Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BI9498

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
AWB 09/65
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering terrasvergunning. Verweerder heeft te vaag en in te algemene termen een belangenafweging gemaakt. Daarmee heeft verweerder onvoldoende inzicht verschaft in de vraag hóe de belangen zijn gewogen, te meer nu - zoals ter zitting naar voren is gekomen - verweerder kennelijk nieuw beleid heeft ontwikkeld dat vanaf 2009 in beginsel vrijliggende terrassen aan het Hoge der A in Groningen toestaat. Daarmee is verweerder blijkbaar tot het oordeel gekomen dat verkeerskundige- en veiligheidaspecten aan een terras aldaar niet langer in de weg staan. Het had dan ook op verweerders weg gelegen om juist op deze onderdelen nader te motiveren waarom de belangen van eisers ondergeschikt zijn aan de belangen van de (verkeers)veiligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 09/65

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

[eisers],

allen wonende te Groningen,

eisers,

gemachtigde: mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

verweerder,

gemachtigde: mr. I. Simonides, werkzaam bij verweerders gemeente.

1. Onderwerp van geschil

Bij brief van 10 december 2008 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Drank- en Horecawet.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep aangetekend.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 13 mei 2009. Namens eisers is W.W. van Smeden verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten

Eisers hebben op 9 maart 2008 bij verweerder een drank- en horecavergunning aangevraagd voor de uitoefening van een café-restaurant, genaamd “De Sigaar”, op het adres Hoge der A 2 tot en met 4 in Groningen.

Op 7 mei 2008 hebben eisers bij verweerder een vergunning aangevraagd voor de exploitatie van een vrijliggend terras aan het Hoge der A in Groningen, ter hoogte van de nummers 2 tot en met 4, langs het water aan de overzijde van de weg.

Verweerder heeft op 23 juni 2008 een drank- en horecavergunning verleend voor het exploiteren van café-restaurant “De Sigaar”, alsmede voor een aangrenzend gevelterras.

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft verweerder de gevraagde vergunning voor een vrijliggend terras en de daarmee verband houdende uitbreiding van de drank- en horecavergunning geweigerd.

Eisers hebben bij brief van 11 augustus 2008 tegen het besluit van 15 juli 2008 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 10 december 2008 heeft verweerder het bezwaar van eisers, conform het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie van verweerders gemeente van 24 november 2008, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

3.2 Standpunten van partijen

Verweerder heeft ter motivering van zijn besluit verwezen naar het beleid dat hij voert ten aanzien van het gebruik van de openbare ruimte. Verweerder heeft de vergunning geweigerd omdat de nadruk in het gedeelte van het Hoge der A waar het terras zou moeten worden aangelegd op de functie wonen ligt. Voorts is vanuit verkeerkundig inzicht een terras aan de overzijde van de weg ongewenst, mede gelet op de veiligheid van het personeel en de bezoekers. Tevens heeft verweerder het advies van de politie gevolgd, waarin is aangegeven dat het terras aan het water onveilige situaties kan opleveren.

Ten slotte heeft verweerder bij de afweging van de betrokken belangen doorslaggevende betekenis toegekend aan het openbaar belang.

Eisers hebben - samengevat en voor zover hier van belang - naar voren gebracht dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Verweerder heeft slechts in algemene termen een afweging gemaakt tussen het openbaar belang en de belangen van eisers, maar heeft nagelaten gemotiveerd de bezwaren van eisers te weerleggen.

Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het besluit op goede gronden is genomen.

Ter zitting hebben partijen melding gemaakt van nieuw beleid ten aanzien van terrassen in de openbare ruimte, dat verweerder met ingang van 2009 voert. Eisers hebben daarbij naar voren gebracht dat zij van verweerder hebben vernomen dat zij in de zomer van 2009 aan het Hoge der A een vrijliggend terras mogen exploiteren.

3.3 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 2.3.1.4 van de Algemeen Plaatselijke Verordening Groningen 2005 (hierna: de APV) kan het college in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, zedelijkheid en gezondheid nadere regels stellen omtrent de exploitatie van horecabedrijven.

Verweerder heeft voor de gebruikmaking van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 2.3.1.4 van de APV - voor zover hier van belang - beleid ontwikkeld dat is opgenomen in het “Handboek Ruimte voor Ruimte” en enkele aanvullende beleidsstukken.

