Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK5503

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
07-12-2009
Zaaknummer
18/651925-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0799, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belaging door middel van onder meer een grote hoeveelheid sms-berichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/651925-09 (promis)

datum uitspraak: 26 november 2009

op tegenspraak

raadsman: mr. L.S. Slinkman

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende aan [adres], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 november 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2008 tot en met 30 mei 2009, te

Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk

stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer

van een persoon, genaamd, [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het

oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te

doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- die [slachtoffer] in de bovenvermelde periode veelvuldig opgezocht bij haar woning

en/of

- is hij in de bovenvermelde periode veelvuldig langs haar woning gelopen of

gereden en/of

- heeft hij die [slachtoffer] veelvuldig sms-berichten gezonden en/of

- heeft hij die [slachtoffer] brieven gezonden en/of

- heeft hij de dochter van die [slachtoffer] in de gaten gehouden en/of gevolgd.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de verklaring van verdachte, de verklaringen van aangeefster en de verklaring van de getuigen [getuige1] en [getuige2].

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat er geen sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Verdachte had een relatie met aangeefster die verder ging dan vriendschap. Toen aangeefster aangaf geen contact meer met verdachte te willen, probeerde verdachte een aantal keren per sms en per brief contact op te nemen om te trachten de relatie te herstellen. Verdachte heeft daarbij 252 sms’jes verstuurd, maar ook 100 ontvangen van aangeefster.

252 sms’jes is dus geen buitensporige hoeveelheid. Ook stond niet in elk sms’je van aangeefster dat zij geen contact meer wilde met verdachte. Het kan zijn dat verdachte in de buurt van de woning van aangeefster is gezien, maar dat komt doordat hij daar langs komt op weg naar zijn werk of omdat hij elders in Nieuwe Pekela moest zijn. De verklaring van getuige [getuige1] wordt ontkracht door de verklaring ter terechtzitting van de zoon van verdachte. Wellicht is verdachte een keer gezien door de dochter van aangeefster, maar hij heeft haar niet gevolgd.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 november 2009 afgelegd, zakelijk weergegeven

Ik heb [slachtoffer] 250 sms’jes gestuurd in de vier maanden voorafgaande aan 31 januari 2009. Ik ben bij haar thuis in Nieuwe Pekela aan de deur geweest. Ik heb een brief bij haar door de brievenbus gedaan en ik heb haar een brief gegeven. Ik rijd wel eens langs haar huis.

Ik heb dingen gedaan die ik niet had moeten doen. Ik ben te ver gegaan.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 mei 2009, opgenomen op pagina 20-23 van dossier nr. 2009052788 d.d. 2 juni 2009, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven

Op 22 december 2008 ben ik bij de woning van [slachtoffer] geweest. Het zou wel kunnen dat ik in maart 2009 met mijn auto in de buurt van de woning van [slachtoffer] ben geweest. Eind april 2009 ben ik ook in de buurt van de woning van [slachtoffer] geweest.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 mei 2009, opgenomen op pagina 17-19 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven

In januari 2009 reed ik af en toe langs de woning van [slachtoffer] in Nieuwe Pekela. Ik denk ongeveer zeven keer.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2009010538-1 d.d. 3 februari 2009, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de aangifte van [slachtoffer], zakelijk weergegeven

Ik doe aangifte van belaging. Ik heb een vriendschappelijke relatie gehad met [verdachte]. In oktober 2008 heb ik deze verbroken. Daarna viel [verdachte] mij lastig per sms. Wanneer ik alleen thuis was, kwam hij op de fiets naar Nieuwe Pekela, waar ik woon. Dan stuurde hij een sms’je dat hij vlak in de buurt van mijn woning was.

Op 20 december 2008 was [verdachte] bij mijn woning. Het weekend daarop heeft hij mij lastig gevallen met sms’jes. Op 22 december 2008 ging de deurbel. Ik keek door het raam en zag de auto van [verdachte] staan. Ik hoorde iemand op de ramen slaan. Ik zag door de gordijnen dat het [verdachte] was. De volgende dag, 23 december 2008, vond ik een brief van [verdachte] in mijn brievenbus.

Op 1 januari 2009 vond ik wederom een brief van [verdachte] in de brievenbus. Kort na 15 januari 2009 kreeg ik weer allerlei sms’jes van [verdachte], soms meerdere op één dag. Ik heb hem meerdere keren terug gesms’t dat ik geen contact meer met hem wilde.

Op 30 januari 2009 zag ik rond 23.15 uur iemand langs mijn woning lopen. Ik zag direct dat het [verdachte] was. Ik was verstijfd van schrik. Even later zag ik hem wegrijden in een auto. Later die nacht stond hij weer voor de deur.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 maart 2009, opgenomen op pagina 80 van voornoemd dossier, inhoudende de klachte van [slachtoffer], zakelijk weergegeven

Ik verzoek u tot vervolging van [verdachte] over te gaan.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 29 april 2009, opgenomen op pagina 33-34 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige1], zakelijk weergegeven

Op 10 maart 2009 na 23.00 uur zag ik dat [verdachte] ongeveer 75 meter van de woning van [slachtoffer] in Nieuwe Pekela stond.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 april 2009, opgenomen op pagina 35-37 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige2], zakelijk weergegeven

Op 15 maart 2009 zag ik dat [verdachte] in de buurt van de woning van [slachtoffer] in Nieuwe Pekela in zijn stilstaande auto zat.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 17 april 2009, opgenomen op pagina 38-39 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven

