Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK4663

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-12-2009
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
113056 / HA RK 09-260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging dan wel aanpassing van in het CKI geregistreerde gegevens afgewezen om reden dat een zodanig bevel aan BKR haar registratie onoverzichtelijk, onwerkbaar en daarmee zinloos maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 113056 / HA RK 09-260

Beschikking van 4 december 2009

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

gemachtigde: J. Mengerink te Amsterdam,

tegen

STICHTING BUREAU KREDIET REGISTRATIE,

gevestigd en kantoorhoudende te Tiel,

verweerster,

advocaat: mr. M.J. Muller te Utrecht.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift,

- het verweerschrift,

- de mondelinge behandeling op 18 november 2009, waarbij [verzoeker] bijgestaan door Mengerink en namens de Stichting Bureau Krediet Registratie J. van Leeuwen, bedrijfsjurist, bijgestaan door mr. Muller zijn verschenen,

- de pleitnotitie van [verzoeker].

Vervolgens is de beschikking bepaald op heden.

De feiten

Op 16 november 2001 heeft [verzoeker] een lening bij de IDM Bank N.V. (hierna: IDM) gesloten. Deze lening is feitelijke georganiseerd door de kozijnleverancier bij wie [verzoeker] kozijnen had besteld.

Nadat ontvangst van de kozijnen uitbleef heeft [verzoeker] de rechtsgeldigheid van de lening op 29 september 2003 betwist, waarna hij het betalen van de aan de lening verbonden termijnbedragen heeft gestaakt.

Door het staken van de betaling van de aan de lening verbonden termijnbedragen is er een betalingsachterstand ontstaan. IDM heeft deze achterstand gemeld aan de Stichting Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR), waarop BKR dit in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: CKI) heeft geregistreerd.

Bij vonnis van 6 augustus 2007 is [verzoeker] door deze rechtbank veroordeeld tot betaling van EUR 12.229,85 aan IDM, waarna [verzoeker] op 25 september 2007 de gehele vordering heeft voldaan.

In het BKR-overzicht van [verzoeker] staat thans onder andere het volgende vermeld:

'Kredietsoort Doorlopend Krediet

(...)

Bedrag 11344

Ingangsdatum 09-01-2002

Werkelijke einddatum 12-10-2007

Registratieweek 03-2002

Bijzonderheden

Code omschrijving Met ingang van

A Achterstand 08-10-2003

2 (Restant) vordering geheel opeisbaar 12-01-2004

Geregistreerd door IDM Bank N.V. (...)'.

In artikel 2, eerste lid, van het Algemeen Reglement van BKR is bepaald dat de doelstelling van BKR is het bevorderen van een maatschappelijk verantwoorde dienstverlening op financieel gebied, waarbij onder andere beoogd wordt het beperken van krediet- en betalingsrisico's voor deelnemers en het voorkomen van overkreditering en andere problematische schuldsituaties bij betrokkenen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de doelstelling van BKR wordt bereikt door verwerking van persoonsgegevens in het CKI en daaruit informatie aan deelnemers te verstrekken die van belang is voor het maken van een zorgvuldige afweging van de mogelijkheid tot het sluiten van een overeenkomst met betrokkene of ten behoeve van het portefeuillebeheer en voor zover die informatie is gebaseerd op feitelijke en statistische analyses uitgevoerd binnen de doelstellig van het verwerken van persoonsgegevens door BKR.

In artikel 28, eerste lid, van het Algemeen Reglement van BKR is bepaald dat gegevens van beëindigde overeenkomsten vijf jaar na de werkelijke einddatum van de overeenkomst op initiatief van BKR uit het bestand worden verwijderd.

Het verzoek

Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat de rechtbank:

- primair - BKR beveelt dat de in het CKI geregistreerde overeenkomst van [verzoeker] met IDM wordt aangevuld, zodat blijkt dat [verzoeker] gedurende de periode dat er sprake is geweest van een betalingsachterstand de vordering gemotiveerd heeft betwist;

- subsidiair - BKR beveelt de geregistreerde bijzonderheden bij de in het CKI geregistreerde overeenkomst met IDM verwijdert, althans de verwerking hiervan beëindigt;

een en ander met veroordeling van BKR tot het betalen van een dwangsom van EUR 1.000,00 per dag, indien zij niet binnen 2 werkdagen na betekening van de beschikking uitvoering aan het door de rechtbank gegeven bevel geeft, alsmede met veroordeling van BKR in de kosten van deze procedure.

