Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BI8719

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
18/630545-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de rapportage van het NFI blijkt dat het slachtoffer ten gevolge van verwondingen toegebracht bij leven met verschillende steekwapens is overleden. Hieruit leidt de rechtbank af dat er een moment van bezinning bij verdachte moet zijn geweest tijdens zijn daad en er derhalve sprake is van voorbedachte raad. Dat verdachte zegt zich niets te kunnen herinneren doet hier niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630545-08 (promis)

datum uitspraak: 18 juni 2009

op tegenspraak

raadsman: mr. C. Eenhoorn

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats & -datum],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in [detentieadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

26 februari 2009, 14 mei 2009 en 4 juni 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2008 tot en met 08 november 2008, te Groningen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meerdere malen, althans eenmaal, met een mes en/of een schaar, althans met (een) (steek)wapen(s), althans met (een) scherp(e) voorwerp(en), die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden in het gezicht, de hals en/of de borststreek, in ieder geval zware verwondingen toegebracht aan het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2008 tot en met 08 november 2008, te Groningen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal, met een mes en/of een schaar, althans met (een) (steek)wapen(s), althans met (een) scherp(e) voorwerp(en), die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden in het gezicht, de hals en/of de borststreek, in ieder geval zware verwondingen toegebracht aan het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd, samengevat weergegeven.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen is het aannemelijk dat [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) in de loop van zondagavond 2 november 2008 om het leven werd gebracht in de badkamer van haar woning aan de [adres slachtoffer] te Groningen. Deze woning is gelegen naast die van verdachte aan [adres verdachte].

Uit de verrichte forensische technische sporen- en DNA-onderzoeken kan worden afgeleid dat op verschillende plaatsen in de woning van het slachtoffer bloed van verdachte aanwezig was, en dat het bloed van verdachte zich ook heeft gemengd met het bloed van het slachtoffer. Zo is op het in tweeën gebroken mes dat is aangetroffen in de wasbak van de badkamer - waar ook het lichaam van het slachtoffer lag - een mengprofiel aangetroffen met DNA van het slachtoffer en DNA dat past in het profiel van verdachte. Het DNA is afkomstig uit bloedresten. Verdachte heeft geen enkele plausibele verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed in de woning van het slachtoffer en op het mes. Aannemelijk is dat zijn bloed op het mes terecht is gekomen op het moment dat verdachte tijdens zijn gewelddadig handelen zo krachtig uithaalde met het mes dat het brak en verdachte zichzelf daarmee verwondde. Uit de verklaring van verdachte's dealer [getuige 1] blijkt ook dat in de avonduren van 2 november 2008 tussen de tweede (omstreeks 19.00 uur) en derde (omstreeks 22.00 uur) levering van cocaïne aan verdachte een verwonding aan de hand van verdachte is ontstaan. Ook op de boven- en onderklink, en op de deurkruk aan de binnenkant van de achterdeur van de woning van het slachtoffer is DNA aangetroffen dat past in het profiel van verdachte. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat het schoenspoor in bloed in de woning van het slachtoffer is veroorzaakt met de schoenen die in het ouderlijk huis van verdachte werden aangetroffen, en die aan verdachte toebehoren. Deze sporen en de daarmee strokende overige bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, plaatsen verdachte op de plaats waar het delict zich heeft afgespeeld, en leveren het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer op de avond van 2 november 2008 om het leven heeft gebracht.

Geen geloof moet worden gehecht aan de stelling van verdachte dat hij zich niets van het gebeuren kan herinneren. Het door verdachte aangevoerde gebrek aan herinneringsvermogen moet worden gezocht in de voor hem prettige bijkomstigheid dat hij geen antwoorden hoeft te geven op voor hem lastige vragen. Antwoorden die het bewijs zouden kunnen leveren dat hij het slachtoffer met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. Dat verdachte zich meer herinnert dan hij ons wil doen geloven, volgt uit het feit dat verdachte van meet af aan heeft gelogen over een aantal relevante onderwerpen. Zo heeft verdachte tegenstrijdige en/of leugenachtige verklaringen afgelegd over - de aanwezigheid van - zijn Nike schoenen, over het ontstaan van het letsel aan zijn hand, en over het - hoofdzakelijk onplezierige - contact dat hij in de maanden vóór het delict heeft gehad met het slachtoffer.

