Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ8577

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
111427 / JE RK 09-624
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervallen verklaring van een schriftelijke aanwijzing, omdat deze onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Er is sprake van strijd met de artikelen 3:46 en 3:47, eerste lid, Awb en artikel 4:8, eerste lid, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010, 9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 111427 / JE RK 09-624

beschikking kinderrechter d.d. 15 september 2009

in het verzoek van

[moeder],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen: moeder,

advocaat mr. E. van Bommel,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Groningen,

zetelende te 9725 BE Groningen, Waterloolaan 1,

verweerster,

hierna te noemen bjz,

vertegenwoordigd door mevrouw B.M. van der Schoor.

strekkende tot het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing.

PROCESGANG

Op 30 juni 2009 heeft bjz een schriftelijke aanwijzing gegeven met betrekking tot de minderjarige kinderen:

? [kind 1], geboren in de gemeente [***] [in 1999],

? [kind 2], geboren in de gemeente [***] [in 2006],

? [kind 3], geboren in de gemeente [***] [in 2007].

Op 14 juli 2009 is ter griffie ontvangen het verzoek van moeder tot vervallen verklaring van de aanwijzing van bjz.

Op 28 augustus 2009 is ter griffie van de rechtbank een brief met bijlagen ontvangen van de advocaat van de moeder.

Op 4 september 2009 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: de moeder, bijgestaan door haar raadsvrouw, de heer [***], de pleegvader van [kind 3], mevrouw [***], de pleegmoeder van [kind 2], en mevrouw B.M. van der Schoor, namens bjz.

Bjz heeft ter zitting - met toestemming van de advocaat van de moeder - aanvullende stukken overgelegd, te weten een tweetal, door bjz aan de [partner van de moeder] en aan de advocaat van de moeder, verzonden brieven.

OVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

- [kind 1], [kind 2] en [kind 3] zijn sinds 10 april 2008 uit huis geplaatst;

- bij beschikking d.d. 25 mei 2009 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen laatstelijk verlengd, met ingang van 30 mei 2009 voor de duur van een jaar;

- op 30 juni 2009 heeft bjz een schriftelijke aanwijzing gegeven, waarin is vastgelegd dat de moeder één keer per vier weken een uur met [kind 1] en één keer in de vier weken 45 minuten met [kind 2] en [kind 3] mag doorbrengen, waarbij data zijn genoemd tot 7 juli 2010.

Beoordeling kinderrechter

De kinderrechter stelt vast dat bjz op 30 juni 2009 een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven. De moeder geeft aan dat zij zich niet kan verenigen met hetgeen daarin is bepaald. Het verzoek tot vervallen verklaring is ter griffie ontvangen binnen twee weken na dagtekening van de aanwijzing, zodat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek.

Op grond van artikel 1:258, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient een schriftelijke aanwijzing te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter op grond van artikel 3:2 Awb te beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.

De advocaat van de moeder heeft geconstateerd dat de schriftelijke aanwijzing van bjz slechts een summiere omgangsregeling bevat, waarbij bovendien de partner van de moeder, de [partner van de moeder], niet betrokken is. In de aanwijzing staat uitdrukkelijk vermeldt dat het bezoek enkel voor de moeder geldt; het is niet toegestaan dat de [partner van de moeder] aanwezig is tijdens de bezoekregeling. De reden die bjz hiervoor geeft is gelegen in het vermoeden dat de [partner van de moeder] betrokken is (geweest) bij seksueel misbruik en hij mogelijk strafbare feiten jegens minderjarige kinderen zou hebben gepleegd. De moeder is van mening dat, nu er slechts sprake is van een vermoeden en bjz bovendien niet met haar heeft besproken dat haar partner niet bij de bezoekregeling mag zijn, de aanwijzing niet voldoende zorgvuldig is gegeven.

Overigens heeft de moeder ter zitting benadrukt dat voor haar - uiteraard - de veiligheid van de kinderen voorop staat.

Bjz heeft ter ondersteuning van de schriftelijke aanwijzing aangevoerd dat in een periode van twee jaar (zomer 2007-zomer 2009) zes verschillende signalen van seksueel overschrijdend gedrag van de [partner van de moeder] zijn gemeld. Deze signalen zijn afkomstig van - onder meer - twee minderjarige meisjes, een ouder van één van deze meisjes heeft een en ander bevestigd. Verder komen de signalen van diverse dienst- en hulpverleners aan wie de meisjes verteld hebben over betasting en seksueel misbruik. Ook via de politie is een melding binnengekomen van een derde jongere die aangaf ongewenst aangeraakt te zijn, maar waarvan er tot op heden geen aangifte is gedaan.

Bjz is van mening dat er, gelet op het vorenstaande, sprake is van dusdanige signalen van onveiligheid dat er geen sprake kan zijn van een uitgebreidere omgangsregeling. Bjz heeft voort in belangrijke mate laten meewegen de ervaringen van de betreffende kinderen in de opvoedsituatie bij de ouders en wat dit voor hen heeft betekend in hun ontwikkeling, alsmede de ervaringen met de moeder waar het gaat om het realiseren van een veilige opvoedsituatie. De kinderen zijn reeds twee maal uit huis geplaatst vanwege een onveilige opvoedingssituatie. Voorts vindt bjz het handelen van de moeder zeer zorgelijk. Zij lijkt te ontkennen dan wel te bagatelliseren dat er sprake is van een onveilige situatie, hetgeen een risico op zich is. Zij blijft haar partner steunen en kiest voor hem en niet voor haar kinderen, ondanks de signalen. Dat de moeder sinds enige tijd niet meer samenwoont met de [partner van de moeder], zoals ter zitting door de advocaat is aangevoerd, neemt niet weg dat de moeder nog steeds een relatie met hem heeft.

De kinderrechter is van oordeel dat de aanwijzing onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Ingevolge artikel 3:46 en 3:47, eerste lid, Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering en dient de motivering te worden vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Dat is slechts anders indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. In casu was daar geen sprake van en is de motivering eerst ter zitting vermeld. Voorts dient ingevolge artikel 4:8, eerste lid, Awb, voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende, die de beschikking niet heeft aangevraagd, naar verwachting bedenkingen zal hebben, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, indien de beschikking steunt op feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en deze gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt. Ter zitting is gebleken dat bjz niet met de moeder heeft overlegd over het voornemen en de redenen om een schriftelijke aanwijzing te geven met daarin ook opgenomen de beperking dat de [partner van de moeder] niet bij de bezoeken aanwezig mag zijn. Ten slotte behoort een schriftelijke aanwijzing pas dan te worden gegeven, indien door middel van overleg en overreding de gewenste medewerking van de betrokkene niet wordt verkregen. Niet is gebleken dat een dergelijk overleg heeft plaatsgevonden.

Gelet op het vorenoverwogene is de kinderrechter dan ook van oordeel dat het verzoek van de moeder om de aanwijzing vervallen te verklaren dient te worden toegewezen.

BESLISSING

verklaart de schriftelijke aanwijzing van bjz van 30 juni 2009 vervallen.

Deze beslissing is gegeven te Groningen op 15 september 2009 door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.