Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ2221

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
02-07-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
105092, 105572, 111103
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dient de rechtbank, bij gebreke van de bij beschikking van 7 januari 2009 gevraagde nadere onderzoeksgegevens, reeds hierom de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing voor langere duur af te wijzen omdat geen gebruik mag worden gemaakt van gegevens ouder dan 2 jaar? De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

Meervoudige kamer

zaaknr's.: 105092 / JE RK 08- 896, 105572 / JE RK 08-964 en 111103 / JE RK 09-577

beschikking kinderrechter d.d. 2 juli 2009

inzake

* [minderjarige], geboren in de gemeente Groningen [in 2008],

kind van:

[de vader],

en

[de moeder],

beiden wonende te [adres].

De ouders zijn belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

PROCESGANG

De kinderrechter heeft op 10 oktober 2008, 24 oktober 2008 (hersteld bij beschikking

d.d. 21 november 2008), 31 oktober 2008 en 7 januari 2009 beschikkingen gegeven.

Bureau jeugdzorg Groningen (Bjz) heeft de rechtbank bij brief van 3 februari 2009 bericht dat de zaak is overgedragen aan de William Schrikker Groep (WSG).

Op 25 mei 2009 heeft de WSG een verzoekschrift met bijlagen ingediend, gedateerd

22 mei 2009, strekkende tot het verlenen van een verlenging machtiging uithuisplaatsing.

Op 15 juni 2009 is een brief van de pleegouders van [minderjarige] binnengekomen, waarin zij aangeven dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt en zij niet bij de behandeling ter zitting aanwezig zullen zijn.

Op 19 juni 2009 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: de ouders van de minderjarige, bijgestaan door hun raadsman mr. M.T. van Daatselaar, mevrouw A. Medema en E. Kroese, namens de WSG.

De kinderrechter heeft na de behandeling ter zitting de zaak voor uitspraak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

Voorgeschiedenis

[minderjarige] is [in 2008] geboren in het Martini Ziekenhuis in Groningen.

Direct na zijn geboorte is [minderjarige] op grond van een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoed machtiging uithuisplaatsing geplaatst in een geheim crisispleeggezin. De kinderrechter heeft op 24 oktober 2008 de voorlopige ondertoezichtstelling bekrachtigd, maar niet de machtiging uithuisplaatsing, waarna [minderjarige] op 27 oktober 2008 is teruggeplaatst bij zijn ouders. Op 31 oktober 2008 is er op basis van bij de rechtbank nieuw bekend geworden feiten en omstandigheden, opnieuw een spoed machtiging uithuisplaatsing verleend. Sindsdien verblijft [minderjarige] (opnieuw) in voornoemd geheim crisispleeggezin.

Bij beschikking van 7 januari 2009 is [minderjarige] met ingang van 10 januari 2009 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld. Voorts heeft de kinderrechter bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 10 juli 2009 en is de beslissing met betrekking tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling aangehouden.

Beoordeling

De WSG heeft in het verzoekschrift aangegeven dat de door de rechtbank in de beschikking van 7 janauri 2009 verzochte onderzoeksgegevens nog niet beschikbaar zijn ten gevolge van een drietal factoren. Allereerst is er een vertraging ontstaan omdat de WSG de zaak eerst in februari 2009, zonder dat er al uitvoering was gegeven aan de beschikking van de kinderrechter van 7 januari 2009, overgedragen heeft gekregen van Bjz. Vervolgens bleek het moeilijk om ouders aan te melden voor onderzoek, als de beslissing van de kinderrechter of [minderjarige] bij de ouders geplaatst kan worden, grotendeels afhangt van wat er uit de onderzoeksresultaten blijkt. De WSG heeft om die reden er toen voor gekozen om niet het gehele onderzoek door dezelfde instelling te laten verrichten. Er is besloten de ouders en [minderjarige] aan te melden voor observatie in 'De Eekwal' in Assen en er is besloten de ouders aan te melden voor een psychodiagnostisch onderzoek bij het Poliklinische Advies Team in Assen. Ten slotte zijn de mogelijkheden voor onderzoek en observatie bemoeilijkt vanwege het feit dat moeder is gedetineerd in Zwolle. De WSG heeft daarbij aangegeven dat de observatie in 'De Eekwal' eind 2009, begin 2010 kan starten en dat het onderzoek naar vader op korte termijn start.