Gezien de hoeveelheid en de aard van de verwondingen kan het niet anders dan dat verdachte de opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Bovendien zijn in het dossier geen aanknopingspunten aanwezig voor het aannemen van een plotselinge opwelling bij verdachte vóór de uitvoering van dit levensdelict. Sterker nog, uit het sectieverslag blijkt dat bij de uitvoering van het delict zeer veel geweld is toegepast, verschillende (steek-)wapens zijn gebruikt, het slachtoffer zich - tevergeefs - heeft geprobeerd te verweren tegen de steken en zij voorts

is gepijnigd terwijl zij bij bewustzijn was. Voorts blijkt uit het bloedspattenonderzoek dat veel van de verwondingen zijn toegebracht terwijl het slachtoffer op de grond in de douche lag.

Met andere woorden, de aard van de verwondingen en de wijze waarop deze zijn aangebracht, wijzen op tijdsverloop, voldoende om van voorbedachte raad te kunnen spreken. Een ander argument voor het aannemen van de bij verdachte aanwezige voorbedachte raad kan worden gevonden in het feit dat verdachte en zijn toenmalige vriendin [getuige 2] ongeveer twee weken vóór het delict hebben gesproken over het om het leven brengen van het slachtoffer met als doel haar laptop te stelen om de aankoop van cocaïne te kunnen bekostigen. Dit blijkt uit de door [getuige 2] op 15 januari 2009 afgelegde verklaring bij de politie. Daarnaast moet verdachte zich ofwel tevoren ofwel in de woning van het slachtoffer van een steekvoorwerp hebben voorzien.

Ten slotte staat vast dat het slachtoffer de deur voor verdachte heeft geopend en op dat moment niet haar beenprothesen aanhad. Ze was slecht ter been en kon gemakkelijk worden omgeduwd. Het is voorts voor de hand liggend dat verdachte het slachtoffer naar de douche heeft gebracht of gesleept alwaar op de grond aan het slachtoffer de verwondingen waaraan zij is komen te overlijden, zijn toegebracht. Al deze argumenten wijzen erop dat de daad van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, maar dat verdachte over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft kunnen nadenken en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het - gelet op het politieonderzoek - niet anders kan dan dat verdachte verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer.

Punt van aandacht is wanneer en hoe de wond aan de linkerhand van verdachte is ontstaan. Het door de officier van justitie aangevoerde scenario, ertoe strekkende dat het aannemelijk is dat de wond ontstaan is gedurende het gewelddadig handelen door verdachte, wordt tegengesproken door het feit dat verdachte rechtshandig is, en de wond in de handpalm van zijn linkerhand zat. Het steunbewijs voor de stelling dat de wond is opgelopen op de avond van het overlijden van het slachtoffer, bestaat uit de bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 1], zijnde de dealer van verdachte. Aan de inhoud van deze op schrift gestelde verklaring kan echter worden getwijfeld, omdat onduidelijk is of [getuige 1] deze informatie uit zichzelf heeft verstrekt of dat het hem door middel van de vraagstelling min of meer in de mond is gelegd. Dat dit laatste zich in het onderhavige politieonderzoek heeft voorgedaan, blijkt uit het - op verzoek van de officier van justitie - recent woordelijk uitgewerkte verhoor van [getuige 2] van 15 januari 2009. Het verhoor van [getuige 1] is niet auditief vastgelegd en kan derhalve niet op eenzelfde wijze worden uitgewerkt en gecontroleerd.

