Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ0722

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
110597/KG ZA 09-183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Mogelijkheid van besmetting met HIV, bloedonderzoek, wilsonbekwaamheid, onrechtmatige daad, schadevergoeding door persoon met geestelijke tekortkoming, art. 6:165 BW, amicus curiae, ambtshalve toevoeging advocaat, compensatie proceskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 110597 / KG ZA 09-183

Vonnis in kort geding van 11 juni 2009

in de zaak van

1. de openbare rechtspersoon POLITIEREGIO GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiser sub 6],

wonende te [woonplaats],

7. [eiser sub 7],

wonende te [woonplaats],

8. [eiser sub 8],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.D. Leerink,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de mondelinge behandeling op 11 juni 2009 In het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) waarbij aanwezig waren: [naam] en [naam] van de Regiopolitie Groningen met mr. Leerink voornoemd, mr. J. Bolt en de heer B. Dorenbos, arts-assistent bij de afdeling psychiatrie van het UMCG.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. In de nacht van dinsdag 9 juni 2009 om 23.55 uur is gedaagde gearresteerd door agenten van de Politieregio Groningen. Voorafgaande aan de aanhouding had gedaagde zichzelf met een hamer onder andere aan zijn hoofd verwond, wat veel bloedverlies opleverde. Tijdens de aanhouding zijn eisers 2 tot en met 8, agenten van de Politieregio, in aanraking gekomen met het bloed van gedaagde, niet alleen op de dienstkleding, maar ook op de huid van onder andere armen en handen.

Op woensdag 10 juni 2009 is gedaagde op de voet van art. 20 Wet Bopz door de burgemeester van Groningen in bewaring gesteld; aansluitend is betrokkene opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, te weten de afdeling psychiatrie van het UMCG.

Op de voet van art. 22 Wet Bopz is mr. Bolt door de burgemeester als Bopz-piketadvocaat aan gedaagde toegevoegd.

2.2. Op donderdagmorgen 11 juni 2009 heeft de voorzieningenrechter toestemming verleend om – gelet op de gestelde spoedeisendheid - gedaagde te dagvaarden voor een zitting dezelfde middag om 15.00 uur, welke zitting heeft plaatsgevonden in de afdeling psychiatrie van het UMCG.

De voorzieningenrechter, ambtshalve op de hoogte zijnde van de toevoeging van mr. Bolt, heeft deze advocaat uitgenodigd ter zitting aanwezig te zijn.

2.3. Gedaagde is niet verschenen in de gespreksruimte waar de zitting werd gehouden. De behandelend arts heeft verklaard dat op het moment van de zitting gedaagde mentaal volstrekt onbereikbaar is: door toedoen van een psychiatrische stoornis is met gedaagde thans geen enkel contact te krijgen, betrokkene is niet meer communicabel.

De voorzieningenrechter trekt de conclusie dat betrokkene voor wat betreft de thans aan de orde zijnde kwestie – instemmen met het aan derden verstrekken van informatie over de resultaten van bloedonderzoek – wilsonbekwaam is te achten.

Mr. Bolt heeft verklaard dat hij eerder, gedurende zijn bezoek in het kader van de Wet Bopz, wel enigermate met betrokkene kon communiceren, maar dat hij voorafgaand aan dit kort geding met gedaagde inderdaad geen contact meer kon krijgen; hij heeft dan ook geen opdracht van betrokkene om in dit kort geding diens belangen te behartigen.

2.4. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat het gevraagde verstek zal worden verleend.

2.5. Mr. Bolt heeft zich bereid verklaard om als amicus curiae zijn zienswijze naar voren te brengen.

De voorzieningenrechter overweegt dat art. 6 Evrm een eerlijk proces verlangt. Indien in de gegeven situatie van verstek slechts het woord zou worden gegund aan eisers, zou dat afbreuk doen aan de fairness van het proces. In zoverre de Nederlandse wetgeving geen ruimte biedt om in een geval als het onderhavige een advocaat toe te voegen die - niet krachtens volmacht van zijn cliënt, maar op verzoek van de rechter - vanuit het (veronderstelde) perspectief en belang van gedaagde adviseert, is de Nederlandse wet onverbindend te achten.

De voorzieningenrechter laat mr. Bolt dan ook toe om in het geding als amicus curiae opmerkingen te maken; naar analogie van het derde lid van art. 8 Wet Bopz voegt de voorzieningenrechter mr. Bolt toe.

2.6. Eisers hebben bij dagvaarding het volgende gesteld. Zij hebben een zwaarwegend belang dat op korte termijn zoveel mogelijk zekerheid wordt verkregen over de vraag of zij besmet kunnen zijn met aids, het HIV-viris, hepatitis en/of een andere overdraagbare ziekte of virus. Druggebruik door gedaagde wordt verondersteld op grond van de bevindingen tijdens het politieonderzoek. Voor het verkrijgen van zekerheid is noodzakelijk dat het bloed van gedaagde wordt onderzocht; onthouding van medewerking daaraan is onrechtmatig jegens eisers sub 2 tot en met 8. Het belang van deze eisers bij zekerheid weegt zwaarder dan de waarborging van de lichamelijke integriteit van betrokkene. Gedaagde heeft reeds schade berokkend bestaande uit onzekerheid en medische kosten; uit hoofde van zijn schadebeperkingsplicht dient gedaagde mee te werken aan bloedonderzoek en de mededeling van de resultaten daarvan aan eisers. Het spoedeisend belang wordt mede hierdoor bepaald dat zodra gedaagde ontslagen zou worden, medewerking aan een veroordeling niet zeker gesteld is.

