Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK3340

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-09-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
18/670220-09 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet1994. Zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Vrachtwagenchauffeur veroorzaakt dodelijk ongeval. Met betrekking tot de van belang zijnde factoren voor het vaststellen van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, overweegt de rechtbank dat verdachte een ervaren, professionele vrachtwagenchauffeur is. Het uitsluitend denken dat een fietser, mogelijk een andere dan het latere slachtoffer, voor het oranje stoplicht zou stoppen en het vervolgens nemen van de bocht naar rechts zonder aanzienlijke hercontrole dat de weg vrij was, levert schuld op in de zin van artikel 6 WVW 1994. Kennelijk was verdachtes aandacht hoofdzakelijk erop gericht het verkeerslicht te halen.In casu zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670220-09 (promis)

datum uitspraak: 28 september 2009

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. M.J. Buitenhuis

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats en –datum],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

14 september 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

hij op of omstreeks 10 december 2008, te Groningen, als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende

over de weg, de Parkweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld

te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met te hoge

snelheid en/of zonder snelheid te minderen en/of (zelfs) snelheid

vermeerderend af te rijden op het kruisingsvlak Parkweg met de Brailleweg, met

de bedoeling rechtsaf te slaan, die Brailleweg in, welk kruisingsvlak voorzien

is van een verkeerslicht, welke oranje licht uitstraalde, waarbij verdachte

niet meer met de vrachtauto is gestopt maar is doorgereden en/of vervolgens

bij het naar rechts afslaan, teneinde de Brailleweg in te rijden, een

bestuurder van een voertuig (fiets), welke hij eerder reeds voorbij was

gereden, en die zich thans op dezelfde weg zich naast, althans zich rechts

dicht voor de rechter voorzijde van de vrachtauto bevond, niet heeft laten

voorgaan, waardoor een aanrijding ontstond tussen de vrachtauto en de fietser

en/of waardoor de fietser ten val kwam, waarna verdachte vervolgens nog

doorreed met de vrachtauto waarbij die fiets en/of de bestuurder van die fiets

werd overreden en/of waarna verdachte (vervolgens) met de vrachtauto achteruit

is gereden en/of de vrachtauto achteruit heeft laten rollen, waardoor een

ander, die fietser, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum]), werd gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 10 december 2008, te Groningen, als bestuurder van een

voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Parkweg, met te hoge

snelheid en/of zonder snelheid te minderen en/of (zelfs) snelheid

vermeerderend is afgereden op het kruisingsvlak Parkweg met de Brailleweg, met

de bedoeling rechtaf te slaan, die Brailleweg in, welk kruisingsvlak voorzien

is van een verkeerslicht, welke oranje licht uitstraalde, waarbij verdachte

niet meer met de vrachtauto is gestopt maar is doorgereden en/of vervolgens

bij het naar rechts afslaan, teneinde de Brailleweg in te rijden, een

bestuurder van een voertuig (fiets), welke hij eerder reeds voorbij was

gereden, en die zich thans op dezelfde weg zich naast, althans zich rechts

dicht voor de rechter voorzijde van de vrachtauto bevond, niet heeft laten

voorgaan, waardoor een aanrijding ontstond tussen de vrachtauto en de fietser

en/of waardoor de fietser ten val kwam, waarna verdachte vervolgens nog

doorreed met de vrachtauto waarbij die fiets en/of de bestuurder van die fiets

werd overreden en/of waarna verdachte (vervolgens) met de vrachtauto achteruit

is gereden en/of de vrachtauto achteruit heeft laten rollen door welke

gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 10 december 2008, te Groningen, als bestuurder van een

vrachtauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Parkweg, bij

het naar rechts afslaan, teneinde de Brailleweg in te rijden, een bestuurder

van een voertuig (fiets), die op dezelfde weg zich naast, althans zich rechts

dicht voor hem bevond, niet heeft laten voorgaan, waarbij die fietser werd

gedood of schade aan goederen is toegebracht;

art 18 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde, waarbij sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen, op grond van stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting wettig en overtuigend te bewijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

In het rapport van de VerkeersOngevallenAnalyse is niets geconstateerd over de snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden, zodat niet kan worden bewezen dat hij met een te hoge snelheid en/of zonder snelheid te minderen en/of (zelfs) snelheid vermeerderend is afgereden op de het kruisingsvlak Parkweg met de Brailleweg. Bovendien zou dat met een vrachtauto in een haakse bocht ook bijna onmogelijk zijn geweest. De getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] doen daar naar de mening van de raadsvrouw niet aan af.

