Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ6974

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
107977/ HA ZA 09-168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit? Paard gekocht met bedoeling te gebruiken voor dressuursport heeft binnen drie weken na levering (aanhoudend) last van op slot zittende knie (habituele patella fixatie). Dit korte tijdsverloop is op zich onvoldoende om aan te nemen dat gebrek ten tijde van levering al (latent) aanwezig was. Tijdens aankoopkeuring zijn geen gebreken geconstateerd en blijkens overgelegde literatuur kan deze aandoening op ieder moment en zomaar ontstaan. Een incident na aflevering kan de mogelijke oorzaak zijn. Koper heeft in het licht van het gemotiveerde verweer van verkoper onvoldoende gesteld om toegelaten te worden tot bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 107977 / HA ZA 09-168

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M.T. Hoen,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. V.S.A.W. Wegter.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 april 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 16 juni 2009.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Eiseres heeft op 29 juli 2008, via bemiddeling van dressuur- en trainingsstal [eigenaresse stal], een vierjarige KWPN-merrie (hierna: [Z]) gekocht voor EUR 7.500,00.

Voorafgaand aan de koop heeft eiseres [Z] meermalen bereden en is zij in het bezit gesteld van het op 11 maart 2008 door K. de Vries, dierenarts te Midwolde, opgemaakte keuringsrapport. In genoemd keuringsrapport is vermeld: “mooi rijpaard met goede bewegingen”.

De koop is gesloten onder de voorwaarde dat [Z] zou worden goedgekeurd. In verband met deze voorwaarde heeft eiseres [Z] op 29 juli 2008 klinisch en röntgenologisch laten keuren door J.A. Leusink, dierenarts bij de Paardenkliniek te Wolvega. Zowel eiseres als gedaagden waren aanwezig bij de keuring. Leusink heeft [Z] goedgekeurd. In het keuringsrapport staat vermeld: “Paard is naar mijn overtuiging geschikt voor het aangegeven gebruiksdoel. Positief aankoopadvies”. Aansluitend op de keuring heeft eiseres de koopsom contant voldaan en heeft zij de bij de merrie behorende papieren overhandigd gekregen.

De eigenaresse van de dressuur- en trainingss[eigenaresse stal], is een nicht van gedaagde sub 1. Gedaagde sub 1 is de vader van gedaagde sub 2.

Op 17 augustus 2008 heeft eiseres contact gezocht[eigenaresse stal] en met dierenarts Leusink omdat de knie van [Z] “op slot” zat. Op hun advies heeft eiseres ‘de training van [Z] voortgezet en haar op ander beslag gezet.

Op 28 augustus 2008 heeft eiseres gedaagde sub 2 telefonisch verzocht [Z] terug te nemen. Gedaagde sub 2 heeft in dat telefoongesprek kenbaar gemaakt dat niet zij, maar haar vader, gedaagde sub 1, de voormalige eigenaar tevens verkoper is van [Z].

Op 3 september 2008 heeft K. van Muiswinkel, dierenarts bij Dierenkliniek Emmeloord, [Z] onderzocht in opdracht van eiseres. Van Muiswinkel heeft zijn bevindingen op 28 oktober 2008 op papier gezet. De brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Op 3 september 2008 werd … [Z] onderzocht vanwege klachten van patella fixatie in beide achterbenen … Het klinisch en röntgenologisch onderzoek bevestigde de klachten. De bespiering van de boven achterbenen was onvoldoende, hetgeen de klachten kan verklaren. Daar het paard kort voor datum van onderzoek gekocht was en geen andere afwijkingen aangetoond konden worden werden de hoeven van beide achterbenen binnendoor gezet en beslagen. Een trainingsadvies werd gegeven om de bespiering te versterken. Nu de therapeutische maatregelen onvoldoende resultaat verschaffen moet geconcludeerd worden dat het paard niet voldoet aan het doel waartoe de eigenaar ... het paard heeft aangeschaft."

Op 29 september 2009 heeft E.J. Ebbens, dierenarts bij Dierenartsencentrum [woonplaats], [Z] onderzocht. Hij heeft, voor zover hier van belang, het volgende aan eiseres bericht:

"Bij onderzoek van het betreffende paard, heb ik habituele patellafixatie van het rechterachterbeen geconstateerd. Met andere woorden de rechterknie stond op slot, bij het van stal halen van het paard. …. Daarnaast zijn de spieren van de achterhand onvoldoende ontwikkeld en zijn de patellabanden te slap. …

Op termijn kan deze aandoening oplossen, echter … dressuursport is niet mogelijk."

Bij brief van 1 oktober 2008 heeft eiseres gedaagde sub 2 kenbaar gemaakt de koop te willen ontbinden. Gedaagde sub 1 heeft daarop schriftelijk kenbaar gemaakt niet mee te willen werken aan ontbinding. Op 3 december 2008 heeft eiseres gedaagde sub 1 in gebreke gesteld.