Ook de door [getuige 2] op 15 januari 2009 bij de politie afgelegde verklaring moet als onbetrouwbaar worden uitgesloten van het bewijs. [getuige 2] geeft bij de politie zelf aan dat de politie haar verklaring, o.m. inhoudende dat verdachte een paar weken tevoren had geopperd de buurvrouw om haar laptop te vermoorden, zou kunnen verifiëren bij haar vriendin [getuige 3] aan wie zij reeds eerder het verhaal zou hebben verteld. Hiernaar gevraagd verklaart [getuige 3] echter dat [getuige 2] haar heeft verteld dat zij, en dus niet verdachte, degene is geweest die bij wijze van grap zou hebben voorgesteld de buurvrouw te vermoorden. Bovendien heeft het er alle schijn van dat [getuige 2] op 15 januari 2009 belastend is gaan verklaren uit wraak. Dit omdat zij eerder die dag erachter was gekomen dat verdachte haar van de bezoekerslijst van [detentieadres] had laten schrappen. Het voorgaande brengt mee dat de verklaring van [getuige 2] als niet betrouwbaar terzijde moet worden geschoven. Ook ten behoeve van de onderbouwing van het door de officier van justitie aangevoerde vermeende motief van verdachte, namelijk roof, kan de verklaring van [getuige 2] van 15 januari 2009 derhalve niet tot bewijs dienen. Tussen de 1e en 2e levering van cocaïne zat 5 uur en verdachte had derhalve niet direct na de 2e levering weer geld nodig voor cocaïne.

Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen niets over de manier waarop verdachte in de woning van het slachtoffer is gekomen noch over hoe het slachtoffer in de douche terecht is gekomen. Evenmin kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid hoe verdachte aan een steekvoorwerp is gekomen. Al deze door de officier van justitie geopperde veronderstellingen kunnen daarom niet ten grondslag worden gelegd aan de bewezenverklaring van voorbedachte raad. Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een door hem van tevoren genomen besluit om het slachtoffer om het leven te brengen. Verdachte moet derhalve worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord.

Beoordeling

De rechtbank verwijst hieronder naar bewijsmiddelen. Daarbij heeft zij telkens verwezen naar het politiedossier met nummer PL01KG/08-010113 d.d. 24 maart 2009 en de daarbij behorende mappen. Omdat de aanduiding van de processen-verbaal en overige bewijsmiddelen in het dossier alle beginnen met het nummer 081108, zijnde de datum van aanvang van het politieonderzoek, wordt dit nummer achterwege gelaten bij de aanduiding van de bewijsmiddelen.

Het delict

De rechtbank heeft wat betreft de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2008 (AH-001, pagina's 4 t/m 6 van map 3), inhoudende de bevindingen naar aanleiding van het eerste optreden van de politie op 8 november 2008 op de plaats delict, zijnde de (omgeving van de) woning aan de [adres slachtoffer] te Groningen. Hierbij troffen 2 verbalisanten de volgende situatie ter plaatse aan:

- op aanbellen werd niet opengedaan;

- de gordijnen waren gesloten en er brandde licht in de woning;

- aan de buitenzijde van de achterdeur zaten boven de deurkruk bloedvegen;

- aan de binnenzijde van de achterdeur waren de twee hefboompjes aan de boven- en onderzijde, de deurkruk en de draaiknop voor het openen van het slot, besmeurd met bloed;

- op het laminaat zagen verbalisanten diverse bloedsporen en een voet-/schoenafdruk veroorzaakt door bloed;

- in de badkamer zagen zij het stoffelijk overschot van een vrouw liggen;

- het bovenlichaam en de badkamervloer waren besmeurd met bloed en ze roken een penetrante lijklucht, waaruit werd geconcludeerd dat de vrouw was overleden.

2. Een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 13 januari 2009 (FTO-AH-002-02, map 6), inhoudende de bevindingen van het op 8 november 2008 verrichte eerste forensisch technische onderzoek op de plaats delict.

