Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK5720

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
381144 CV EXPL 08-6818
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Berkening van de waarde van de premievrije pensioenaanspraak door werkgever en verzekeraar in overeenstemming met artikel 8 van de Pensioen en Spaarfondsenwet. In verband met toezegging van de verzekeraar wordt de aanspraak evenwel bepaald op het gefinancierde bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0933
PJ 2010, 47

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Winschoten

Zaak\rolnummer: 381144 \ CV EXPL 08-6818

Vonnis d.d. 24 november 2009

inzake

Q.,

wonende te Heiligerlee,

eiser,

gemachtigde mevrouw mr. M. Koolhoven, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap Acheson Colloïden B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Scheemda,

2. de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Levensverzekingsmaatschappij,

statutair gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

gemachtigde mr. R.J.G. Vleugelers, werkzaam bij Bergamin en Gielink te Rotterdam.

PROCESGANG

Eiser, hierna te noemen Q., heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd voor recht te verklaren dat de per 1 januari 2006 door Q. opgebouwde pensioenrechten € 23.118,11 bedroegen, gedaagde sub 2, hierna te noemen NN, te veroordelen om binnen drie maanden na het te wijzen vonnis een bewijs van aanspraken tot dit bedrag te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom, en gedaagde sub 1, hierna te noemen Acheson, te veroordelen om al het nodige te verrichten om te bewerkstelligen dat NN bovengenoemd bewijs van aanspraken afgeeft, zulks op straffe van een dwangsom, één en ander met de hoofdelijke veroordeling van de gedaagden in de kosten van het geding.

Acheson en NN hebben geantwoord met conclusie tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van Q. in de kosten van het geding.

Q. heeft gerepliceerd waarbij hij zijn vordering heeft vermeerderd met een subsidiaire vordering dat zijn pensioenrechten per 1 januari 2006 worden gesteld op € 20.260,14.

Acheson en NN hebben gedupliceerd waarna vonnis is bepaald.

OVERWEGINGEN

De feiten

1. Als gesteld en niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist kan van het volgende worden uitgegaan.

Q., geboren op 8 mei 1956, is sinds 27 januari 1975 in dienst van Acheson. Hij is bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd in mei 1977 deel gaan nemen aan de pensioenregeling van Acheson, die haar pensioenverplichtingen had verzekerd bij NN. Volgens die regeling is het jaarlijkse oudedagspensioen gelijk aan 1,75 % van de pensioengrondslag (jaarsalaris minus franchise) van de deelnemer, vermenigvuldigd met het aantal pensioenjaren. In artikel 3 lid 2 is bepaald dat onder pensioenjaren wordt verstaan de jaren gelegen tussen het begin van het dienstverband van de deelnemer en de ingangsdatum van zijn oudedagspensioen. Het maximale aantal op te bouwen pensioenjaren is 40, zodat de maximaal te behalen pensioenaanspraak 70 % van de pensioengrondslag is.

De pensioenregeling van 1974 is met ingang van 1 januari 1995 gewijzigd. De bepalingen van deze regeling, hierna te noemen Reglement 1995, zijn grotendeels identiek aan de regeling van 1974, zij het dat de werknemers bij het bereiken van de 25-jarige leeftijd deelnemer worden. In artikel 11 is de volgende regeling voor het geval van tussentijdse beëindiging van de deelnemers opgenomen:

"Indien het deelnemerschap anders dan door overlijden eindigt vóór de ingangsdatum van het oudedagspensioen behoudt de gewezen deelnemer recht op een deel van de te verkrijgen pensioenen. Het deel van het oudedagspensioen is gelijk aan het - bij ongewijzigde voortzetting van het deelnemerschap - te verkrijgen pensioen, verminderd met het pensioen dat de gewezen deelnemer zou verkrijgen indien hij juist op de datum van beëindiging van het deelnemerschap als deelnemer in de pensioenregeling zou zijn opgenomen op basis van de laatst vastgestelde pensioengrondslag en de pensioenjaren gelegen tussen de beëindigingsdatum en de ingangsdatum van het oudedagspensioen."