Verdachte heeft voor het afslaan goed uitgekeken naar fietsers, hij heeft richting aangegeven en heeft voorgesorteerd en heeft daarmee gedaan wat er van hem verwacht mocht worden. Van culpa als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW 1994) of van gevaarzetting als bedoeld in artikel 5 WVW 1994 is dan ook geen sprake, zo heeft de raadsvrouw aangevoerd.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting

Ik heb één fietser voor mij zien rijden. Ik heb deze ingehaald en heb voorgesorteerd. Ik kan het uiterlijk van de fietser niet omschrijven. Toen ik door het verkeerslicht reed, zag ik in mijn ooghoek dat het licht op oranje ging. Ik ben me ervan bewust dat van een beroepschauffeur extra voorzichtigheid wordt verwacht. Ik ben sowieso in de hele stad voorzichtig. Fietsers hebben er geen idee van hoe gevaarlijk het is om in de buurt van een vrachtwagen te rijden. Alleen als je heel langzaam zou rijden, zou het mogelijk zijn om voor het afslaan snelheid te meerderen.

Het proces-verbaal d.d. 10 december 2008, opgenomen op de pagina’s 5 tot en met 7 van dossier, nummer 2008000934-1, d.d. 16 februari 2009, van de regiopolitie Groningen, inhoudende de verklaring van verdachte

Vlak voor die brug zag ik een fietser voor mij rijden. Ik haalde deze in om nog door het groene verkeerslicht te rijden.

Gelijk over de brug wilde ik naar rechts afslaan, om zo de Brailleweg op te rijden. Op dat moment dacht ik dat de fietser, welke ik eerder voorbij was gereden, zou stoppen, omdat het verkeerslicht ook alweer op oranje sprong.

Terwijl ik de bocht naar rechts indraaide was ik goed aan het kijken of er geen fietsers aankwamen vanuit de andere richtingen. Ik heb deze afslag namelijk al erg vaak genomen en weet dat er altijd fietsers tegen de richting in over de fietsstrook fietsen. Terwijl ik deze bocht nam hoorde ik ineens luid gekraak.

Het proces-verbaal d.d. 20 januari 2009, opgenomen op de pagina’s 14 en 15 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1]

Op woensdag 10 december 2008, omstreeks 15.00 uur, was ik vrij van school. Op een gegeven moment fietste ik op de Parkweg te Groningen, komende uit de richting van de Paterswoldseweg. Ter hoogte van de brug, over het Hoornsediep, wilde ik door het groene verkeerslicht fietsen. Ik zag dat een man voor mij op de fiets ook door het groene licht fietste. Ik reed ongeveer 3 à 4 meter achter deze man. Ik zag dat het verkeerslicht op oranje sprong toen de man voor mij net voorbij de verkeerslichten was. Ik was van plan om ook nog door het oranje verkeerslicht te fietsen. Op dat moment zag ik een vrachtauto naast mij rijden. Ik zag dat deze vrachtauto meer snelheid maakte. Op het moment dat de vrachtauto de bocht indraaide zag ik dat de man op de fiets ongeveer 3 à 4 meter voorbij de verkeerslichten was. Ik zag dat de vrachtauto toen over de man op de fiets heen reed.

Het proces-verbaal d.d. 10 december 2008, opgenomen op de pagina’s 8 en 9 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3]

Tegelijkertijd zag ik dat een vrachtwagen, die uit dezelfde richting kwam als de fietser, de oprit van de Brailleweg wilde oprijden. Ik zag dat de chauffeur strak voor zich uit keek en een geschrokken gezicht had. Direct daarop zag ik de fietser waarover ik eerder sprak tussen de rechter voor- en achterwielen liggen.

