gedwongen. Het is te kort door de bocht om alle verklaringen van verdachte als onwaar te beschouwen. Dit dient meegenomen te worden in de beoordeling van de overige feiten.

Beoordeling

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Vast staat dat verdachte het slachtoffer een tongzoen heeft gegeven. Vast staat ook dat het slachtoffer ten tijde van de tongzoen 15 jaar was. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer hem heeft verteld dat ze 16 jaar was. De rechtbank merkt hieromtrent op dat opzet of schuld ten aanzien van de te jeugdige leeftijd niet wordt vereist, nu de leeftijd bij het onderhavige ten laste gelegde misdrijf geobjectiveerd is. Omdat ook de rechtbank een tongzoen als seksueel

binnendringen ziet, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het feit acht geslagen op de volgende bewijs-middelen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] d.d. 18 juli 2009, opgenomen op pagina 18 e.v. van dossier nr. PL01ME/2009071661 d.d. 30 september 2009.

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd.

Bewijsvraag met betrekking tot parketnummer 670336-09, feiten 1 en 2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat met betrekking tot beide feiten het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft dit gebaseerd op de aangiften, de getuigenverklaring van [getuige 1] en de eigen verklaringen van verdachte.

Verdachte heeft beide feiten gepleegd met [medeverdachte]. Van tevoren is afgesproken dat mededader [medeverdachte] een fiets zou stelen. Verdachte heeft zijn fiets weggezet en heeft op de uitkijk gestaan. Toen het bij de ene woning (feit 2) niet lukte, zijn verdachte en [medeverdachte] naar de volgende woning (feit 1) gegaan. Hier zijn onder andere een auto en een telefoon weggenomen, waarvan verdachte veelvuldig gebruik maakt. Hoewel [medeverdachte] verder is gegaan dan was gepland, is verdachte – volgens vaste jurisprudentie – toch aansprakelijk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat ten aanzien van feit 1 de heling kan worden bewezen van de auto en telefoon, zoals is ten laste gelegd onder meer subsidiair. Er is geen bewijs voor diefstal. Getuige [getuige 2] heeft slechts één persoon gezien. Niet kan worden bewezen dat verdachte een actieve rol heeft gespeeld door op de uitkijk te staan. Verdachte zat op een bankje. Dat er afspraken zijn gemaakt tussen verdachte en [medeverdachte] valt niet af te leiden uit het proces-verbaal.

Ook met betrekking tot feit 2 was geen sprake van afspraken of een rolverdeling tussen verdachte en [medeverdachte]. Verdachte heeft alleen op de uitkijk gestaan, zodat het subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden. De raadsman heeft gewezen op de verklaring van getuige [getuige 1], die één persoon heeft gezien, welke persoon geheel in het zwart was gekleed. Deze omschrijving komt overeen met de omschrijving die verdachte van [medeverdachte] heeft gegeven bij de politie. Verdachte wist op dat moment niet wat de bedoeling van de politie was toen hem werd gevraagd naar de kleding die [medeverdachte] droeg.

Dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd bij de politie, mag hem niet worden toegerekend.

Beoordeling

De kleine rol die verdachte zichzelf toebedeelt, namelijk op de uitkijk staan en op een bankje zitten terwijl [medeverdachte] de feiten pleegt, is naar het oordeel van de rechtbank slechts gebaseerd op zijn eigen verklaringen die bovendien niet consistent zijn. Dat [medeverdachte] erbij betrokken was, wordt niet gestaafd door ander bewijs. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verdachte deze feiten alleen heeft gepleegd. Zijn betrokkenheid blijkt in ieder geval uit zijn eigen verklaring dat hij op het moment dat de feiten gepleegd werden ter plekke was. Getuige [getuige 1] heeft maar één persoon zien wegrennen. Daarbij komt dat verdachte tegenover getuige [aangeefster 1 feit 3] heeft doen voorkomen dat de auto, die bij feit 1 is weggenomen, van hem was, terwijl de sleutels van de auto zijn aangetroffen bij verdachte. In de auto zijn bierblikken aangetroffen van het merk Euroshopper, het merk bier dat door verdachte wordt gedronken. Bovendien is ter plaatse een zwarte opoefiets met zwarte fietstassen aangetroffen en heeft verdacht erkend zijn fiets – een opoefiets met zwarte fietstassen – op die plek te hebben achtergelaten. Met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank nog dat geen sprake is van braak, nu er geen braakschade is ontstaan of braaksporen zijn aangetroffen en aangever heeft verklaard dat er enige speling op de garagedeuren zat, waardoor het mogelijk zou kunnen zijn om de deuren met behoorlijke kracht open te trekken als deze op slot zitten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich, alleen, heeft schuldig gemaakt aan diefstal (feit 1) en een poging tot diefstal (feit 2).