De pensioenregeling van 1995 is per 1 januari 2006 beëindigd. Met ingang van die datum is een nieuwe pensioenregeling van kracht geworden Anders dan in de vorige regelingen is er niet langer sprake van een eindloon maar van een combinatieregeling van geïndexeerd middenloon en beschikbare premie. De opgebouwde pensioenaanspraken zijn per 1 januari 2006 premievrij gemaakt hetgeen inhoudt dat het per die datum opgebouwde pensioen vast staat en dat daarvoor geen premie meer hoeft te worden betaald. Bij de berekening van de pensioenaanspraak wordt uitgegaan van een pensioengrondslag van € 42.732,18 (salaris 2005 ad € 56.830,18 verminderd met de franchise van € 14.098,--)

Er zijn aan Q. verschillende mededelingen gedaan over de hoogte van zijn pensioenaanspraak per 1 januari 2006. In een door Q. overgelegd ongedateerd stuk "omzet in opgebouwde aanspraken naar Acheson combinatiepensioen" wordt vermeld dat de opgebouwde pensioenaanspraak € 20.260,-- bedraagt, terwijl in een door Acheson en NN overgelegd eveneens ongedateerde stuk "over op het Acheson combinatiepensioen" een bedrag van € 18.446,-- wordt genoemd.

Bij e-mail van 24 augustus 2007 is door NN aan Q. een uitgebreide uiteenzetting gegeven over de berekeningswijze van de pensioenaanspraak. Daarin werd meegedeeld dat de tijdsevenredige aanspraak voor het oudedagspensioen per 31 december 2005 weliswaar gelijk was aan € 18.446,07 maar dat, omdat de gefinancierde aanspraak voor het oudedagspensioen € 20.260,14 bedroeg, dit laatste bedrag werd aangehouden bij het premievrij stellen.

Het geschil heeft betrekking op de pensioenaanspraak van Q. per 1 januari 2006; volgens Acheson en NN bedraagt deze € 18.466,--, terwijl de aanspraak volgens Q. moet worden berekend op primair € 23.118,11, subsidiair € 20.260,14.

De stellingen van partijen

2. Acheson en NN voeren, ter onderbouwing van hun stelling dat de aanspraak op het ouderdomspensioen (bij 65 jaar) per 1 januari 2006 € 18.466,-- bedraagt, het volgende aan.

Bij het vaststellen van de waarde van de premievrije pensioenaanspraken per 31 december 2005 is de wettelijke systematiek van de op dat moment van toepassing zijnde Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en Spaarfondsenwet (Regelen PSW) gevolgd. Deze systematiek was overgenomen in artikel 11 van het Reglement 1995.

Ingevolge artikel 9, lid 2 van de Regelen PSW is bepaald dat de verzekerde bij beëindiging van deelname tenminste een premievrije aanspraak op een evenredig ouderdomspensioen verkrijgt.

"Daaronder wordt verstaan het verschil tussen het ouderdomspensioen dat de verzekerde zou hebben gekregen als hij aan de onderneming verbonden zou zijn geweest tot de pensioengerechtigde leeftijd en het ouderdomspensioen dat hij zou hebben gekregen als hij verzekerd zou zijn geweest vanaf het tijdstip waarop het verbonden zijn aan de onderneming eindigde tot de pensioengerechtigde leeftijd."

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 8 van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) en is daarvan afgeleid.

Tijdsevenredig betekent dat eerst wordt gekeken naar het totale pensioen dat zou zijn opgebouwd indien tot 65 jaar was doorgewerkt. Daarvan moet worden afgetrokken hetgeen opgebouwd zou worden in de periode tussen beëindiging van de regeling en de pensioendatum. Dit blijkt ook uit de wetsgeschiedenis:

"Hierin (artikel 8, lid 2 PSW) wordt bepaald wat onder een evenredig ouderdomspensioen moet worden verstaan. Zie het gestelde daarover in het algemeen gedeelte van deze memorie. Voor de goede orde zij nog opgemerkt dat twee fictieve ouderdomspensioenen moeten worden berekend. Het fictieve element betreft in beide gevallen de pensioenopbouw die zou hebben plaatsgevonden na het tijdstip waarop de deelneming eindigde. De fictieve opbouw moet worden berekend op basis van relevante gegevens. In de eerste plaats moet worden berekend wat het pensioen zal worden als de deelneming zou zijn voortgezet (…) in de tweede plaats moet worden berekend welk pensioen zal worden opgebouwd als eerst vanaf meer bedoeld tijdstip zou zijn deelgenomen." (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19638, nr. 3)

Dit betekent dat Q. recht heeft op een aanspraak die gelijk is aan het verschil tussen het bij ongewijzigde voortzetting van Reglement 1995 (fictie 1) maximaal op te bouwen pensioen en het op te bouwen pensioen vanaf de datum beëindiging Reglement 1995 tot pensioendatum (fictie 2) .