Het proces-verbaal d.d. 10 december 2008, opgenomen op de pagina’s 10 en 11 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2]

Ik zag vervolgens dat de vrachtauto rechtsaf wilde slaan. Ik zag dat de vrachtauto geen vaart minderde. Ik zag vervolgens dat de vrachtauto rechtsaf sloeg.

Het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 28 februari 2009, opgenomen op de pagina’s 23 en verder van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Onder 1.2 ‘Beknopte ongevalsbeschrijving’:

Ledige massa van de bedrijfs(vracht)auto: 16160 kg. De bestuurder van de vrachtauto sloeg op de kruising naar rechts af. Hierbij liet hij de bestuurder van de fiets, die op de kruising vermoedelijk rechtdoor wilde, niet voorgaan. De bestuurder van de fiets kwam ten val en belandde onder de vrachtauto. Hierbij werd hij door de wielen van de vrachtauto overreden.

Onder 1.4 ‘Conclusie’:

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de vrachtauto.

Onder 2.2.2 ‘Onderhoud weg’:

Voor wat betreft de wegsituatie hebben wij geen bijzonderheden ontdekt die van belang waren met betrekking tot de oorzaak, de toedracht of de gevolgen van het ongeval.

Onder 2.2.6 ‘Bijzonderheden van de plaats’:

Op de plaats van het ongeval werden door ons geen bijzonderheden ontdekt welke mogelijk van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

Onder 2.2.7 ‘Tijdelijke omstandigheden’:

Op de plaats van het ongeval werden door ons geen tijdelijke omstandigheden ontdekt welke mogelijk van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

Onder 2.2.12 ‘Overigen’:

Uit het onderzoek is niet gebleken dat andere, dan genoemde, personen, dieren, of voertuigen van invloed zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

Onder 2.4.2 ‘Rijproeven’:

Door ons zijn met het voertuig, merk MAN, type 1156, rijproeven gehouden, teneinde het rijgedrag van het voertuig te kunnen bepalen. Deze rijproef is uitgevoerd op de plaats van het ongeval. Hierbij werden door ons, verbalisanten, geen bijzonderheden waargenomen.

Onder 2.4.3. ‘Remproeven’:

Tijden het overbrengen van de vrachtauto werd door mij, eerste verbalisant, gevoeld dat de bedrijfsrem naar behoren functioneerde.

Onder 1.1, 2.2.1 en 4.1.4, zakelijk weergegeven:

Bij deze schouw bleek dat het slachtoffer als gevolg van inwendig letsel was overleden en dat dit letsel was te herleiden als gevolg van het ongeval, dat had plaatsgevonden op

10 december 2008, omstreeks 15.20 uur, op het kruisvlak van de Parkweg en de Brailleweg te Groningen.

Het proces-verbaal d.d. 10 december 2008, opgenomen op pagina 17 van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven, een verslag van herkenning door [betrokkene],

dat zij het stoffelijk overschot van de man waarmee zij is geconfronteerd herkent als haar broer [slachtoffer], geboren op [geboortedatum].

De rechtbank overweegt op grond van deze bewijsmiddelen als volgt.

Voor het vaststellen van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. In dat kader overweegt de rechtbank dat verdachte een ervaren, professioneel vrachtwagenchauffeur is die bekend mag worden verondersteld met de zichtvelden vanuit de cabine en die weet dat zich aan de rechter(voor)zijde van de cabine van zijn vrachtwagen een zogenoemde dode hoek bevindt. Voorts was verdachte ter plaatse goed bekend. Hij wist dat men daar, zoals overigens overal in de stad, goed dient op te passen voor fietsers die zich – zoals verdachte ook heeft verklaard – vaak onvoldoende bewust zijn van het gevaar dat uitgaat van de aanwezigheid van vrachtwagens in het verkeer. Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij op de verkeerslichten afreed, één fietser heeft gezien die in de dezelfde richting reed als hij. In de wetenschap van de aanwezigheid van deze fietser ter plaatse, is verdachte rechtsaf geslagen. Hij dacht – zo heeft hij verklaard – dat de fietser, voor het oranje verkeerslicht zou stoppen. De rechtbank is van oordeel dat het uitsluitend denken dat de fietser voor het oranje licht zou stoppen en het vervolgens nemen van de bocht naar rechts zonder aanzienlijke (her)controle van voornoemde veronderstelling, welke (her)controle de rechtbank geenszins is gebleken, schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 oplevert. De rechtbank acht het daarbij niet van belang of verdachte, die zelf heeft verklaard slechts één fietser te hebben gezien, het latere slachtoffer heeft gezien dan wel getuige [getuige 1], die naar haar zeggen 3 à 4 meter achter het latere slachtoffer fietste. Kennelijk was verdachtes aandacht hoofdzakelijk erop gericht het verkeerslicht te halen. De rechtbank leidt dit af uit verdachtes bij de politie afgelegde verklaring, bezien in samenhang met de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en

