Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ3707

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
1004969 / 109556 FA RK 09-938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaarde bij voorwaardelijke machtiging kan onder omstandigheden betrekking hebben op (afwending van) gevaar dat (nog) niet ernstig genoeg is om dwangopneming te rechtvaardigen.

Art. 14a, art. 14d Wet Bopz

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

Zaaknr.: 1004969 / 109556 FA RK 09-938

Voorwaardelijke machtiging

beschikking d.d. 7 juli 2009

BESCHIKKING van de Rechtbank Groningen naar aanleiding van het door de officier van justitie op 27 april 2009 ingediende verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging ten aanzien van:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [adres],

verblijvende in op het woonadres,

hierna te noemen betrokkene.

PROCESGANG

Bij het verzoek is overgelegd een geneeskundige verklaring.

Tevens is overgelegd een beschrijving van de geestelijke en lichamelijke toestand van betrokkene, van de op hem toegepaste behandeling en de effecten daarvan.

De rechtbank heeft op maandag 4 mei 2009 de volgende personen gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door mr. B.H. Werink, raadsman van betrokkene,

- F. D. van Es, behandelend psychiater, en B. Waggeveld, arts-assistent, beiden, verbonden aan het UMCG Groningen.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gesignaleerd dat het overgelegde behandelingsplan in meerdere opzichten niet voldeed aan de eisen die de wet aan een dergelijk stuk stelt. In afwachting van het in het geding brengen van een nieuw plan, is de beslissing aangehouden.

Op 10 juni 2009 heeft de rechtbank, door tussenkomst van het openbaar ministerie, een gewijzigd behandelingsplan ontvangen.

Bij schrijven van 18 juni 2009 heeft mr. Werink op dit stuk gereageerd.

RECHTSOVERWEGINGEN

Uit de geneeskundige verklaring en het verhoor is gebleken dat betrokkene ook nog na het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging zal lijden aan een stoornis van de geestvermogens, te weten een waanstoornis.

Tevens is vast komen te staan dat deze stoornis betrokkene ook dan nog gevaar zal doen veroorzaken. Er is eerder door de rechtbank vastgesteld dat het betreft: gevaar voor zichzelf in de vorm van dreiging van maatschappelijke teloorgang, alsmede gevaar voor een ander in de vorm van een bedreiging van de gezondheidstoestand van een ander, te weten de moeder van betrokkene. Er is voor de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat deze gevaren zich niet langer voordoen; op de ernst van deze gevaren wordt hierna ingegaan.

Het gevaar kan buiten een psychiatrisch ziekenhuis slechts worden afgewend door het naleven van de voorwaarde dat hij zich doet behandelen overeenkomstig het op 10 juni 2009 overgelegde behandelingsplan, dat in afschrift aan deze beschikking is gehecht.

Namens betrokkene is ingestemd met een voorwaardelijke machtiging, maar niet met alle leefregels die daaruit voor hem voort zouden vloeien wanneer als omschrijving van zijn verplichtingen geldt hetgeen is neergelegd in het op 10 juni 2009 overgelegde behandelingsplan. Betrokkene stelt dat geen beperkingen kunnen worden gebaseerd op het genoemde gevaar voor zichzelf, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 14 november 2008.

Deze opmerking van betrokkene betreft het volgende.

Najaar 2008 was hij met een rechterlijke machtiging gedwongen opgenomen in het UMCG. Betrokkene verzocht ontslag. In de beschikking van 14 november 2008 legde de rechtbank neer dat het onheil dat de moeder bedreigde, zonder meer ernstig genoeg was om vrijheidsbeneming te rechtvaardigen; de rechtbank vervolgde: “anders ligt dat wat betreft de maatschappelijke teloorgang: dat proces is te diffuus en te langzaam voortschrijdend om te rechtvaardigen dat betrokkene het grondrecht van persoonlijke vrijheid wordt ontnomen”. Het ontslagverzoek werd vervolgens, wegens actuele aanwezigheid van eerstgenoemd gevaar, afgewezen.