Fictie 1 is gelijk aan de maximale 40 op te bouwen pensioenjaren vermenigvuldigd met 1,75 % en de pensioengrondslag. Dit is 70 % van de pensioengrondslag.

Uitgaande van de pensioendatum van 1 mei 2021 wordt vanaf de datum beëindiging Reglement 1995 (1 januari 2006) gedurende 15 jaar en 4 maanden pensioen opgebouwd. Fictie 2 is dus gelijk aan 15 jaar, 4 maanden, vermenigvuldigd met 1,75 % en de pensioengrondslag. Dit is 26,83 % van de pensioengrondslag.

Het verschil tussen beide ficties is de waarde van de premievrije aanspraak. Dit is 70 % minus 26,83 %, is 43,16 % van de pensioengrondslag. Uitgaande van de pensioengrondslag van € 42.732,18 komt dit uit op € 18.446,--. Dit is de aanspraak waar Q. recht op heeft.

Toepassing van artikel 11 van het Reglement 1995 en artikel 9 lid 2 van de Regelen PSW sluit volgens Acheson en NN volledig aan bij de destijds toepasselijke fiscale wetgeving, waarbij een pensioen fiscaal niet uit mocht gaan boven 70 % van het laatstverdiende salaris. Het niet voldoen aan de fiscale wetgeving leidt ertoe dat het Reglement 95 fiscaal onzuiver wordt. Dit betekent dat het risico bestaat dat de totale pensioenaanspraken worden belast en revisierente wordt geheven. Deze heffing zou voor rekening van Acheson komen.

Volgens Acheson en NN is de aanspraak aanvankelijk bij vergissing vastgesteld op € 20.260,14. Later is echter de correcte hoogte aan Q. meegedeeld. Zij betwisten dat een premievrije pensioenaanspraak van € 20.064,14 was gefinancierd.

Acheson en NN verzetten zich subsidiair tegen het opleggen van een dwangsom. Er hoeft geen vrees te bestaan dat zij een vonnis niet zullen naleven.

3. Volgens Q. had hij per 31 december 2005 een pensioen opgebouwd van € 23.118,11. Hij onderbouwt deze stelling als volgt:

Hij is sinds 27 januari 1975 in dienst van Acheson. Weliswaar is hij pas in mei 1977 deelnemer geworden van de pensioenregeling maar artikel 3 van het reglement bepaalt dat voor de berekening van de grootte van het te verzekeren pensioen wordt uitgegaan van de pensioenjaren en de pensioengrondslag waarbij de pensioenjaren zijn de jaren gelegen tussen het begin van het dienstverband van de deelnemer en de ingangsdatum van het oudedagspensioen. De pensioenaanspraak moet dus worden berekend op basis van het aantal dienstjaren. Per 31 december 2005 was hij 30 jaar,11 maanden en 4 dagen in dienst. Dat brengt mee dat het opgebouwde pensioen 30 11/12 jaar maal 1,75% maal de pensioengrondslag is gelijk aan € 23.118,11 bedraagt.

De door Acheson en NN bepleite letterlijke toepassing van de bepaling van artikel 8, lid 2 PSW betekent dat de door Q. opgebouwde rechten op een lager bedrag worden vastgesteld dan het reeds opgebouwde bedrag.

Hij wijst erop dat hij volgens de betreffende wettelijke bepalingen tenminste aanspraak heeft op een tijdsevenredige aanspraak en dat uit de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999,26415, nr. 3) blijkt dat hij, als er meer gefinancierd is, recht heeft op het meerdere. De door Acheson en NN bepleite uitleg is daarom in strijd met de bedoeling van de wetgever.