De WSG is van mening dat, in afwachting van de onderzoeksresultaten, een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het is niet duidelijk of de ouders, gezien hun voorgeschiedenis en problematiek, in staat zijn om voor [minderjarige] te kunnen zorgen en adequaat om te kunnen gaan met [minderjarige] als het gaat om zijn basale verzorgingsbehoeften. Binnen het huidige pleeggezin laat [minderjarige] een positieve ontwikkeling zien. Hij ervaart veel veiligheid, geborgenheid, rust en affectie en hij laat zien dat hij zich kan hechten. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] voor een derde keer uit huis moet worden geplaatst. Het feit dat er nieuwe onderzoeken moeten worden verricht neemt niet weg dat bij gebreke van die informatie, niet geheel voorbij kan worden gegaan aan de voorgeschiedenis.

De ouders hebben ter zitting allereerst naar voren gebracht dat hen in juridisch en feitelijke zin tekort is gedaan. Ouders hebben Bjz vroegtijdig kenbaar gemaakt dat er sprake was van een zwangerschap en zij hadden alle hulp willen aanvaarden om een uithuisplaatsing te voorkomen maar zij zijn niet gehoord. Als er destijds adequate hulpverlening was verleend hadden de spoeduithuisplaatsingen voorkomen kunnen worden.

Ouders hebben zich vervolgens primair op het standpunt gesteld dat er geen enkele grond voor een verlenging aanwezig is. Het is niet juist om een verlenging van de uithuisplaatsing te baseren op gegevens ouder dan twee jaar. Het gevraagde onderzoek is niet gereed. Moeder is op dit moment gedetineerd, maar vader kan en wil ook voor [minderjarige] zorgen. Er is voor vader een sociaal vangnet en ambulante hulpverlening aanwezig.

Subsidiair dient te worden overgegaan tot terugplaatsing van [minderjarige] bij zijn ouders, aansluitend op de datum invrijheidsstelling van moeder, te weten 25 september 2009.

De kernvraag die door de raadsman van de ouders aan de rechtbank is voorgelegd is de vraag of de rechtbank, bij gebreke van de bij beschikking van 7 januari 2009 gevraagde nadere onderzoeksgegevens, reeds hierom de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing voor langere duur dient af te wijzen omdat geen gebruik mag worden gemaakt van gegevens ouder dan twee jaar. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, vormen de belangen van het kind een eerste overweging. De rechtbank dient derhalve, ook bij de onderhavige beoordeling, het belang van [minderjarige] een eerste overweging te laten vormen. In geval van conflicten van belangen, zoals ook in deze zaak, behoren in de regel de belangen van het kind de doorslag te geven.

Uit de nadere toelichting van de WSG, het verhandelde ter zitting en de brief van de pleegouders blijkt dat het met [minderjarige], ná een traumatisch ervaren tweede uithuisplaatsing, goed gaat. Hij ontwikkelt zich naar behoren en hij laat zien dat hij zich kan hechten. Duidelijk is geworden dat [minderjarige] binnen het huidige pleeggezin veel veiligheid, geborgenheid, rust en affectie ervaart.

Onveranderd bestaan er ernstige zorgen over de opvoedingskwaliteiten van de ouders. Om die reden is [minderjarige] ook uit huis geplaatst en heeft de rechtbank een nader onderzoek gelast. De WSG heeft de rechtbank ervan kunnen overtuigen dat zij zich maximaal hebben ingespannen om voor de onderhavige zitting de gevraagde nadere onderzoeksgegevens over te leggen. Dat dit niet is gelukt, is te wijten aan omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de WSG liggen. Eén van deze omstandigheden is het gegeven dat moeder sinds

23 maart 2009 tot 25 september 2009 is gedetineerd vanwege de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor een poging tot moord.