Het geschil

Eiseres vordert samengevat –

1. voor recht te verklaren dat gedaagde(n) in strijd met artikel 7:17 BW heeft/hebben gehandeld;

2. voor recht te verklaren dat gedaagde(n) toerekenbaar tekort is/zijn geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst;

3. voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst is ontbonden;

4. gedaagde(n) te veroordelen [Z] terug te nemen en de koopsom terug te betalen met rente;

5. gedaagde(n) te veroordelen tot vergoeding van de schade bestaande uit dierenartskosten met rente;

6. gedaagde(n) te veroordelen tot vergoeding van de schade bestaande uit speciaal beslag;

7. gedaagde(n) te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten;

8. gedaagde(n) te veroordelen in de kosten van de procedure.

Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De standpunten

Eiseres legt aan haar vorderingen - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

[Z] beantwoordt niet aan de koopovereenkomst. Zij is blijvend ongeschikt voor het doel waarvoor zij is gekocht, te weten de dressuursport. Dit blijkt uit de verklaringen van dierenartsen Van Muiswinkel en Ebbens.

Er is sprake van consumentenkoop, gedaagde sub 1 is een professionele fokker en bovendien heeft een handelsstal bemiddeld bij de verkoop. Op grond van artikel 7:18 BW wordt het gebrek vermoed al bij de aflevering aanwezig te zijn geweest.

Gedaagden voeren - kort weergegeven - het volgende verweer.

[Z] behoorde voor de verkoop in volle eigendom toe aan gedaagde sub 1. Gedaagde sub 2 is geen partij geweest bij de koopovereenkomst zodat eiseres niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering jegens gedaagde sub 2.

Van consumentenkoop is geen sprake, gedaagde sub 1 is geen professioneel paardenhandelaar, hij heeft gehandeld als particulier.

Eiseres heeft niet tijdig haar klachten kenbaar gemaakt. Zij heeft pas op 1 oktober 2008 een brief gestuurd waarin zij gedaagde sub 1 heeft geïnformeerd terwijl eiseres al geruime tijd van de klachten op de hoogte was. Gelet op artikel 7:23 BW komt haar geen beroep op non-conformiteit op.

Er is geen sprake van non-conformiteit. Op het moment van aflevering verkeerde [Z] in goede gezondheid en voldeed aan de eisen die eiseres stelde. Bij de aankoopkeuring is [Z] goedgekeurd voor het doel waarvoor eiseres [Z] heeft gekocht. Voor zover wel schadeplichtigheid bestaat wordt de omvang en de hoogte van de gevorderde schadeposten betwist.

De beoordeling

gedaagde sub 2

Hoewel eiseres aanvankelijk in de veronderstelling verkeerde dat gedaagde sub 2 (mede) aan [Z] in eigendom toebehoorde, bestrijdt zij in deze procedure niet dat uitsluitend gedaagde sub 1 voorheen de eigenaar was van [Z]. Het feit dat gedaagde sub 2 informatie over [Z] aan eiseres heeft verstrekt maakt nog niet dat gedaagde sub 2 naast gedaagde sub 1 als verkoper van [Z] kan worden aangemerkt. Nu een contractuele relatie tussen eiseres en gedaagde sub 2 ontbreekt kunnen de vorderingen jegens gedaagde sub 2, die allen zijn gegrond op non-conformiteit, hetgeen impliceert dat er sprake is van een tekortschieten in de nakoming van de koopovereenkomst, hoe dan ook niet slagen en zullen reeds daarom worden afgewezen.

consumentenkoop

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van consumentenkoop. Ter comparitie heeft gedaagde sub 1 uiteen gezet dat hij in 10 jaar tijd in totaal 4 veulens heeft gefokt, die geen van allen waren bestemd voor de verkoop, maar voor gebruik door zijn dochter. Dit is niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden door eiseres, zodat de rechtbank van de juistheid van de stellingen van gedaagde sub 1 zal uitgaan. Geconstateerd kan derhalve worden dat de veulens niet (primair) zijn gefokt met een winstoogmerk. Gelet op het geringe aantal veulens dat gedaagde sub 1 in relatief lange tijd heeft gefokt kan niet worden gezegd dat deze activiteiten het hobbymatige karakter overstijgen. Van handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf is dan ook geen sprake.

Het enkele gegeven dat een professionele handelsstal betrokken is geweest bij de verkoop van [Z] doet aan het voorgaande oordeel niet aan af. De rol van de handelsstal was gering, deze beperkte zich tot bemiddeling tussen koper en verkoper. Eiseres was er voorafgaand aan de koop van op de hoogte dat niet de handelsstal maar “[een van gedaagden]” haar contractuele wederpartij was.

klachttermijn

Het meest verstrekkende verweer dat gedaagde sub 1 voert is, dat wat er ook zij van de gestelde non-conformiteit, eiseres niet tijdig aan hem kenbaar heeft gemaakt dat [Z] niet aan de overeenkomst beantwoordt.