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de feiten 1 en 2 acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. Daarbij is ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen slechts gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever feit 1] d.d. 25 augustus 2009, opgenomen op pagina 66 e.v. van dossier nr. PL01ME/2009085619 d.d. 28 augustus 2009 (hierna: het dossier), voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ik woon aan de [adres] te Delfzijl. Vannacht, zaterdag 22 augustus 2009, omstreeks 03.50 uur, werd mijn vrouw wakker van een klappende deur in onze woning en lawaai buiten. Zij zag dat onze personenauto onder de carport weggenomen was. Gegevens van de personenauto: merk Peugeot, type 407, kleur grijs, kenteken [kenteken].

Wij zagen dat er een aantal goederen weggenomen was uit onze woning. Wij merkten dat er een autosleutel van onze personenauto weggenomen was. Uit een portemonnee is een geldbedrag weggenomen. Tevens is er een digitale fotocamera, een mobiele telefoon en een lader weggenomen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 23 augustus 2009, opgenomen op pagina 79 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Gisteren, 22 augustus 2009, zag ik tegen 19.15 uur [verdachte] in een grijze Peugeot 407, voorzien van het kenteken 59-PK-JS. Ik zag dat [verdachte] alleen in deze auto was. Vandaag zag ik dat [verdachte] in de eerder genoemde gestolen auto reed. Ik zag dat hij alleen in deze auto zat.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [aangeefster 1 feit 3] d.d. 23 augustus 2009, opgenomen op pagina 91 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ik kan u nog wat vertellen over de auto van [voornaam verdachte]. Dat is een grijze auto. Ik heb gehoord van [voornaam verdachte] dat hij die auto had gekocht.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever feit 2] d.d. 23 augustus 2009, opgenomen op pagina 79 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ik doe aangifte van poging tot diefstal namens mijn ouders. Het feit werd op de [adres], Delfzijl gepleegd. Vanmorgen, 22 augustus 2009 werd ik gebeld door de buurman van mijn ouders. Hij vertelde mij dat er om 03.00 uur iemand de garagedeur opende. De dader ging ervandoor.

Toen ik kwam aanrijden op de [straatnaam] zag ik naast de heg van perceel 11 een zwarte fiets staan. Deze fiets is waarschijnlijk door de dader achtergelaten. Het is een opoefiets, zwart van kleur, zwarte fietstassen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 22 augustus 2009, opgenomen op pagina 88 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Vanmorgen, 22 augustus 2009, omstreeks 03.00 uur hoorde ik de garagedeur van de buren opengaan. Ik keek naar buiten en ik zag iemand staan. Ik zag dat de dader ervandoor rende.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt stam proces-verbaal d.d. 28 augustus 2009, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

De volgende goederen werden bij of in de nabijheid van de verdachten aangetroffen:

- personenauto merk Peugeot, voorzien van het kenteken [kenteken]. De sleutels van de auto werden bij [achternaam verdachte] aangetroffen.

- telefoon, welke was weggenomen bij de inbraak aan de [adres feit 1], aangetroffen bij [achternaam verdachte].

Ook werden in de auto bierblikken aangetroffen van het merk Euroshopper.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 augustus 2009, opgenomen op pagina 112 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

U vraagt mij wat voor merk bier ik drink. Heineken of halve liter blikken shopper, het goedkope merk van de Albert Heijn.