Tijdens het verdere onderzoek werd onder meer het volgende geconstateerd:

De voordeur van de woning was dicht maar de vergrendelingen en het slot aan de binnenzijde waren niet afgesloten. De achterdeur werd op een kierstand aangetroffen. In de deuropening van de hal en in de hal lagen verschillende zwarte schoenen, laarzen en orthopedische spalken. Alle lichten in de woning waren uit, behalve de verlichting in de hal en in de doucheruimte. Het slachtoffer lag op haar rug in de doucheruimte. Het slachtoffer had blote voeten. In het gezicht van het slachtoffer zagen verbalisanten diverse verwondingen. In de hals zagen zij een snijwond, en in de borst zaten meerdere wonden. Het slachtoffer had in haar beide handen afweerletsels. De temperatuur van het slachtoffer was nagenoeg gelijk aan de omgevingstemperatuur en daardoor kon geen indicatie worden gegeven van het tijdstip van overlijden van het slachtoffer.

Het slachtoffer kon door middel van een identiteitsbewijs dat in een tas in de hal werd aangetroffen, worden geïdentificeerd als [slachtoffer].

3. Een NFI rapport inzake het pathologisch onderzoek d.d. 5 maart 2009 (zaaknr. 2008.11.07.074/sectienr. 2008-402/K045), opgemaakt door dr. [deskundige], arts en patholoog, inhoudende dat bij de sectie d.d. 10 november 2008 op het lichaam van [slachtoffer] is gebleken dat nagenoemde bevindingen - zeer bleke slijmvliezen en inwendige organen, weinig lijkvlekken en vrijwel geen bloed in de bloedsomloop - wijzen op verbloeding, die is opgetreden ten gevolge van massaal bloedverlies uit de verwonding in de hals. Deze verwonding betrof een streepvormige, scherprandige klieving over vrijwel de gehele breedte van de hals, reikend tot in de weke delen op het strottenhoofd met een doorsteek van de keelholte net boven het strottenhoofd. De overige bij leven toegebrachte letsels - snijletsels links en rechts op het gelaat en een steekletsel links op de borst - hebben slechts een geringe bijdrage geleverd aan de verbloeding. Het overlijden van [slachtoffer], geboren op [geboortdatum slachtoffer], wordt volledig verklaard door verbloeding opgetreden ten gevolge van de steek- en snijletsels en de daardoor opgetreden verwikkelingen en weefselschade.

Conclusie betreffende het delict

Op grond van de hiervoor gerelateerde bevindingen staat voor de rechtbank vast dat het slachtoffer door geweld om het leven is gebracht.

Daderschap van de verdachte

De rechtbank heeft voor de beoordeling van de bewijsbeslissing met betrekking tot het daderschap van de verdachte acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Sporenonderzoek in de woning van het slachtoffer

4. Een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 13 januari 2009 (FTO-AH-002-02, map 6), inhoudende de bevindingen van het op 8 november 2008 verrichte eerste forensisch technische onderzoek op de plaats delict.

Tijdens het onderzoek werden in de woning van het slachtoffer (onder meer) de volgende bloedsporen aangetroffen en veiliggesteld:

- op de bovenste vergrendeling aan de binnenzijde van de achterdeur (AAAS8002);

- op de deurkruk aan de binnenzijde van de achterdeur (AAAS8003);

- op de onderste vergrendeling aan de binnenzijde van de achterdeur (AAAS8004);

- een druppel op de vloer in de woonkamer naast de rolstoel (AAAS8014).

Voorts werden in de wasbak in de doucheruimte aangetroffen en veiliggesteld:

- een bebloede schaar (AAAS8034);

- een bebloed in tweeën gebroken mes (AAAS8033).

5. Een proces-verbaal forensische technisch onderzoek d.d. 8 december 2008 (FTO-AH-002-04, map 6), inhoudende de bevindingen van het op 9 november 2008 verrichte forensische technische vervolgonderzoek op de plaats delict.