Vast staat dat eiseres op 17 augustus 2008, tweeënhalve week na de levering, voor het eerst heeft geconstateerd dat de knie van [Z] op slot stond, waarna ze op 28 augustus 2008 telefonisch aan gedaagde sub 1 heeft gemeld dat ze van de koop af wilde omdat [Z] volgens haar niet voldeed. Op dit telefoontje heeft gedaagde sub 2 afwijzend gereageerd en aan eiseres kenbaar gemaakt dat niet zij, maar gedaagde sub 1, partij was bij de koopovereenkomst. Vervolgens heeft eiseres [Z] meermaals laten onderzoeken, waarna ze zich op 1 oktober 2008 wederom, deze maal schriftelijk, tot gedaagde sub 2 heeft gewend. Gedaagde sub 1 heeft deze brief vervolgens beantwoord.

Artikel 7:23 lid 1 BW bepaalt dat de koper geen beroep op non-conformiteit toekomt indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken kennis heeft gegeven. Deze klachtplicht dient mede ertoe de verkoper in zoverre te beschermen dat deze erop moet kunnen rekenen dat de koper die meent dat de geleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, dit met spoed aan de verkoper meedeelt (HR 23 november 2007, RvdW 2007, 996, LJN: BB3733)

In het geval van een niet-consumentenkoop, zoals hier aan de orde, dient de vraag of de kennisgeving binnen bekwame tijd is geschied te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met in achtneming van alle relevante omstandigheden waaronder het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn (HR 29 juni 2007, RvdW 2007, 636, LJN: AZ7617).

De rechtbank zal het beroep op artikel 7:23 lid 1 BW verwerpen. Ter comparitie heeft gedaagde sub 2 kenbaar gemaakt dat zij direct na het telefoontje van eiseres op 28 augustus 2008 gedaagde sub 1 over de inhoud van het telefoontje heeft ingelicht. Vanaf dat moment was gedaagde sub 1 op de hoogte van het feit dat eiseres niet tevreden was over de aankoop van [Z], en kon hij er rekening mee houden dat eiseres hem zou benaderen. Het heeft weliswaar nog zo’n anderhalve maand geduurd voordat contact is geweest tussen eiseres en gedaagde sub 1, doch deze periode heeft eiseres niet onbenut voorbij laten gaan. Zij heeft [Z] onder meer tweemaal laten onderzoeken en de aan haar gegeven adviezen opgevolgd. Gesteld noch gebleken is, dat gedaagde sub 1 van dit tijdsverloop op enigerlei wijze nadeel heeft ondervonden.

non-conformiteit

De vraag die voorts beantwoording behoeft, is of [Z] aan de overeenkomst beantwoordt.

Eiseres stelt dat [Z] niet geschikt is voor het doel waarvoor zij haar heeft aangeschaft, de dressuursport, en verwijst daarvoor naar de verklaringen van dierenartsen Van Muiswinkel en Ebbens.

Dat [Z] thans kampt met een habituele patella fixatie en (thans) niet kan worden ingezet voor de dressuursport staat niet ter discussie. Het ijkpunt bij de beoordeling of [Z] aan de overeenkomst beantwoord is evenwel het tijdstip waarop de merrie is afgeleverd, zijnde 29 juli 2008. Eiseres heeft binnen drie weken na de aflevering geconstateerd dat [Z]’s knie op slot bleef staan. Dit enkele feit leidt niet tot de conclusie dat de aandoening al ten tijde van de aflevering (latent) aanwezig was. Het wettelijk vermoeden van artikel 7:18 BW geldt hier niet, nu het geen consumentenkoop betreft, en de verklaringen van dierenartsen Van Muiswinkel en Ebbens ondersteunen het standpunt van eiseres niet. Zij hebben zich niet uitgelaten over de oorzaak en het ontstaansmoment van de aandoening.

Gedaagde sub 1 heeft de stellingen van eiseres bovendien gemotiveerd betwist. Hij heeft daartoe literatuur overgelegd waaruit blijkt dat een aandoening als de onderhavige op ieder moment en zomaar kan ontstaan, en dat antedatering niet mogelijk is. Bovendien heeft gedaagde sub 1 gesteld dat de klachten van [Z] ook kunnen zijn ontstaan na de aflevering, bijvoorbeeld door een incident waarbij overrekking heeft plaatsgevonden. Hoewel eiseres dit heeft betwist kan dit niet worden uitgesloten. Vlak voor de koop zijn immers geen bijzonderheden geconstateerd. Noch door eiseres, die de merrie een paar maal heeft bekeken en heeft bereden alvorens tot de koop over te zijn gegaan, noch door de dierenartsen De Vries en Leusink. Leusink, die door eiseres is ingeschakeld om de aankoopkeuring te verricht, heeft immers geconcludeerd dat [Z] geschikt was voor het doel waarvoor eiseres haar wilde gebruiken.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres, gelet op de gemotiveerde betwisting van gedaagde sub 1, tekortgeschoten is in haar stelplicht dat [Z] al ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Aan het geven van een bewijsopdracht komt de rechtbank daarom niet toe. De vorderingen jegens gedaagde sub 1 zullen dan ook worden afgewezen.

proceskosten

Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- vast recht 313,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.081,00

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op EUR 1.081,00,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2009.