Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BK2193

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
18/670110-09 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het veroorzaken van gevaar op de weg, terwijl de bestuurder een promillage had van 1,23. De passagier liep een gebroken pols op. De rechtbank acht dat laatste geen zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670110-09 (promis)

datum uitspraak: 8 oktober 2009

op tegenspraak

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 maart 2008 te Ten Boer als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de

Gaykingastraat zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

te rijden met een alcoholgehalte van 1.23 milligram alcohol per milliliter

bloed en (vervolgens) het door hem bestuurde motorrijtuig niet onder controle

te houden en daarmee tegen een boom te botsen

waardoor een ander (genaamd [naam slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een

gebroken pols, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 maart 2008 te Ten Boer als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig), daarmee rijdende op de weg, de Gaykingastraat, dat motorrijtuig niet onder controle heeft gehouden en tegen een boom aan is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

en/of

hij op of omstreeks 23 maart 2008 te Ten Boer als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,23 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie is van mening dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte heeft zich zodanig op de weg gedragen dat daardoor gevaar is ontstaan en hij heeft onder invloed van alcohol een motorrijtuig bestuurd.

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft bekend dat hij onder invloed van alcohol in een auto heeft gereden en dat hij met de auto tegen een boom is gebotst.

Beoordeling

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat het letsel dat [naam slachtoffer] werd toegebracht, te weten een gebroken pols, niet valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat aan [naam slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het subsidiair tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een proces-verbaal nummer PL01MF/08-035955 d.d. 3 april 2008, pagina 9 e.v. van dossier nr. PL01MF/08-002807 d.d. 4 juni 2008, inhoudende de relatering van de verbalisanten.

Een NFI rapport nr. 2008.03.26.123 d.d. 27 maart 2008, opgemaakt door [naam rapporteur], als bijlage gevoegd bij voornoemd dossier.

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting d.d. 24 september 2009.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 maart 2008 te Ten Boer als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig), daarmee rijdende op de weg, de Gaykingastraat, dat motorrijtuig niet onder controle heeft gehouden en tegen een boom aan is gebotst, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

en

hij op 23 maart 2008 te Ten Boer als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,23 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

en

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar eis rekening gehouden met de aard en de ernst van de strafbare feiten en het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte inmiddels de EMA-cursus heeft gevolgd. Naast de invordering van het rijbewijs door de politie gedurende een korte periode heeft verdachte zijn rijbewijs voor een periode van vier maanden bij zijn ouders moeten inleveren en mocht hij daadwerkelijk die vier maanden geen auto rijden.

In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat verdachte met het slachtoffer de zaak heeft uitgepraat. Tot slot heeft de officier van justitie moeten vaststellen dat het tenlastegelegde in maart 2008 heeft plaatsgevonden en eerst thans ter zitting is behandeld.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde met betrekking tot overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt veroordeeld tot een geldboete van € 400,00 te vervangen door 8 dagen hechtenis.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde met betrekking tot overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt veroordeeld tot een geldboete van € 400,00 te vervangen door 8 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen betaling in termijnen.

Standpunt van de verdachte

Verdachte acht zich in staat de geldboetes in termijnen te betalen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gedrag waardoor gevaar op de weg is veroorzaakt. Verdachte is linksaf geslagen realiseerde zich dat hij rechtsaf moest, wilde dit herstellen en in plaats van op de rem te trappen, trapte verdachte op het gaspedaal, waardoor hij de macht over het stuur kwijtraakte en tegen de stoeprand botste. Door de snelheid reed verdachte vervolgens over het trottoir tot op het grasveld, waar twee bomen stonden. Verdachte botste uiteindelijk met een behoorlijke snelheid frontaal tegen de linker boom. Zijn medepassagier [naam slachtoffer] heeft ten gevolge van de botsing haar pols gebroken.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed. Verdachte heeft als beginnend bestuurder een motorrijtuig bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut 1,23 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De rechtbank heeft er bij het bepalen van de strafmaat rekening mee gehouden dat verdachte blijkens zijn strafblad niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van dergelijke strafbare feiten. Voorts is gebleken dat verdachte de EMA-cursus heeft gevolgd.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte voor zowel de overtreding van artikel 5 als de overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 een geldboete moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat het totaal van de geldboetes in termijnen mag worden betaald.

Gelet op het alcoholgehalte van verdachtes bloed is de rechtbank van oordeel dat voor overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 een hogere straf op zijn plaats is, dan door de officier van justitie is gevorderd. Aansluitend bij de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS), is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte naast de geldboete een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden opgelegd. De rechtbank heeft het feit dat verdachte als beginnend bestuurder kan worden aangemerkt daarbij als strafverzwarend laten meewegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c, 57, 62 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het subsidiair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde ten aanzien van overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 tot:

- een geldboete van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro) met bevel dat voor geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 8 dagen zal worden toegepast.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde ten aanzien van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 tot:

- een geldboete van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro) met bevel dat voor geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 8 dagen zal worden toegepast.

Bepaalt dat het totaal van de geldboetes mag worden voldaan in 10 opeenvolgende maandelijkse termijnen van elk € 80,00.

- ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest, voordat deze uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, op de duur van die ontzegging in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, H.J. Bastin en J.M.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van F. Schoonhoven, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2009.