Tijdens dit onderzoek werden (onder meer) de volgende sporen aangetroffen en veiliggesteld in de doucheruimte van de woning van het slachtoffer:

- een deel van een heft van een mes op de vloer (AAAU8015);

- verdund bloed op de buitenzijde van de deur (AAAU8016);

- verdund bloed op de vloer bij de drempel (AAAU8019);

- onverdund bloed op het kozijn aan de kopse kant bij het slotgat (AAAU8020);

- verdund bloed op de rechterknop van de kraan van de wastafel (AAAU8021);

- bloed op de achtermuur (AAAU8025).

Aanwezigheid verdachte in Groningen

6. Een proces-verbaal inzake analyse verkeersgegevens d.d. 20 november 2008 (BOB-021-01, map 5), inhoudende dat uit de opgevraagde verkeersgegevens van de mobiele telefoon van verdachte blijkt dat deze vanaf 2 november 2008 omstreeks 14.25 uur tot 3 november 2008 omstreeks 06.52.03 binnen het bereik is van de masten die bereik hebben op het woonadres van de verdachte, te weten de [adres verdachte] te Groningen.

Voorts blijkt uit de analyse dat verdachte op 2 november 2008 om 14.18.14 uur - terwijl hij onderweg is naar Groningen - een sms heeft verstuurd naar het mobiele nummer [nummer], en dat verdachte om 15.05.13 uur wordt teruggebeld door het nummer [nummer].

7. Een proces-verbaal d.d. 24 november 2008 (G-031, p. 298 t/m 301, map 2), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] (met name p. 299 en 300):

Als [verdachte] cocaïne bij mij bestelde, belde of sms'te hij mij en dan ging ik met de auto bij hem langs. Zodra ik bij hem was, belde ik hem op en dan kwam hij naar buiten om de cocaïne op te halen. [verdachte] belde mij altijd op mijn mobiele nummer [nummer]. Af en toe belde hij ook wel op mijn andere nummer [nummer].

Op zondag 2 november 2008 belde hij mij om ongeveer 14.30 à 15.00 uur. Toen ik klaar was met mijn werk om 15.00 uur ben ik, terwijl ik onderweg was naar huis, langs zijn woning gereden. Hij heeft toen voor een bedrag van € 25,-- cocaïne van mij gekocht. Later die dag nam hij weer contact met mij op voor cocaïne. Ik was vervolgens tussen 18.00 uur en 19.00 uur bij zijn woning. [verdachte] reageerde die tweede keer net als anders, zoals ik hem ken. Hij vroeg nog of ik de volgende dag ook moest werken. Later die avond om ongeveer 22.00 uur belde hij me weer op. Ik ben toen naar hem toe gereden en heb de auto op het pleintje voor zijn huis, naast de vuilnisbakken geparkeerd. Ik heb hem gebeld en kort daarop kwam hij vanuit de richting van zijn portiek naar mijn auto lopen. [verdachte] was erin en eruit. Dit was vreemd want meestal maakt [verdachte] wel even een praatje, al is het maar kort.

8. Een proces-verbaal inzake tweede analyse verkeersgegevens d.d. 12 december 2008

(AH-063, p. 443 t/m 445, map 3), inhoudende zakelijk weergegeven dat uit de opgevraagde verkeersgegevens van de mobiele telefoons van dealer [getuige 1] blijkt dat er op 2 november 2008 omstreeks 22.16.55 uur voor de laatste keer door [getuige 1] met verdachte is gebeld.

Geconstateerde letsel bij verdachte

9. Een NFI rapport inzake bloedspoorpatroononderzoek d.d. 6 februari 2009 (nr. 2008.11.07.074, map 9, p. 53/56), opgemaakt door ing. [deskundige], inhoudende dat ook buiten de badkamer verdunde bloedsporen zijn aangetroffen. Het aantreffen van dit verdunde bloedsporenbeeld is zeer waarschijnlijk wanneer een bebloed persoon de badkamer heeft verlaten nadat bloed met bijvoorbeeld water is vermengd, zoals bijvoorbeeld het wassen van handen.