Die auto kwam uit Delfzijl. Oké, ik was erbij. Ik heb mijn zwarte omafiets met fietstassen achtergelaten. Het was een paar dagen geleden. Ik ben in de auto gestapt en heb de fiets achtergelaten. Het was ’s nachts.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 augustus 2009, opgenomen op pagina 115 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ik heb een mobiele telefoon, een Samsung C130, in mijn fouillering. Ik heb daar mijn eigen simkaart in gedaan. Volgens mij ligt de oplader bij [voornaam medeverdachte] in huis. Wij kregen de camera niet eens aan.

Bewijsvraag met betrekking tot feit 3, A en B

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangiften, de eigen verklaring van verdachte en de verklaring van getuige [getuige 4]. De verklaringen van aangeefsters zijn gedetailleerd, terwijl [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte constant met het wapen te koop liep. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat [getuige 4], in tegenstelling tot alle anderen, niet heeft gelogen tegen de politie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, gelet op de ontkenning van verdachte. De raadsman acht de verklaringen van aangeefster [aangeefster 1 feit 3] ongeloofwaardig. Onder verwijzing naar hetgeen hij hieromtrent met betrekking tot feit 1 heeft aangevoerd, is de raadsman van mening dat de rechtbank de verdachte moet geloven als hij zegt dat hij beide aangeefsters niet met een wapen heeft bedreigd.

Beoordeling

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangeefster 1 feit 3] en [aangeefster 2 feit 3] heeft bedreigd met een vuurwapen. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de gedetailleerde verklaringen van beide aangeefsters. Deze verklaringen worden ondersteund door de eigen verklaring van verdachte d.d. 24 augustus 2009 en de getuigenverklaringen van [getuige 4] en [getuige 5].

De rechtbank heeft bij de beoordeling van feit 3, A en B acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1 feit 3] d.d. 23 augustus 2009, opgenomen op pagina 91 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Op vrijdag 14 augustus 2009 was ik aan het stappen in Appingedam. Omstreeks 01.00 uur kwam [verdachte] bij het speeltuintje. Ik zag toen dat hij iets uit zijn broeksband pakte. Vervolgens voelde ik dat er iets in mijn nek werd gezet. Hij zei daarbij het volgende: “Ik weet waar je woont. Pas maar op waar je loopt, anders maak ik je dood”. Ik werd hierop heel bang.

Ik ben er zeker van dat het een vuurwapen was, want het is bekend dat hij met vuurwapens en messen rondloopt.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2 feit 3] d.d. 26 augustus 2009, opgenomen op pagina 97 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Op zaterdag 22 augustus 2009 was ik in de speeltuin te Appingedam. [voornaam verdachte] heeft mij toen bedreigd met een pistool. [voornaam verdachte] haalde een pistool uit zijn broekband. [voornaam verdachte] heeft dat pistool toen tegen de rechter zijkant van mijn hoofd gezet en vervolgens tegen de rechter zijkant van mijn nek. [voornaam verdachte] heeft toen tegen mij gezegd: “Je moet dit niet doorvertellen, ook niet dat ik dealer ben”. Ik voelde mij echt bedreigd.

[voornaam verdachte] zei tijdens de bedreiging ook tegen mij: “Als je dit vertelt, gaat er wat met je gebeuren”. Ik voelde mij op dat moment ook echt bedreigd door [voornaam verdachte].

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] d.d. 20 augustus 2009, opgenomen op pagina 131 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ongeveer anderhalve week terug heeft [voornaam verdachte] mij verteld dat hij in het bezit is van een vuurwapen. Hij heeft dit wapen toen ook aan mij laten zien. [voornaam verdachte] heeft gisteren inderdaad het vuurwapen ook nog in zijn handen gehad en laten zien aan [voornaam getuige]. Volgens mij haalde hij het vuurwapen uit zijn broeksband. Hij loopt er constant mee te koop.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 5] d.d. 25 augustus 2009, opgenomen op pagina 134 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

[voornaam verdachte] heeft al een keer tegen mij gezegd dat als ik nog praatjes rond zou strooien, hij, [voornaam verdachte], een kogel door mijn kop zou steken. Ik voelde mij eigenlijk best bedreigd door zijn woorden en zijn houding. [voornaam verdachte] kan op die manier erg dwingend en dreigend overkomen.

