Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK3268

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
18/630618-08 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor professioneel opgezette hennepstekkerij wordt door de rechtbank in Groningen de maximale werkstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Veroordeelde had gedurende een half jaar een stekkerij van hennepplanten, waarbij hij drie man personeel in dienst had om de grote hoeveelheid te kunnen verwerken. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit.

Door het openbaar ministerie is een vordering ontneming wederrechtelijk voordeel (Plukze vordering) ingediend. Deze zal schriftelijk verder afgehandeld worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630618-08 (promis)

datum uitspraak: 12 november 2009

op tegenspraak

raadsman: mr. D.C. Keuning

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

wonende te [woonplaats + adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij,

in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 08 december 2008,

te Groningen,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de Helper Oostsingel)

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 26.560, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij,

op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de

periode van 1 april 2008 tot en met 8 december 2008,

te Groningen,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Enexis BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de bekennende verklaring van verdachte. Het binnentreden van de loods was rechtmatig op grond van verdenking. De hennepkwekerij was van verdachte en hij had op den duur hulp nodig van zijn mededaders. Ieder had een bepaalde taak en er werden afspraken gemaakt, zodat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Gelet op de verklaring van verdachte en het huurcontract betreffende het pand Helper Oostsingel [nummer pand] dient de ten laste gelegde periode met betrekking tot beide feiten te worden ingekort en wel van 1 juni tot en met 8 december 2008. Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie niet bewezen dat verdachte dit feit in vereniging met een ander heeft gepleegd, omdat de verhuurder van het pand – medeverdachte [naam medeverdachte] – niets van de diefstal van stroom wist.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het openen met een valse sleutel van het rolluik van de loods onrechtmatig was. De politie is de loods binnengevallen op verdenking van diefstal van stroom. Verdachte was op dat moment niet aanwezig, maar heeft tegenover de politie aangegeven dat hij op een later moment in staat zou zijn de politie te woord te staan. Desondanks heeft de politie de roldeur van de loods met een valse sleutel geopend.

Beoordeling

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat het binnentreden van de loods door de politie onrechtmatig is geweest, verwerpt de rechtbank dit verweer. Immers, zowel uit het stamproces-verbaal als uit de processen-verbaal van aanhouding van de medeverdachten [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] blijkt dat verbalisanten de loods zijn binnengetreden op een op feitelijke gegevens gegrond vermoeden van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in die loods.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de pleegperiode dient te worden ingekort en wel van 1 juni 2008 tot en met 8 december 2008.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Feit 1:

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 december 2008, opgenomen op pagina 11 e.v. van dossier nr. PL01KD/08-009756 d.d. 4 juni 2009.

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd.

Een geschrift, te weten een huurovereenkomst d.d. 4 juni 2008, opgenomen op pagina 364 e.v. van voormeld dossier.

Feit 2:

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [naam aangever] d.d. 21 januari 2009, opgenomen op pagina 82 e.v. van voormeld dossier.

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd.

Een geschrift, te weten een huurovereenkomst d.d. 4 juni 2008, opgenomen op pagina 364 e.v. van voormeld dossier.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 08 december 2008 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt in een pand aan de Helper Oostsingel een hoeveelheid van in totaal ongeveer 26.560 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 juni 2008 tot en met 8 december 2008

te Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis BV, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1.medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2.diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daarbij gelet op de ernst van de feiten, het aantal maanden gedurende welke deze feiten gepleegd zijn en de richtlijnen van het openbaar ministerie. Verdachte heeft de feiten bewust gepleegd en was op professionele wijze bezig.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank de feiten bewezen mocht achten, gepleit voor een werkstraf met eventueel een voorwaardelijke straf. Verdachte is reeds voldoende gestraft door zijn handelen. Hij heeft de zorg voor zijn kinderen en heeft – gezien zijn financiële problemen – zijn baan hard nodig. Een gevangenisstraf is derhalve niet gewenst. Bovendien dient de straf te worden toegemeten aan het voordeel dat verdachte zou hebben verkregen. De vordering van de officier van justitie dienaangaande is niet gebaseerd op een redelijke berekening.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een gehuurde loods aan de Helper Oostsingel te Groningen een hennepkwekerij c.q. - stekkerij ingericht en gedurende een half jaar in werking gehad, waarbij het op den duur ging om grote hoeveelheden stekken. Daarnaast werd op illegale wijze elektriciteit afgenomen. Na ongeveer drie maanden heeft verdachte een aantal personen ingehuurd om hem bij het knippen en poten van hennepstekken te helpen. Verdachte heeft zich hierbij laten leiden door financieel gewin. Hij hoopte met het telen van hennep en kweken van hennepstekken zijn financiële problemen op te lossen.

Het kweken van softdrugs als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert het (illegaal) onttrekken van elektriciteit aan het net brandgevaar op voor de omgeving.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte sinds 1998 niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een werkstraf passend en geboden. De rechtbank heeft zich bij dit oordeel mede laten leiden door het feit dat verdachte thans werk heeft, terwijl het ondergaan van een gevangenisstraf, ten gevolge waarvan hij zeer waarschijnlijk zijn baan zou verliezen, de financiële problemen van verdachte alleen maar zou doen toenemen.

De rechtbank zal een maximale werkstraf opleggen. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaar-delijke gevangenisstraf opleggen om de kans op herhaling te verminderen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

- een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank waardeert de dagen die veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op twee uren werkstraf per dag.

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, P.H.M. Smeets en K.K. Lindenberg, in tegenwoordigheid van A.W. ten Have-Imminga als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 november 2009.