Volgens zijn informatie werd de pensioenaanspraak gedurende de eerste 40 jaar van het dienstverband volledig gefinancierd en werd daarna alleen nog eventuele backservice gefinancierd. Indien Acheson en NN stellen dat op andere wijze werd gefinancierd ligt het op hun weg om daarover nadere informatie te verstrekken. Zij hebben zich eerder op het standpunt gesteld dat € 20.260,14 is gefinancierd zodat de premievrije waarde in ieder geval op dat bedrag moet worden gesteld.

Q. ziet niet in waarom Acheson en NN belang hebben om zich tegen het opleggen van een dwangsom te verzetten. Alleen al uit een oogpunt van proceseconomie is het aangewezen om een dwangsom op te leggen voor het geval zij niet vrijwillig aan het veroordelend vonnis mochten voldoen.

De beoordeling

4.1 Q. heeft niet betwist dat het Reglement 1995 met inbegrip van artikel 11 van dat Reglement ook in zijn geval van toepassing is.

4.2 Evenmin is betwist dat de wijze waarop de pensioenaanspraak door Acheson en NN is berekend in overeenstemming is met de letterlijke tekst van artikel 8 lid 2 PSW, artikel 9 lid 2 Regelen PSW en artikel 11 van het Reglement 1995. Volgens die systematiek is niet bepalend het aantal jaren dat reeds pensioen is opgebouwd, zoals door Q. gesteld, maar het aantal jaren dat pensioen had kunnen worden opgebouwd in de periode tussen de beëindiging en de pensioengerechtigde leeftijd. De Memorie van Toelichting die hierboven is aangehaald laat geen enkele ruimte voor de interpretatie als door Q. verdedigd.

4.3 Hoewel de kantonrechter gezien het bovenstaande van oordeel is dat de pensioenaanspraak door Acheson en NN conform de regels is berekend laat dat onverlet dat een andere, hogere, aanspraak wordt toegekend. Volgens artikel 9 lid 2 Regelen PSW heeft de verzekerde immers tenminste recht op een tijdsevenredige aanspraak. Blijkens de door Q. genoemde Memorie van Toelichting ziet dat op het geval dat meer is gefinancierd dan de berekende tijdsevenredige aanspraak. De kantonrechter gaat er van uit dat NN daarvan uit is gegaan in haar e-mail van 24 augustus 2007. In die e-mail zet zij immers eerst uitgebreid uiteen hoe zij volgens de geldende systematiek komt tot een berekening van € 18.644,-- om de aanspraak vervolgens vast te stellen op het gefinancierde bedrag. Op die toezegging, die valt binnen de wettelijke kaders waarop Acheson en NN zich beroepen, kunnen zij naar het oordeel van de kantonrechter niet terugkomen.

4.4 De kantonrechter gaat er van uit dat, zoals vermeld in de e-mail van 24 augustus een bedrag van € 20.260,14 was gefinancierd. De enkele stelling van Acheson en NN in deze procedure dat dat niet het geval is, is onvoldoende om van dat bedrag af te wijken. Dat zelfde geldt voor de niet onderbouwde stelling van Q. dat hij informatie heeft dat er meer is gefinancierd.

4.5 Gezien het voorgaande zal de subsidiaire vordering van Q. worden toegewezen.

4.6 Nu Acheson en NN hebben verklaard dat er geen vrees hoeft te bestaan dat zij niet aan een veroordeling zullen voldoen ziet de kantonrechter geen reden om een dwangsom op te leggen.

4.7 Acheson en NN zullen, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat de per 1 januari 2006 door Q. opgebouwde ouderdomspensioenaanspraak € 20.260,14 bedraagt;

veroordeelt NN om binnen drie maanden na dit vonnis een bewijs van aanspraken tot dit bedrag te verstrekken en veroordeelt Acheson om al het nodige te verrichten om te bewerkstelligen dat NN dit bewijs aan Q. afgeeft;

veroordeelt Acheson en NN hoofdelijk in de kosten van deze procedure die aan de zijde van Q. tot aan deze uitspraak worden begroot op € 107,-- aan griffierecht, € 85,44 aan exploitkosten en € 300,-- aan salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.R. van Baak-Klijnsma, kantonrechter, en op 24 november 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: GvB