Ik heb meerdere keren een zwart vuurwapen bij [voornaam verdachte] in de broekband gezien. Ik heb dit wapen de vorige week nog gezien, volgens mij was dat afgelopen donderdag of vrijdag.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 augustus 2009, opgenomen op pagina 108 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ik heb wel eens tegen [aangeefster 2 feit 3] of [aangeefster 1 feit 3] met het wapen gezegd dat ze normaal moest doen en dat ze anders klappen kreeg.

Bewijsvraag met betrekking tot feit 4

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde, medeplegen van diefstal van een minibike door middel van braak, wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte en de verklaring van verdachte dat hij op de uitkijk stond, terwijl [mededader] de minibike heeft gestolen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat verdachte in ieder geval behulpzaam is geweest bij de inbraak, zodat het subsidiair ten laste gelegde – medeplichtigheid – bewezen kan worden. Omdat verdachte heeft gedeeld in de opbrengst, kan wellicht ook het primair ten laste gelegde bewezen worden.

Beoordeling

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zelf de minibike heeft weggenomen. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige 6] en het proces-verbaal bevindingen d.d. 24 augustus 2009. Uit geen van deze bewijsmiddelen komt de betrokkenheid van [mededader] naar voren. Verdachte heeft wederom een fiets achtergelaten en heeft bovendien de minibike verkocht.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van feit 4 acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever feit 4] d.d. 21 augustus 2009, opgenomen op pagina 54 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Op woensdag 19 augustus 2009 was ik thuis. Ik heb toen de minibike nog in de schuur zien staan. Ik heb de schuur afgesloten achter gelaten. Op donderdag 20 augustus 2009 zag ik dat de deur van mijn schuur was opengebroken en dat mijn minibike was gestolen. Ik woon aan de [adres] te Delfzijl. Achter mijn woning staat een schuurtje, deze staat los van de woning. De deur van mijn schuur is opengebroken. Het kozijn van de deur is hierbij vernield. De minibike is een rode minibike met 110cc en vier versnellingen.

Ik wil u nog verklaren dat een maand geleden [verdachte] bij mij was. [voornaam verdachte] vond mijn minibike erg mooi. Toen ik merkte dat mijn minibike was gestolen zag ik een leeg blik bier bij de deur van de schuur staan. Dit is een blikje bier van Euroshopper met een inhoud van 0,5 liter. Ik weet dat [verdachte] dit bier altijd drinkt.

Ik heb mijn achterbuurman gebeld en vroeg aan hem of hij [verdachte] die avond had gezien. Hij zei tegen mij dat hij [voornaam verdachte] had gezien met nog twee andere jongens. Verder zei mijn achterbuurman dat de drie jongens op de fiets waren. Een van die fietsen is blijven staan.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] d.d. 25 augustus 2009, opgenomen op pagina 59 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

[voornaam verdachte] vertelde mij dat hij een pit-bike had, een motorvoertuig dat lijkt op een minibike, maar dan iets groter. Deze heeft versnellingen. De pit-bike is rood van kleur.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal bevindingen d.d. 24 augustus 2009, opgenomen op pagina 64 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ik, verbalisant Rodenboog, heb telefonisch gesproken met de getuige welke opgaf te zijn [getuige 7]. Getuige verklaarde mij dat op vrijdag 21 augustus 2009 de hem bekende [voornaam verdachte] bij hem langs was geweest en hem een soort minibike, zijnde model crossmotor, had getoond.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 augustus 2009, opgenomen op pagina 115 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Dirk had inderdaad een minibike. U zegt mij dat er wederom een fiets is achtergebleven. Die fiets was oorspronkelijk van mij. U vraagt mij hoe deze diefstal plaatsvond. Het was ongeveer een week geleden. Ik heb de minibike verkocht.

Bewijsvraag met betrekking tot feit 5

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met [mededader] heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een personenauto door middel van inklimming en een valse sleutel. De officier van justitie heeft de bewezenverklaring gegrond op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Standpunt van de verdediging

Ook de raadsman acht medeplegen wettig en overtuigend bewezen, gezien de rolverdeling.