De standpunten

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn vordering - samengevat - het volgende naar voren gebracht. Het doel van het CKI is om krediet- en betalingsrisico's te beperken en overkreditering en andere problematische schuldsituaties te voorkomen. In casu geeft de wijze waarop [verzoeker] op dit moment geregistreerd staat een onjuist en/of onvolledig beeld van de achterliggende financiële problematiek, hetgeen niet strookt met het doel van de CKI. Immers, van een problematische schuldsituatie was geen sprake, maar slechts van een betwisting door [verzoeker] van de vordering van IDM waardoor hij de termijnbetalingen niet heeft voldaan. Op het moment dat de rechtbank de vordering van de IDM had toegewezen heeft [verzoeker] deze onmiddellijk voldaan, hetgeen nogmaals aangeeft dat er niets mankeert aan de kredietwaardigheid van [verzoeker]. Het is de taak van de BKR om te zorgen dat de door haar verzorgde registratie een juist beeld geeft. Dat de codes die de BKR thans hanteert geen mogelijkheid bieden voor een registratie die recht doet aan de onderhavige situatie, kan niet afdoen aan de wettelijke plicht die ten aanzien van de toereikendheid van een registratie op de BKR rust. Het ligt dan op de weg van de BKR om de registratiemogelijkheden uit te bereiden, zodat ook situatie als de onderhavige op een juiste wijze kunnen worden weergegeven. BKR dient daarbij bedacht te zijn op de negatieve beeldvorming en het onjuiste beeld dat de BKR-registratie oproept. Het is evident dat het voor de beoordeling van een betalingsrisico door een derde van belang is of een vordering niet wordt voldaan omdat de schuldenaar financieel niet in staat is deze te voldoen of omdat deze gemotiveerd wordt betwist. Juist daarom is aanvulling van de registratie van BKR van belang.

BKR heeft voorop gesteld dat feitelijk vast staat, en ook door [verzoeker] is erkend, dat hij een opeisbare schuld aan IDM onbetaald heeft gelaten. Wat de achtergrond van het geschil tussen [verzoeker] en IDM ook mag zijn geweest - dat gaat BKR niet aan want daar staat zij buiten -, vast staat dat de onderhavige A2 codering in het CKI juist en toereikend is. De registratie past ook geheel binnen de statutaire doelomschrijving van BKR en is in dat kader, ter zake dienend. De persoonsregistratie voldoet aan alle verplichtingen die de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) aan BKR oplegt. Daarbij is van belang dat het gesloten stelsel van kredietregistratie van BKR slechts een hulpmiddel is voor haar deelnemers in het kredietbeoordelingsproces. De door [verzoeker] verlangde codering kent BKR niet en is voor BKR en haar deelnemers - gelet op het doel van de CKI - ook niet vereist. Daarbij is het uitsluitend aan BKR te bepalen welke coderingen zij al dan niet dient te voeren.

De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat hetgeen met betrekking tot [verzoeker] thans bij BKR geregistreerd staat juist is, nu [verzoeker] bij IDM een opeisbare schuld onbetaald heeft gelaten. Het debat tussen partijen richt zich op de toereikendheid van deze informatie in die zin of BKR met het geregistreerde een juist beeld geeft van de kredietwaardigheid van [verzoeker].

Het doel van de registratie van BKR is blijkens artikel 2, eerste lid, van haar algemeen reglement het beperken van krediet- en betalingsrisico's voor deelnemers en het voorkomen van overkreditering en andere problematische schuldsituaties bij betrokkenen.

Uit het thans geregistreerde blijkt niet meer en niet minder dan dat [verzoeker] bij IDM een betalingsachterstand heeft opgelopen en dat hij deze uiteindelijk heeft voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt daarmee voldaan aan het doel van de registratie van BKR. Immers, deelnemers kunnen thans kennis nemen van het feit dat [verzoeker] op enig moment bij de IDM een betalingsachterstand heeft opgelopen. Dat deze achterstand het gevolg is van een door [verzoeker] betwiste vordering maakt dit niet anders. Uit de registratie blijkt immers tevens dat [verzoeker] de vordering geheel heeft voldaan. In die zin doet de registratie dan ook geen afbreuk aan de kredietwaardigheid van [verzoeker].