De rechtbank is van oordeel dat nu het onderzoek naar de capaciteiten van vader is gestart, danwel op zeer korte termijn start, en nu moeder tot eind september 2009 is gedetineerd het niet in het belang van [minderjarige] is om thans tot een terugplaatsing te besluiten. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] na een thuisplaatsing voor een derde maal uit huis zou moeten worden geplaatst. Voor zijn ontwikkeling zou dat zeer schadelijk zijn. [minderjarige] is een baby van nu bijna negen maanden. Uit wetenschappelijk onderzoek is bekend dat de opbouw van een hechtingsrelatie tussen verzorgers en kind een periode beslaat van kort na de geboorte tot de leeftijd van drie jaar. Ook is bekend dat een goede hechting tussen het zeer jonge kind en zijn verzorger de basis vormt voor een gezonde verdere emotionele en cognitieve ontwikkeling van het kind en dat een verstoorde hechtingsrelatie in de vroege kinderjaren blijvende (schadelijke) gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van het kind.

Gelet op het vooroverwogene is [minderjarige] het meest gebaat bij het behoud van een stabiele woon- en leefomgeving. Een derde uithuisplaatsing moet worden voorkomen, terwijl op grond van de huidige gegevens de kans op een dergelijke nieuwe uithuisplaatsing als reëel moet worden beschouwd. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in het belang van [minderjarige] niet voorbij kan worden gegaan aan de, door de raadsman gestelde 'oudere', gegevens zoals die bij de rechtbank aanwezig zijn. Te meer niet omdat een deel van de zorgen voortvloeien uit gegevens die blijvend zijn. De rechtbank benoemt in dat kader het gegeven dat zowel bij moeder als bij vader sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van hun geestvermogens.

Het IQ van moeder is in februari 2006 vastgesteld op 58. Al ware het zo dat deze score, zoals door de raadsman naar voren gebracht, negatief is beïnvloed, een zeer groot verschil acht de rechtbank gelet op de overige gegevens niet aannemelijk. Zo blijkt uit de informatie van 'De Eekwal' van augustus 2006 verkregen op grond van observatie, dat het functioneren van moeder zeer disharmonisch is; 'cognitief functioneert zij op een niveau 7 tot 12 jaar, waarbij haar sociale redzaamheid hoger ligt en sociaal emotioneel sprake is van een uitschieter naar beneden, een niveau van ongeveer drie jaar'. Voorts blijkt uit de Pro-Justitia rapportage van augustus 2007, dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens.

Uit psychodiagnostisch onderzoek van 6 mei 2008 blijkt dat het intellectuele vermogen van vader ligt op zwakbegaafd niveau (TIQ 75, PIQ 85, VIQ 68).

De rechtbank is voorts van oordeel, dat bij gebrek aan recentere gegevens, er niet aan voorbij kan worden gegaan dat in voornoemde Pro-Justitia rapportage staat vermeld dat uit onderzoek blijkt dat moeder onder ongunstige leefomstandigheden haar onmacht, angst of woede kan omzetten in destructructief gedrag. En de onderzoeker om die reden een vorm van intramurale hulpverlening adviseert en vast staat dat moeder de intramurale hulpverlening (tot op heden) niet heeft afgerond. Om die reden is ook de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf bevolen. Voorts kan er niet aan worden voorbij gegaan dat uit voornoemd psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat vader niet in staat is om ontstane spanningen op adequate wijze te laten afvloeien, hij woede opkropt, zich terugtrekt, gaat mokken, angstig en depressief wordt en het resultaat daarvan is dat er sprake is van impulsdoorbraken. En ook vader de aangeboden behandeling niet heeft geaccepteerd.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling. Zij merkt daarbij op dat, nu nog geen zekerheid is over een eventuele thuisplaatsing in de toekomst, het van belang is dat [minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld om ook een hechtingsrelatie aan te gaan met zijn ouders. Het is daarom van belang dat hij, vanzelfsprekend binnen de detentie mogelijkheden van moeder, frequent contact heeft met beide ouders.

BESLISSING

verleent met ingang van 10 juli 2009 de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg, voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter en voorzitter, mr. D.A. Flinterman en mr. P.W.Th. Buijtenhuijs, kinderrechters in tegenwoordigheid van M. Dijk griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2009.

Van de in deze beschikking genomen beslissing tot uithuisplaatsing kan hoger beroep worden ingesteld drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.