Beoordeling

Anders dan de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank niet bewezen dat er sprake is van medeplegen. Op basis van de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige 8] – de broer van verdachte – en de verklaring van verdachte dat hij ter plekke was komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte alleen was toen hij de Citroën Xantia wegnam. Dat [mededader] bij de diefstal was betrokken, zoals verdachte heeft verklaard, is niet aannemelijk geworden.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van feit 5 acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever feit 5] d.d. 4 augustus 2009, opgenomen op pagina 40 e.v. van dossier nr. PL01ME/2009076956 d.d. 4 augustus 2009, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ik doe aangifte van diefstal van mijn auto. Mijn auto stond al sinds drie weken in de garage. Mijn woning (boerderij) is te bereiken via een laan vanaf de [straatnaam]. De garage is middels een kanteldeur afgesloten, maar het slot is kapot. Ik had daarom de autosleutels weggeborgen. Men heeft de sleutels wel gevonden. Weggenomen werd een personenauto, merk/type Citroën Xantia, kleur groen, kenteken [kenteken].

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 8] d.d. 29 juli 2009, opgenomen op pagina 44 e.v. van voormeld dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Op 29 juli 2009 bevond ik mij in mijn woning in Delfzijl. Ik zag een groene Citroën Xantia op de parkeerplaats en zag dat [verdachte] achter het stuur zat.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 30 juli 2009, opgenomen op pagina 53 e.v. van voormeld dossier, voor zover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Vlabij de Opwierderkerk was een boerderij. In de garage stond een auto, te weten een groene Citroën Xantia. De auto was niet afgesloten. Voornamelijk ik heb in de auto gereden.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 670398-09 primair en in de zaak met parketnummer 670336-09 onder 1 primair, 2 primair, 3A, 3B, 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

(parketnummer 18/670398-09)

hij op 17 juli 2009 in de gemeente Delfzijl met een meisje, genaamd [aangeefster], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een

ontuchtige handeling heeft gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte zijn, verdachtes, tong in de mond van die [aangeefster] gebracht en gehouden;

(parketnummer 18/670336-09)

1.

hij op 22 augustus 2009 in de gemeente Delfzijl, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen een digitale camera (Pentax, type Optio) en een mobiele telefoon (Samsung) en een autosleutel en geld en een oplader en een bij die woning staande personenauto (Peugeot, type 407), toebehorende aan [aangever feit 1];

2.

hij op 22 augustus 2009 in de gemeente Delfzijl om ongeveer 03.00 uur in een woning gelegen aan de [adres] of op het besloten erf waarop die woning staat, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit die woning en/of bij die woning behorende garage weg te nemen goederen, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, op genoemd tijdstip een garagedeur van die woning heeft geopend, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;

3.

A.

hij op 15 augustus 2009 in de gemeente Appingedam [aangeefster 1 feit 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen tegen de nek/hals van die [aangeefster 1 feit 3] gezet en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik weet waar je woont. Pas maar op waar je loopt, anders maak ik je dood",

EN

B.

hij op 22 augustus 2009 in de gemeente Appingedam [aangeefster 2 feit 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen tegen de nek/hals en hoofd van die [aangeefster 2 feit 3] gezet en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd : "Je moet dit niet doorvertellen, ook niet dat ik dealer ben" en "Als je dit vertelt gaat er wat met je gebeuren";

4.

hij in de periode van 19 augustus 2009 tot en met 20 augustus 2009 in de gemeente Delfzijl, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schuur behorende bij een woning aan de [adres], een minibike heeft weggenomen, toebehorende aan [aangever feit 4], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

5.

hij op 26 juli 2009 in de gemeente Appingedam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een garage behorende bij een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een personenauto (Citroën, type Xantia), toebehorende aan [aangever feit 5], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen in de zaak met parketnummer 670398-09 primair en in de zaak met parketnummer 670336-09 onder 1 primair, 2 primair, 3A, 3B, 4 primair en 5 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

(parketnummer 18/670398-09)

primair met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

(parketnummer 18/670336-09)