10. Een relaas d.d. 25 februari 2009 (FTO-AH-002-01, map 6), inhoudende de bevinding dat naast het in de woning van het slachtoffer aangetroffen uitgaand, met bloed geprojecteerd gangspoor, waarin schoenzoolafdrukken zichtbaar waren, een spoor van kennelijk verdunde bloeddruppels is aangetroffen. De verdunning van het bloed werd minder naarmate de druppels dichter bij de achterdeur kwamen. Het feit dat er sprake was van verdund bloed zou kunnen wijzen op het wassen van de handen. Het gegeven dat de verdunning minder werd in de richting van de achterdeur, zou erop kunnen wijzen dat het bloeden doorging. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de veroorzaker van deze sporen verwond was.

11. Een proces-verbaal d.d. 24 november 2008 (G-031, p. 298 t/m 301, map 2), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] (met name p. 300):

Tijdens de laatste levering van cocaïne aan [verdachte] op 2 november 2008 om ongeveer 22.00 uur zag ik dat [verdachte] gewond was aan de binnenzijde van zijn rechterhand, op zijn handpalm. Er stroomde geen bloed uit maar ik zag wel bloed aan zijn hand. Ik had deze wond niet eerder gezien.

12. Een rapport inzake beschrijving van het letsel van verdachte d.d. 20 november 2008 (FTO-AH-007-03-01, map 6), opgemaakt door [deskundige], forensisch geneeskundige Hulpverleningsdienst Groningen, inhoudende dat de beschrijving van het letsel op de handpalm van de linkerhand van [verdachte] heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een onderzoek dat is verricht in het cellencomplex Hooghoutstraat te Groningen op 14 november 2008 omstreeks 18.15 uur. Het letsel betreft een oppervlakkige snijwond of kras verlopend van de wijsvinger naar de pinkzijde van de pols en past bij inwerking van licht scherp geweld ongeveer één tot twee weken voor het onderzoek. Het letsel zou goed kunnen passen bij snijden aan of afweren van een scherp voorwerp.

13. Verklaring verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2009, inhoudende:

Ik heb mijn linkerhand verwond. Dat moet wel op zondag 2 november 2008 zijn gebeurd.

Sporenonderzoek in de woning van verdachte

14. Een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 26 november 2008 (FTO-AH-003-02, map 6), inhoudende de bevindingen van het op 11 november 2008 ingestelde forensische technische vervolgonderzoek in en om de plaats delict.

Tijdens dit onderzoek werd (onder meer) het volgende spoor aangetroffen en veiliggesteld:

- bloed op de achterzijde van de deurklink op de achterdeur van perceel [adres verdachte] (AAAU8914).

15. Een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 9 december 2008 (FTO-AH-005-02-02, map 6), inhoudende de bevindingen van het op 13 november 2008 ingestelde forensische technische sporenonderzoek in de woning van verdachte aan de [adres verdachte] te Groningen. Tijdens dit onderzoek is de drempel tussen de hal en de badkamer positief bemonsterd op bloed, welke bemonstering is voorzien van SIN nummer AAAU1271.

DNA-onderzoek

16. Een proces-verbaal afname DNA celmateriaal en een proces-verbaal van waarneming van afname celmateriaal, beide van 14 november 2008 (FTO-AH-007-04, map 9), inhoudende dat celmateriaal van verdachte is afgenomen en dat dit wordt overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

17. Een NFI rapport inzake vergelijkend DNA onderzoek d.d. 9 januari 2009, (tabblad 19, map 9), inhoudende dat dr. [deskundige] bij haar DNA onderzoek onder meer tot de volgende bevindingen is gekomen:

- op de vloer van de woning van het slachtoffer, naast de rolstoel (AAAS8014), is een bloedspoor aangetroffen waarvan het DNA-profiel een mengprofiel betreft waarin naast het DNA-profiel van het slachtoffer, het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen, waarbij de berekende frequentie, d.i. de kans dat een willekeurig gekozen niet verwante persoon eenzelfde profiel bezit, minder dan één op een miljard bedraagt;