2.7. Ter zitting heeft de behandelend arts meegedeeld dat overeenkomstig het protocol, in het kader van de geneeskundige behandeling, reeds bloed van gedaagde is afgenomen; de resultaten van het onderzoek van het bloed – dat mede gericht is op het vaststellen van aandoeningen als waar eisers het oog op hebben – zullen op korte termijn beschikbaar zijn.

De internist heeft aan de behandelend arts meegedeeld dat in geval van een besmetting als door eisers gevreesd, binnen maximaal 72 uren een injectie dient plaats te vinden, welke injectie geen absolute waarborg biedt, maar de hoogst haalbare bescherming biedt.

2.8. De voorzieningenrechter neemt spoedeisendheid aan vanwege het belang van eisers om zo spoedig mogelijk zekerheid te verkrijgen, het wellicht wegvallen van de mogelijkheid van tenuitvoerlegging en – vooral – de hiervoor genoemde strikte termijn van 72 uur waarbinnen nog handelend kan worden opgetreden.

Deze korte termijn ook maakt het niet mogelijk om te wachten tot het moment dat betrokkene weer wilsbekwaam zal zijn.

2.9. Niet zeker is dat er op bedreigende wijze bloed-contact is geweest, maar de kans daarop is (bijvoorbeeld via kleine wondjes aan de handen van een van eisers) reëel. Voorts is er een reële mogelijkheid van besmetting met een aandoening als door eisers bedoeld.

2.10. Hoezeer gedaagde op dinsdag ook heeft gehandeld door toedoen van een geestesstoornis en hoezeer ook het heden uitblijven van instemming met bloedonderzoek met het oog op het informeren van eisers voortvloeit uit dezelfde geestesstoornis, in beide gevallen is er sprake van een onrechtmatige daad van gedaagde, namelijk een inbreuk op rechten van eisers. Uit art. 6:165 BW vloeit voort dat de omstandigheid dat een gedraging onder invloed van een geestelijke tekortkoming plaatsvindt, geen beletsel vormt om die gedraging als onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen.

2.11. De vordering noopt tot een afweging van belangen. Het zwaarwegende belang van eisers om helderheid te krijgen over de mogelijkheid van een aandoening en in dat verband nog tijdig beschermende maatregelen te nemen, prevaleert boven het belang van gedaagde dat de resultaten van het onderzoek van het met een ander doel afgenomen bloed uitsluitend aan hemzelf vertrouwelijk worden meegedeeld.

2.12. Eisers hebben nog gevorderd dat gedaagde wordt veroordeeld om kosten die samenhangen met onderzoek en/of medische verrichtingen te dragen.

Omtrent dit onderdeel van de vordering overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Art. 1:109 BW staat het de rechter toe een schadevergoedingsverplichting te matigen indien toekenning van volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Tot de omstandigheden die bij eventuele matiging van belang zijn behoort de aard van de aansprakelijkheid; blijkens de parlementaire geschiedenis is hierbij in het bijzonder aan de aansprakelijkheid van art. 6:165 BW gedacht. Voorts zijn voor de toepassing van art. 6:109 BW van belang wederzijdse draagkracht en de mogelijkheid van verhaal.

Nu in het onderhavige geval de factoren

(a) invloed van de geestesstoornis,

(b) het gegeven dat eiser gedaagde een armlastige student is, zowel als

(c) de verplichtingen van eiseres sub 1 als werkgeefster jegens de andere eisers (en het in dat verband van belang zijnde wetsartikelen 7:658 en 7:611 BW),

ieder voor zich en zeker in onderling verband en samenhang, het hoogst twijfelachtig maken of in een bodemprocedure gedaagde zal worden veroordeeld tot vergoeding van de nu geclaimde kosten, is er in kort geding onvoldoende grond om de gevorderde veroordeling uit te spreken.

2.13. Wat betreft de proceskosten laten de bewoordingen van art. 237 Rv weinig of geen ruimte: behoudens hier niet relevante gevallen dient de partij die in het ongelijk wordt gesteld, ook te worden veroordeeld in de proceskosten.

Nu de proceskosten in het onderhavige geval evenwel naar hun aard niet zijn te onderscheiden van schades als die waaromtrent in rechtsoverweging 2.12 is overwogen dat het niet in de rede ligt dat gedaagde deze zou moeten vergoeden, is er grond om met voorbijgaan van de tekst van art. 237 Rv te beslissen dat ieder partij de eigen proceskosten draagt.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1. verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde,

3.2. machtigt de arts, of de instantie waaraan de arts verbonden is, die het bloedonderzoek heeft uitgevoerd, de uitslagen zo spoedig mogelijk na het bekend worden daarvan mede te delen aan eisers, danwel een door eisers gemachtigde arts,

3.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2009.?