1. primair diefstal;

2. primair poging tot diefstal;

3. A bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht

en

B bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht;

4. primair diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5. diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/670398-09 primair en in de zaak met parketnummer 18/670336-09 onder 1 primair, 2 primair, 3A, 3B, 4 primair en 5 ten laste gelegde en de ad informandum gevoegde feiten wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de veelheid aan feiten en de ernst daarvan. Een voorwaardelijke straf is niet meer aan de orde. Verdachte liep in een proeftijd en heeft de kansen die hem tijdens zijn schorsing zijn geboden niet aangegrepen. Hij toont geen berouw en is zich niet bewust van hetgeen hij de slachtoffers heeft aangedaan. Bovendien is verdachte niet gemotiveerd hulp te ontvangen. Eerdere hulp bij zijn alcoholverslaving heeft verdachte naast zich neergelegd. Mocht verdachte wel bereid zijn aan zijn toekomst te werken, kan dat in het kader van een penitentiair programma.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, gepleit voor een werkstraf met eventueel daarnaast een voorwaardelijke straf.

Bij vonnis van 15 september 2008 heeft de rechtbank een lange voorwaardelijke straf opgelegd vanwege de zwakbegaafdheid van verdachte. De rechtbank dient hier nu ook rekening mee te houden. Ook moet rekening worden gehouden met de tenuitvoerlegging van bedoelde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 10 maanden. De raadsman heeft aangegeven dat de ad informandum gevoegde feiten door de rechtbank kunnen worden meegenomen bij de bepaling van de straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en die door verdachte zijn erkend.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zevental feiten. Hij heeft een meisje van 15 jaar een tongzoen gegeven, terwijl verdachte op dat moment zelf 22 jaar was. Daarnaast heeft hij een aantal diefstallen gepleegd, één door middel van braak en één door middel van een valse sleutel. Ook heeft hij ’s nachts een poging tot diefstal uit een woning gepleegd. Diefstallen en inbraken zijn ergerlijke feiten, die niet alleen schade veroorzaken maar ook voor onveilige gevoelens bij de slachtoffers zorgen.

Tenslotte heeft verdachte twee meisjes bedreigd met een vuurwapen. Eén van de slachtoffers was 13 jaar. Vooral dit laatste feit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Dergelijke feiten roepen bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid op.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 oktober 2009 heeft hij zich eerder schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten. Daar komt bij dat verdachte zich ten tijde van de thans bewezen verklaarde feiten in een proeftijd bevond.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf, zoals verzocht door de raadsman, als strafmodaliteit een gepasseerd station is en dat een gevangenisstraf dient te worden opgelegd.

De rechtbank acht een voorwaardelijke straf niet aan de orde, gelet op het gebrek aan motivatie bij verdachte om gebruik te maken van de hulpverlening.

Verdachte is op 15 september 2008 door deze rechtbank veroordeeld tot een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar aanwijzingen van de reclassering (VNN), ook als dat inhoudt dat hij een klinische behandeling ondergaat. VNN zet in een reclasseringadvies d.d. 4 november 2009 uiteen dat verdachte zich onvoldoende gemotiveerd heeft getoond, zodat een hulpverleningstraject niet van de grond is gekomen. Daarnaast heeft verdachte zich niet aan de voorwaarden gehouden, die waren opgelegd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis, door niet mee te werken aan een opname in het IMC te Eelde. Verdachte heeft aldus geen gebruik gemaakt van de hem geboden behandelingsmogelijkheden. Op de zitting heeft verdachte nogmaals verklaard geen hulp te willen.

Omdat de rechtbank ten aanzien van een viertal feiten niet bewezen acht dat verdachte deze heeft gepleegd met een ander en er met betrekking tot die feiten derhalve in die zin geen sprake is van strafverzwarende omstandigheden, komt de rechtbank tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie gevorderd.

Vorderingen van de benadeelde partijen

(parketnummer 18/670336-09)

Met betrekking tot feit 1 heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd

[aangever feit 1], wonende te Delfzijl.