De thans door [verzoeker] verlangde aanvulling van de registratie door toevoeging van de omstandigheid dat de betalingsachterstand het gevolg is van een door hem betwiste vordering - welke mogelijkheid de BKR niet kent - zal leiden tot een onoverzichtelijke registratie waarbij de BKR niet langer zal kunnen instaan voor de juistheid van de geregistreerde gegevens. Immers, bij een dergelijke aanvullende registratie zal de vraag voor komen te liggen of de vordering op goede gronden is betwist of dat de betwisting van de vordering louter is gelegen in het feit om voldoening van de vordering uit te stellen. Tevens zal er een debat kunnen ontstaan tussen de deelnemer en de betrokkene over het al dan niet op goede gronden betwisten van de vordering.

De rechtbank weegt voorts mee dat BKR heeft verklaard dat indien zou zijn gebleken dat [verzoeker] de vordering met recht zou hebben betwist, en de vordering van IDM door de rechtbank zou zijn afgewezen, de achterstandsregistratie door BKR met betrekking tot het doorlopend krediet bij de IDM zou zijn doorgehaald.

Artikel 11 Wbp bepaalt het volgende:

1. Persoonsgegevens worden slechts verwerkt voor zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn.

2. De verantwoordelijke treft de nodige maatregelen opdat persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn.

De handelswijze van BKR kan in overeenstemming met dit voorschrift worden geacht:

de door haar vastgelegde gegevens zijn toereikend, ter zake dienend, niet bovenmatig, juist en nauwkeurig.

Tijdens de parlementaire behandeling voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wbp is met betrekking tot de toereikendheid van de door de verantwoordelijk geregistreerde gegevens in de Memorie van Toelichting (25892 nr.3, p. 96) onder andere het volgende naar voren gebracht:

'Indien de verantwoordelijke een zo beperkt aantal gegevens verwerkt dat in redelijkheid niet kan worden gezegd dat hij daarmee, gelet op het doeleinde waarvoor hij de gegevens wenst te verwerken, een juist beeld van de betrokkene heeft, overtreedt hij het voorschrift dat de gegevens met het oog op het doel waarvoor ze worden verwerkt, toereikend dienen te zijn. Als voorbeeld kan worden genoemd de registratie van het gegeven dat betrokkene niet betaald heeft voor een bepaald product zonder daarbij te vermelden dat dit niet betalen te wijten is aan het feit dat betrokkene niet tevreden is met dit product en om die reden de betaling heeft opgeschort. Eveneens kan in dit kader worden gedacht aan het verzuimen van het aanbrengen van de herstelcodes in het BKR'.

[verzoeker] heeft zich mede beroepen op deze toelichting van regeringszijde. Dat vermag hem evenwel niet baten. Voor zover bedoelde passage uit de Memorie van Toelichting al ziet op zulke grootschalige registraties als die van de BKR, kan daaraan niet het gewicht van een wettelijke bepaling worden toegekend. Deze passage moet worden gerelativeerd omdat het overeenkomstig handelen door BKR een onoverzichtelijke en daarmee onwerkbare situatie zou opleveren, zoals hiervoor onder 5.3. reeds is overwogen.

De rechtbank onderkent, dat gelijk [verzoeker] heeft aangevoerd, registratie zoals die thans plaatsvindt in zijn effect een blokkade betekent voor tal van kredietverstrekkingen (omdat potentiële kredietverstrekkers zich slechts richten naar de achterstandsregistratie en zich niet inhoudelijk verdiepen in de redenen van een achterstand). Dit kan evenwel geen reden zijn voor de rechtbank om een zodanig bevel te geven aan BKR dat haar registratie onoverzichtelijk, onwerkbaar en daarmee zinloos wordt.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de registratie van BKR in het licht van het doeleinde van de registratie geen onjuist beeld van [verzoeker] geeft, zal het verzoek worden afgewezen.

[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van BKR begroot op EUR 262,00 aan vast recht en EUR 452,00 aan salaris.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af,

veroordeelt verzoekers in de kosten van deze procedure aan de zijde van verweerders, tot op heden begroot op € 714,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2009.?

coll: chb

113056 / HA RK 09-260

4 december 2009