Uit onderzoek van historische telefoongegevens is gebleken dat vanaf het telefoonnummer

[nummer1], dat op naam staat van [verdachte], wonende [adres] te [plaats], in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 21 januari 2009 252 maal contact is opgenomen met het telefoonnummer [nummer2], dat op naam staat van [slachtoffer]. Drie contacten waren gesprekken, 249 contacten waren sms’jes.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft aangeefster in vier maanden tijd 249 sms’jes heeft gestuurd, hij heeft haar veelvuldig opgezocht bij haar woning, hij is veelvuldig langs haar woning gereden en hij heeft haar brieven gezonden. Gelet op het samenstel van deze gedragingen en gelet op de aard, duur, frequentie en intensiteit daarvan, de omstandigheden waaronder de gedragingen plaatsvonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, zoals blijkend uit de aangiften, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Dat aangeefster ook sms’jes heeft teruggestuurd aan verdachte, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de door verdachte gemaakte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Aangeefster heeft juist meerdere malen terug gesms’t dat zij geen contact meer wilde met verdachte. Dit weerhield verdachte er niet van zijn gedragingen voort te zetten.

Voorts hecht de rechtbank geloof aan de verklaringen van de getuigen [getuige1] en [getuige2]. Uit deze verklaringen blijkt dat verdachte meerdere malen naar het huis van aangeefster is gereden en zich daar vlakbij enige tijd heeft opgehouden. Deze verklaringen worden niet ontkracht door de verklaring ter terechtzitting van de zoon van verdachte, nu deze kennelijk heeft verklaard over een ander incident, dat in augustus 2008 zou hebben plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte de dochter van aangeefster in de gaten heeft gehouden of heeft gevolgd, nu er slechts een aangifte is gedaan door [slachtoffer] die op geen enkele wijze wordt ondersteund.

Bewezenverklaring

Gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 november 2008 tot en met 30 mei 2009, te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- die [slachtoffer] in de bovenvermelde periode veelvuldig opgezocht bij haar woning en

- is hij in de bovenvermelde periode veelvuldig langs haar woning gelopen of gereden en

- heeft hij die [slachtoffer] veelvuldig sms-berichten gezonden en

- heeft hij die [slachtoffer] brieven gezonden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

belaging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt een klinisch traject bij de AFPN, een direct en indirect contactverbod met aangeefster en een straatverbod voor de straat waar aangeefster woont en de omliggende straten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen omtrent de strafoplegging, nu hij voor vrijspraak heeft gepleit.

Beoordeling

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie

d.d. 3 juli 2009, alsmede de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende meerdere maanden [slachtoffer] belaagd. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op het privéleven van die [slachtoffer].

In haar schriftelijke slachtofferverklaring, die zij ter terechtzitting heeft voorgelezen, omschrijft het slachtoffer welke invloed het gedrag van verdachte op haar leven en het leven van haar nog jonge kinderen heeft gehad. Zij leeft voortdurend in angst. Ze is bang om de deur uit te gaan en ze voelt zich opgejaagd als ze alleen thuis is. Haar vrijheid is helemaal weg. Als gevolg van het gedrag van verdachte heeft ze een tijdje in de ziektewet gezeten. Haar vertrouwen in mensen is geschaad, verdachte heeft misbruik van haar gemaakt. Ze is bang dat verdachte niet zal ophouden en haar iets zal aandoen.

Verdachte heeft er geen blijk van gegeven zich te kunnen inleven in het slachtoffer. Weliswaar zegt hij dat het hem spijt, maar de rechtbank heeft niet de indruk gekregen dat verdachte werkelijk inziet dat zijn gedrag onaanvaardbaar is.

De rechtbank heeft gelet op het adviesrapport d.d. 6 november 2009 van Reclassering Nederland waarin wordt geadviseerd tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en eventuele behandeling bij de AFPN.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd, bestaande uit een werkstraf. Daarnaast zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, enerzijds om te bewerkstelligen dat verdachte zich in de toekomst zal onthouden van het plegen van strafbare feiten en anderzijds om daaraan een bijzondere voorwaarde te verbinden, inhoudende dat verdachte zich gedurende de op twee jaren te bepalen proeftijd dient te gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften te geven door Reclassering Nederland. Deze aanwijzingen en voorschriften kunnen mede inhouden dat verdachte meewerkt aan een (klinische) behandeling bij de AFPN of een soortgelijke instelling.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer], wonende te Nieuwe Pekela, met een vordering van € 2000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het schadeveroorzakende feit.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, daar het ten laste gelegde feit niet valt te bewijzen.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. Gelet op de duur en de intensiteit van het bewezen verklaarde en gelet op de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, komt het gevorderde bedrag van € 2000,- de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal de vordering derhalve in zijn geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 180 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht. De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland;

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. De rechtbank draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden. De hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de veroordeelde zich laat behandelen bij de AFPN of een soortgelijke instelling.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te Nieuwe Pekela, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 2000,- (zegge: tweeduizend euro).

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt de veroordeelde voorts tot het betalen van de wettelijke rente van de vordering vanaf de eerste dag van het schadeveroorzakende feit die wordt bepaald op 1 november 2008.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 2000,- (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2008, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te Nieuwe Pekela, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien de veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. H.L. Stuiver, voorzitter, mrs. L.W. Janssen en

S. Tempel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.W. Mulder, als griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 november 2009.