[getuige 1], waaruit blijkt dat verdachte in ieder geval geen vaart minderde. Dat verdachte naar eigen zeggen wel lette op eventuele fietsers uit andere richtingen doet aan het voorgaande niet af, maar draagt daaraan zelfs bij. De rechtbank beoordeelt het handelen van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Deze handelwijze heeft geleid tot een ongeval waarbij het slachtoffer, [slachtoffer], is overleden.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 december 2008, te Groningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, de Parkweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, zonder snelheid te minderen af te rijden op het kruisingsvlak Parkweg met de Brailleweg, met de bedoeling rechtsaf te slaan, die Brailleweg in, welk kruisingsvlak voorzien is van een verkeerslicht, welke oranje licht uitstraalde, waarbij verdachte niet meer met de vrachtauto is gestopt maar is doorgereden en vervolgens bij het naar rechts afslaan, teneinde de Brailleweg in te rijden, een bestuurder van een voertuig (fiets), die zich thans op dezelfde weg naast de rechter voorzijde van de vrachtauto bevond, niet heeft laten voorgaan, waardoor een aanrijding ontstond tussen de vrachtauto en de fietser en waardoor de fietser ten val kwam, waarna verdachte vervolgens nog

doorreed met de vrachtauto waarbij die fiets en de bestuurder van die fiets werd overreden waardoor een ander, die fietser, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum]), werd gedood.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander is gedood.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot:

- een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis;

- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte nooit eerder betrokken is geweest bij een ongeval hetgeen getuigt van een correcte rijstijl en dat hij sinds het ongeval nog voorzichtiger is geworden in het verkeer. Naar haar mening kan dan ook worden volstaan met de oplegging van een werkstraf. Een voorwaardelijke straf in de vorm van een rijontzegging dient naar haar mening geen redelijk doel.

Beoordeling

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Taakstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd, bestaande uit een werkstraf en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de omvang hiervan in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De rechtbank realiseert zich dat het allesbehalve eenvoudig is om zich met een vrachtauto in het stadsverkeer te moeten bewegen. Verdachte, die als beroepvrachtwagenchauffeur goed op de hoogte is van de zichtvelden vanuit de cabine en daarnaast goed bekend was met de situatie ter plekke, heeft evenwel geen geringe inschattingsfout gemaakt maar een onaanvaardbaar risico genomen door met de zware vrachtauto rechtsaf te slaan, terwijl hij slechts dacht – en niet wist – dat de fietser die hij zojuist was gepasseerd en als rechtdoorgaand verkeer voorrang had, zou stoppen. De aanrijding die daarop ontstond heeft geleid tot de dood van [slachtoffer]. Daarbij heeft verdachte onbeschrijflijk leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte het feit zwaar aan, temeer daar hij als beroepschauffeur op de hoogte is van de risico’s van het rijden met vrachtwagens.

De rechtbank acht gelet hierop, alsmede op de oriëntatiepunten die de rechterlijke macht hanteert bij de bestraffing van feiten als deze, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor een langere duur en passend en geboden.

Anderzijds is verdachte niet eerder voor het plegen van strafbare feiten veroordeeld.

Verder is ter terechtzitting gebleken, dat verdachte diep is getroffen door hetgeen hij heeft aangericht. De rechtbank zal gelet hierop een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 1 jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, P.H.M. Smeets en

K.K. Lindenberg, in tegenwoordigheid van W. Brandsma, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 september 2009.