- zowel op de deurkruk aan de binnenkant van de achterdeur van de woning van het slachtoffer (AAAS8003) als op de binnenzijde van de deurklink van de achterdeur van de woning van verdachte (AAAU8914) zijn bloedsporen aangetroffen waarvan het DNA-profiel een mengprofiel betreft waarin naast het DNA-profiel van verdachte, waarvan de berekende frequentie minder dan één op een miljard bedraagt, DNA-kenmerken zijn aangetroffen die van het slachtoffer afkomstig kunnen zijn.

18. Een NFI rapport inzake vergelijkend DNA onderzoek d.d. 6 februari 2009, (tabblad 21, map 9), zakelijk weergegeven inhoudende dat dr. [deskundige] bij haar DNA onderzoek onder meer tot de volgende bevindingen is gekomen:

- zowel op de klink van de achterdeur van de woning van het slachtoffer (AAAS8002) als in de doucheruimte van deze woning (AAAU8016 en AAAU8020) zijn bloedsporen aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte en waarbij de berekende frequentie minder dan één op een miljard bedraagt;

- in de doucheruimte van de woning van het slachtoffer is een bloedspoor aangetroffen (AAAU8021) waarvan het DNA-profiel een mengprofiel betreft waarin naast het DNA-profiel van het slachtoffer het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen, waarbij de berekende frequentie minder dan één op een miljard bedraagt;

- op de vloer bij de drempel in de doucheruimte van de woning van het slachtoffer is voorts een bloedspoor aangetroffen (AAAU8019) waarvan het DNA-profiel een mengprofiel betreft waarin naast het DNA-profiel van verdachte, waarbij de berekende frequentie minder dan één op een miljard bedraagt, DNA-kenmerken zijn aangetroffen die van het slachtoffer afkomstig kunnen zijn;

- op het heft van het mes (AAAS8033) en op het op de vloer aangetroffen deel van het heft (AAAU8015) zijn bloedsporen aangetroffen waarvan het DNA-profiel een mengprofiel betreft waarin naast het DNA-profiel van het slachtoffer het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen, waarvan de berekende frequentie één op 81 miljoen respectievelijk één op 163 miljoen bedraagt;

- op de onderste vergrendeling van de klink van de achterdeur van woning van het slachtoffer (AAAS8004) is een bloedspoor aangetroffen waarvan het DNA-profiel een mengprofiel betreft waarin naast het DNA-profiel van het slachtoffer het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen, waarvan de berekende frequentie één op 96 miljoen bedraagt;

- op de achtermuur van de doucheruimte in de woning van het slachtoffer (AAAU8025) is een bloedspoor aangetroffen waarvan het DNA-profiel een mengprofiel betreft waarin naast het DNA-profiel van het slachtoffer het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen, waarvan de berekende frequentie één op 163 miljoen bedraagt;

- in de woning van verdachte op de drempel tussen de hal en de badkamer is een bloedspoor aangetroffen (AAAU1271) waarvan het DNA-profiel een mengprofiel betreft waarin naast het DNA-profiel van verdachte het DNA-profiel van het slachtoffer is aangetroffen, doch waarvan vanwege het ontbreken van essentiële informatie over het DNA-mengprofiel, een statistische berekening voor het vaststellen van de bewijswaarde van de gevonden match niet is uitgevoerd.

Overig sporenonderzoek

19. Een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 13 januari 2009 (FTO-AH-002-02, map 6), inhoudende de bevindingen van het op 8 november 2008 verrichte eerste forensisch technische onderzoek in de woning van het slachtoffer, waarbij een in bloed gezet uitgaand schoenspoor vanuit de hal naar de achterdeur van de woning werd waargenomen.

