Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ5788

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
108707 / FA RK 09-620
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval en onder deze omstandigheden de financiële verantwoordelijkheid van de vader dient te worden beperkt, ingevolge artikel 1:399 BW. Met name de (onverwachte) geslachtsnaamwijziging van de jongmeerderjarige dochter is voor de vader dusdanig grievend, dat van hem niet in redelijkheid verwacht kan worden dat hij de overeenkomst onverkort nakomt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 399
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 126
EB 2009, 78
JPF 2010/12 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 108707 / FA RK 09-620

beschikking d.d. 18 augustus 2009

in de zaak van:

[dochter],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen de (jongmeerderjarige) dochter,

advocaat mr. D. Jakobs,

en

[vader],

wonende te [adres],

verweerder,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. M.E. Derix.

PROCESVERLOOP

De jongmeerderjarige heeft op 23 maart 2009 een verzoekschrift ingediend, waarin zij verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader met ingang van 1 januari 2009, althans met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan haar een bedrag van € 299,02 per maand, telkens bij vooruitbetaling, dient te voldoen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie redelijk acht, kosten rechtens. Voorts verzoekt zij te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van deze beslissing voor rekening van de vader zullen komen, voor zover deze door hem veroorzaakt worden.

De vader heeft op 19 mei 2009 een verweerschrift ingediend.

Op 9 juli 2009 is een faxbericht ontvangen van de advocaat van de vader.

Op 10 juli 2009 zijn ter griffie van de rechtbank aanvullende stukken ontvangen van de advocaat van de jongmeerderjarige.

De rechtbank heeft partijen de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van

21 juli 2009. Daarbij zijn verschenen en gehoord: partijen, bijgestaan door hun raadslieden.

De advocaat van de jongmeerderjarige heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

[moeder] en de vader, voornoemd, zijn met elkaar gehuwd [in 1986] te [***]. De jongmeerderjarige, voornoemd, is [in 1990] uit dit huwelijk geboren.

Bij beschikking van 17 augustus 2005 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken, welke beschikking op 24 augustus 2005 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Beoordeling

Tussen partijen staat vast dat zij in onderling overleg overeen zijn gekomen dat de vader met ingang van 1 januari 2009 een bijdrage van € 299,02 per maand zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige.

De jongmeerderjarige heeft verzocht om vastlegging van deze overeenkomst in een beschikking. De vader heeft ter zitting zijn verweer gewijzigd dan wel verduidelijkt, in die zin dat hij verzoekt om de overeenkomst tussen partijen te wijzigen en de door hem te betalen bijdrage op nihil te stellen dan wel te matigen, onder verwijzing naar artikel 1:399 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De advocaat van de jongmeerderjarige heeft tegen vorengenoemde wijziging geen bezwaar gemaakt.

Ingevolge artikel 1:399 BW kan de rechtbank de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde, dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd.

De vader heeft gemotiveerd gesteld dat hiervan in dit geval sprake is.

Niet in geschil is dat de jongmeerderjarige, na de scheiding van haar ouders in 2005, bij haar vader is blijven wonen. In de zomer van 2006 is zij naar haar moeder verhuisd, maar partijen hebben contact gehouden tot september 2008. Voorts staat vast dat de jongmeerderjarige in september 2008 haar vader heeft verzocht om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie en dat de vader vanaf 2006 tot 2008, in de periode dat zij bij haar moeder en stiefvader verbleef, nimmer heeft bijgedragen in de kosten van haar verzorging en opvoeding.

Over wat er daarna is gebeurd, verschillen partijen van mening.

Volgens de jongmeerderjarige heeft haar vader een aantal keren toegezegd een bijdrage te zullen voldoen, maar deze toezegging is hij niet nagekomen. De jongmeerderjarige zag zich vervolgens (in november 2008) gedwongen om naar een advocaat te stappen en juridische hulp in te schakelen. Als gevolg hiervan is de zaak tussen partijen geëscaleerd; de vader heeft de dochter 'achterbaks' genoemd en wil sindsdien - volgens de jongmeerderjarige - niets meer met haar te maken hebben, evenals de grootouders van de jongmeerderjarige. Vanwege de houding van haar vader en op grond van het 'advies' van haar grootouders heeft de jongmeerderjarige haar geslachtsnaam vervolgens gewijzigd in die van haar moeder.

Volgens de vader heeft de dochter, nadat zij in september 2008 om een bijdrage vroeg, elk contact verbroken, omdat de vader niet direct positief op haar verzoek reageerde; hij wilde eerst bekijken óf hij de financiële ruimte had om bij te dragen. Eerst in november 2008 hoorde de vader weer iets van zijn dochter; via haar advocaat, hetgeen voor de vader een klap in zijn gezicht betekende.