[aangever feit 1] heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het bedrag aan immateriële schade ad € 300,00 reëel en goed onderbouwd en heeft gevorderd dat dit bedrag zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het overige deel van de vordering, de materiële schade ad € 960,69, is niet duidelijk of dit bedrag is vergoed door de verzekering. [aangever feit 1] heeft aangegeven dit bedrag te hebben gemeld bij zijn inboedelverzekering. Als de schade is vergoed door de verzekering, kan deze niet meer strafrechtelijk worden gevorderd. [aangever feit 1] dient dan ook in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat [aangever feit 1] niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard, omdat verdachte geen betrokkenheid bij dit feit heeft gehad.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan [aangever feit 1] door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 300,00. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd. Dit betreft de post immateriële schade.

Het overige gedeelte van de vordering is naar het oordeel van de rechtbank niet van zodanig eenvoudige aard, dat dit zich leent voor behandeling in dit strafproces, aangezien niet is komen vast te staan welk bedrag door de verzekering is vergoed. Dit betreft de post materiële schade ad € 960,69.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat [aangever feit 1] in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Met betrekking tot feit 5 heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd

[aangever feit 5], wonende te Appingedam.

[aangever feit 5] heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 80,90. Dit bedrag is met een nota voldoende onderbouwd. De officier van justitie heeft gevorderd dat dit bedrag zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige deel van de vordering, de post “2 werkoveralls”, is niet onderbouwd en de waarde van de overalls is dan ook moeilijk vast te stellen. [aangever feit 5] dient in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan [aangever feit 5] door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 80,90. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank afwijzen. Dit deel is van de vordering is onvoldoende onderbouwd. De gestelde schade is derhalve niet aannemelijk geworden. Dit betreft de post “2 werkoveralls”.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemde geldbedragen ten behoeve van de benadeelde partijen aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht en het belang van de benadeelde partijen ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

onder parketnummer: 18/670519-07

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 15 september 2008, gewezen door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, is verdachte veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de reclassering, VNN, ook als dat inhoudt een opname voor een periode van maximaal 7 maanden in de Breegweestee te Eelde. Bij vordering d.d. 16 juni 2009 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf, omdat verdachte zich niet aan de opgelegde bijzondere voorwaarde heeft gehouden.

Blijkens het eerdergenoemde reclasseringsadvies van 4 november 2009 heeft verdachte zich niet aan de opgelegde bijzondere voorwaarde gehouden, die inhield dat hij zich tijdens de proeftijd moest houden aan de voorschriften en aanwijzingen van VNN. De rechtbank zal op grond daarvan de tenuitvoerlegging gelasten van de aan verdachte bij voornoemd vonnis van 15 september 2008 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 10 maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 24c, 36f, 45, 57, 245, 285, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/670398-09 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/670336-09 onder 1 primair, 2 primair, 3A, 3B, 4 primair en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/670398-09 primair en het in de zaak met parketnummer 18/670336-09 onder 1 primair, 2 primair, 3A, 3B, 4 primair en 5 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever feit 1], wonende te Delfzijl, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 300,00 (zegge: driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2009.

Verklaart [aangever feit 1] voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door [aangever feit 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 300,00 (zegge: driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente, ten behoeve van de benadeelde partij [aangever feit 1], wonende te Delfzijl, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever feit 5], wonende te Appingedam, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 80,90 (zegge: tachtig euro en negentig cent).

Verklaart [aangever feit 5] voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door [aangever feit 5] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 80,90 (zegge: tachtig euro en negentig cent) ten behoeve van de benadeelde partij [aangever feit 5], wonende te Appingedam, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenver-melde bedragen ten behoeve van de benadeelde partijen, dan vervalt de verplichting om deze bedragen aan de benadeelde partijen te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vorderingen van de benadeelde partijen betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van deze bedragen aan de Staat.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van het vonnis van bovengenoemde rechtbank d.d. 15 september 2008 onder parketnummer 18/670519-07, voor zover betreft de toen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.W. Janssen, voorzitter, P.H.M. Smeets en

G. Laman, in tegenwoordigheid van A.W. ten Have-Imminga als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 november 2009.