Ten aanzien van het beleid voor vrijliggende terrassen heeft de bezwaarschriftencommissie in het advies dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, uiteengezet dat een aanvraag voor een terrasvergunning mede zal worden beoordeeld op basis van de beschikbare ruimte. Als basis geldt dat er voldoende ruimte over moet blijven voor het primaire gebruik van het openbare gebied, in het bijzonder het openbare verkeer. Verder gelden de uitgangspunten van het “Handboek Ruimte voor Ruimte”, dat wil zeggen het opschonen van de openbare ruimte in de binnenstad, het verminderen van obstakels, zoals straatmeubilair en dergelijke, en het terugdringen van het privatiseren van de openbare ruimte.

3.4 Beoordeling

Ter beoordeling door de rechtbank ligt voor of verweerder op goede gronden zijn besluit heeft gehandhaafd om eisers geen terrasvergunning te verlenen. Daarbij is van belang dat het thans gaat om een beoordeling van een besluit dat ziet op een weigering van een terrasvergunning voor het jaar 2008.

De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van verweerder om een exploitatievergunning - geheel of gedeeltelijk - te weigeren discretionair van aard is, hetgeen inhoudt dat verweerder ter zake beleidsvrijheid is gelaten. De (wijze van) gebruikmaking van deze bevoegdheid dient door de rechtbank terughoudend te worden beoordeeld.

Verweerder heeft met voornoemd beleid in zijn algemeenheid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet overschreden.

De grieven van eisers betreffen met name de belangenafweging.

Eisers hebben in dit verband naar voren gebracht dat zij een commercieel belang hebben bij de exploitatie van een vrijliggend terras. Voorts hebben zij bestreden dat ter plaatse sprake is van een rustige woonomgeving, waarin een terras niet zou passen. Tevens hebben zij betoogd dat de (verkeers)veiligheid niet in het geding is, omdat ter plaatse een parkeerverbod geldt en alleen sprake is van rustig verkeer. Het terras zal van het water worden afgeschermd met een hek, zodat daar geen onveilige situaties zullen ontstaan. Eisers stellen dat, gelet op deze feiten en omstandigheden, de openbare belangen ondergeschikt zijn aan hun belangen.

In het bestreden besluit heeft verweerder in dit verband het volgende gesteld:

“Wij hebben in het betreden besluit een afweging gemaakt tussen de betrokken belangen. Hierbij is niet alleen gekeken naar de belangen van de aanvrager maar ook naar het openbaar belang. Wij hebben aan het openbaar belang doorslaggevende betekenis toegekend. In het bestaande beleid zijn keuzes gemaakt ten aanzien van het gebruik van de openbare ruimte. Hierbij spelen zaken als de uitstraling van het gebied, de mogelijke overlast voor de buurt en de veiligheid een rol. Wij hebben besloten het advies van de bezwarencommissie over te nemen. Voor de motivering van ons besluit verwijzen wij naar het bijgevoegde advies van de commissie.”

In het advies van de bezwaarschriftencommissie van 24 november 2008 is in dit verband het volgende gesteld:

“De commissie constateert dat verweerders in het bestreden besluit een afweging hebben gemaakt tussen de betrokken belangen. Aan het openbare belang hebben verweerders doorslaggevende betekenis toegekend (…).”

De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder met deze overwegingen te vaag en in te algemene termen een belangenafweging heeft gemaakt. Daarmee heeft verweerder onvoldoende inzicht verschaft in de vraag hóe de belangen zijn gewogen, te meer nu - zoals ter zitting naar voren is gekomen - verweerder kennelijk nieuw beleid heeft ontwikkeld dat vanaf 2009 in beginsel vrijliggende terrassen aan het Hoge der A toestaat. Daarmee is verweerder blijkbaar tot het oordeel gekomen dat verkeerskundige- en veiligheidaspecten aan een terras aldaar niet langer in de weg staan. Het had dan ook op verweerders weg gelegen om juist op deze onderdelen nader te motiveren waarom de belangen van eisers ondergeschikt zijn aan de belangen van de (verkeers)veiligheid.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit lijdt aan motiveringsgebreken en daarom dient te worden vernietigd. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb te worden bepaald dat het door eisers betaalde griffierecht ad € 288,- door verweerder aan eisers wordt vergoed.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die de kosten aan eisers moet betalen. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 644,-.

Beslist wordt daarom als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 10 december 2008;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Groningen eisers het betaalde griffierecht ad € 288,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, en bepaalt dat deze kosten aan eisers dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge en in het openbaar uitgesproken

op 17 juni 2009, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Pot als griffier.

w.g. De griffier,

w.g. De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.