Vast staat dat, door tussenkomst van de advocaten, partijen overeenstemming hebben bereikt over de door de vader te betalen bijdrage, zoals hierboven genoemd. Voorts is niet in geschil dat de man daadwerkelijk op 1 januari 2009 voor de eerste maal de afgesproken bijdrage heeft betaald.

De vader stelt dat er thans sprake is van gewijzigde omstandigheden, waardoor van hem niet langer gevergd kan worden dat hij de overeenkomst naleeft. Hij voelt zich gekwetst over de gang van zaken en het feit dat de dochter het contact met hem heeft verbroken en hij is verbaasd over het feit dat zijn dochter de gemaakte afspraken in een beschikking vastgelegd wenst zien, terwijl de vader bereid was vrijwillig aan zijn verplichtingen te voldoen en dit ook heeft gedaan.

De spreekwoordelijke druppel die de emmer heeft doen overlopen, is het feit dat de vader via de gemeente moest vernemen over het verzoek van de dochter tot wijziging van haar geslachtsnaam van die van haar vader in die van haar moeder en dat ook nog op een moment dat partijen in gesprek waren over een door de vader ten behoeve van de dochter te betalen bijdrage. De vader voelt zich door deze gang van zaken erg gekwetst, daar zijn dochter aan de ene kant wel aanspraak maakt op een bijdrage van zijn kant, maar aan de andere kant zijn achternaam niet meer wenst te dragen. Dit is voor hem onacceptabel en heeft tot gevolg dat, naar zijn mening, van hem niet verlangd kan worden dat hij geheel of gedeeltelijk bijdraagt in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter.

De rechtbank overweegt dat de jongmeerderjarige ter zitting heeft erkend dat zij in december 2008 reeds een verzoek tot wijziging van geslachtsnaam heeft ingediend, waarvan zij haar vader niet op de hoogte heeft gebracht. De jongemeerderjarige heeft ter zitting niet kunnen uitleggen waarom zij de beslissing heeft genomen om haar achternaam te wijzigen, anders dan dat zij dat deed op 'advies' van haar grootouders. Wat daar ook van zij, voor de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de vader zeer gekwetst is door het verzoek van zijn dochter, zeker nu zij de vader hierover niet heeft geïnformeerd.

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat in dit geval en onder deze omstandigheden de financiële verantwoordelijkheid van de vader dient te worden beperkt. Met name de (onverwachte) geslachtsnaamwijziging van de jongmeerderjarige dochter, is voor de vader dusdanig grievend, dat van hem niet in redelijkheid verwacht kan worden dat hij de overeenkomst onverkort nakomt.

De behoefte van de jongmeerderjarige dient, naar het oordeel van de rechtbank, te worden vastgesteld op € 299,02 per maand. De rechtbank wijst hierbij op het verzoekschrift van de jongmeerderjarige, waaruit blijkt dat dit bedrag in overeenstemming is met haar behoefte, nu is aangesloten bij de rechtens niet afdwingbare ouderbijdrage terzake studiefinanciering, en hetgeen namens de vader ter zitting is aangevoerd. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de behoefteberekening, zoals overgelegd door de jongmeerderjarige, en hetgeen daartegen namens de vader is aangevoerd.

Volgens de advocaat van de vader kan de jongmeerderjarige een bedrag ad € 160,-- bij de Informatie Beheer Groep bijlenen per maand, zodat zij uiteindelijk een bedrag ad circa

€ 140,-- tekort zou komen. Nu de dochter hiertegen niets heeft ingebracht, gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze stelling.

In het verlengde hiervan, zal de rechtbank de overeenkomst tussen partijen wijzigen, in die zin dat de vader met ingang van 19 mei 2009 (datum indiening verweerschrift) een bijdrage van € 140,-- per maand aan zijn dochter dient te voldoen in de kosten van haar levensonderhoud en studie.

Het verzoek van de jongmeerderjarige om te bepalen dat bij niet-tijdige betaling de kosten van ten uitvoerlegging voor rekening van de vader dienen te komen komen, zal de rechtbank afwijzen, omdat niet (op voorhand) aannemelijk is dat de vader zijn verplichting niet zal nakomen.

De rechtbank zal de proceskosten compenseren, nu partijen in een ouderkind relatie tot elkaar staan.

BESLISSING

wijzigt de overeenkomst tussen partijen, in die zin dat de vader met ingang van 19 mei 2009, zijnde de datum van de indiening van het verweerschrift, een bijdrage van € 140,-- per maand aan de jongmeerderjarige dochter dient te betalen in haar kosten van levensonderhoud en studie, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.H. Nieuwenhuis-Oosterhof en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2009, ondertekend door

mr. P.W.Th. Buijtenhuijs in tegenwoordigheid van de griffier.

nw

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.