Betrokkene voert thans aan dat louter het gevaar voor de moeder (welk gevaar hij zelf overigens weerspreekt) relevant is; indien er vanuit wordt gegaan dat de verzochte voorwaardelijke machtiging (slechts) nodig is om het gevaar voor de moeder af te wenden, dan mogen de voorwaarden ook uitsluitend daarop zien. Dat betekent dat (anders dan het behandelingsplan doet) geen eisen mogen worden gesteld aangaande het aanvragen van een uitkering of het zoeken van permanente woonruimte; het betreft hier geen voorwaarden die het relevante gevaar voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens beïnvloeden, aldus dit verweer.

Naar aanleiding van deze stellingname overweegt de rechtbank het volgende.

Ter gelegenheid van de totstandkoming van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke machtiging heeft de wetgever inderdaad in de toelichting op het wetsontwerp tot uitdrukking gebracht dat het ‘gevaar’ dat aanwezig moet zijn wil een voorwaardelijke machtiging kunnen worden verleend, gelijk is aan het ‘gevaar’ dat vereist is voor dwangopneming in een psychiatrisch ziekenhuis. In de ogen van de wetgever zou uitsluitend tot een voorwaardelijke machtiging mogen worden gemachtigd, indien het gevaar dat wordt aangevoerd al op dat moment voldoende ernstig is om dwangopneming te rechtvaardigen. De wetgever valt hierin niet zonder meer te volgen, omdat ‘gevaar’ geen statisch gegeven is en bij een persoon kan wisselen in de tijd. Als wordt beslist over een bepaalde beperking van de persoonlijke vrijheid, moet de beslisser – bijvoorbeeld de rechter – vaststellen of op dat moment de ernst van het gevaar déze vrijheidsbeperking rechtvaardigt. Eerder aanwezig gevaar kan zijn verminderd, terwijl aanvankelijk aanwezig gering gevaar juist aanzienlijk kan zijn geworden. Voorts is een relevante omstandigheid dat de ene vrijheidsbeperking niet even zwaarwegend is als de andere; een voorwaardelijke machtiging is nu eenmaal lichter dan een dwangopneming in een psychiatrisch ziekenhuis.

In dit perspectief moet ook de uitspraak van deze rechtbank van 14 november 2008 worden gezien: het gevaar dat gelegen was in het proces van maatschappelijke teloorgang was op dat moment niet ernstig genoeg om algehele opsluiting te rechtvaardigen. Hiermee was echter allerminst gegeven dat dit gevaar verder niet relevant kon of nu kan worden geacht. Ook de maatschappelijke teloorgang, hoezeer toen en ook nu nog minder dreigend onheil in zich bergend, is wel degelijk een gegevenheid. Mede op dát gevaar afgestemde, lichtere maatregelen kunnen geëigend zijn. Indien in het licht van de regeling van art. 14d Wet Bopz daadwerkelijke opneming aan de orde zou zijn, dient op dat moment (opnieuw) te worden beoordeeld of er enig gevaar is (welk dan ook) dat voldoende ernstig is om zulke dwangopneming te rechtvaardigen.

De slotsom is dat de in het behandelingsplan benoemde elementen die louter zien op het gevaar voor maatschappelijke teloorgang, wel degelijk daarin een rol kunnen hebben.

Voor zover betrokkene zich niet bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden (en het lijkt er op dat hij, indien de rechtbank zijn verweer verwerpt, bereid is zich te doen behandelen overeenkomstig alle onderdelen van het behandelingsplan), neemt de rechtbank redelijkerwijs aan dat hij (desondanks) zal naleven.

Het verzoek zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de geldigheidsduur van de machtiging gerekend wordt vanaf 25 mei 2009 (de machtiging voortgezet verblijf liep tot en met 24 mei 2009).

BESLISSING:

De rechtbank:

verleent een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz, welke machtiging geldig is tot en met 25 november 2009.

bepaalt dat als voorwaarde geldt dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het behandelingsplan dat aan deze beschikking is gehecht.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.A.M. Dijkers, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2009.