20. Een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 9 december 2008 (FTO-AH-005-02-02, map 6), inhoudende de bevindingen van het op 13 november 2008 ingestelde forensische technische sporenonderzoek in de woning van verdachte aan de [adres verdachte] te Groningen. Met behulp van LCV (een vloeistof dat wordt verneveld en paars kleurt bij aanwezigheid van bloed) trof men een bloedspoor op de vloer bij de achterdeur aan. Dit spoor betrof mogelijk een fragment van een schoenspoor.

21. Een proces-verbaal d.d. 13 november 2008 (G-008-03, map 2, p. 61 t/m 68), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] (p. 63):

[verdachte] heeft bruine Nike sportschoenen. Op 3 november 2008 kwamen de ouders van [verdachte] omstreeks 19.00 uur aan de [straatnaam]. [verdachte] had mij daarvoor telefonisch verteld dat zijn Nike schoenen tussen de kast en het bed stonden en dat zijn moeder deze mee moest nemen. Ik pakte de Nikes op en voelde dat ze nat waren en ik zag dat de schoenen donkerder van kleur waren.

22. Een proces-verbaal van sporen onderzoek d.d. 14 november 2008 (FTO-AH-009-02, map 6), inhoudende de bevindingen van het op 12 november 2008 verrichte technische sporenonderzoek in de woning van de ouders van verdachte op het adres [adres ouders verdachte]. Tijdens dit onderzoek werd op de vloer in de hal een paar Nike schoenen aangetroffen, maat 42,5, kleur bruin. Door technisch rechercheur T.A. Nobel werd op 12 november 2008 een deel van de zool van de linkerschoen onderzocht op de aanwezigheid van bloed middels de Tetra base test. De test wees zwak positief uit waarna de schoenen zijn veiliggesteld (nr. AAAS8855 en AAAS8856).

23. Een proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek d.d. 29 januari 2009 (AH-FTO-001-02, map 7), inhoudende als conclusie (inlegvel nr. 6) van B.C. Klompsma, inspecteur van Regiopolitie Drenthe, werkzaam bij de Noordelijke Recherche Eenheid als deskundige schoenen en banden:

- dat aan de zolen van de onderzochte schoenen, merk NIKE Air Max, kleur bruin, maat 421/2 Europees in beslag genomen bij doorzoeking in ouderlijk huis van verdachte (AAAS8855 en AAAS8856), zich bloed bevond;

- dat het gangspoor van met bloed geprojecteerde schoensporen op de vloer in de woning [adres slachtoffer] te Groningen (van de douche/badkamer naar de achterdeur) is veroorzaakt met het paar schoenen (AAAS8855 en AAAS8856) dat in het ouderlijk huis van verdachte werd aangetroffen.

24. Een afschrift van een mailbericht d.d. 19 januari 2009 (map 7), afkomstig van [deskundige], wetenschappelijk onderzoeker op het gebied van kras- indruk- en vormsporen bij het NFI, betreffende een second opinion aangaande het vergelijkend schoensporenonderzoek, waarin [deskundige] concludeert dat de door B.C. Klompsma getrokken conclusie door hem correct wordt bevonden.

Uitsluiten daderschap van verdachtes eeneiige tweelingbroer

25. Een proces-verbaal d.d. 16 december 2008 (G-054, p. 395 t/m 399, map 2), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4](p. 396):

Ik ben de vriendin van [broer van verdachte]. Op 2 november 2008 heb ik [broer van verdachte] omstreeks half tien

's ochtends bij zijn ouders in [woonplaats ouders verdachte] afgezet. Rond zeven uur 's avonds ben ik weer in mijn auto naar [broer van verdachte] in [woonplaats ouders verdachte] gegaan. Ik heb [broer van verdachte] van huis gehaald en we zijn in mijn auto naar een parkeerplaats in [woonplaats ouders verdachte] gereden. Daar hebben we gepraat in de auto. Ik denk dat ik rond half tien 's avonds [broer van verdachte] weer bij zijn ouders in [woonplaats ouders verdachte] heb afgezet. Daarna ben ik weer naar huis gereden. Als ik thuis ben, sms ik meestal nog een keer naar [broer van verdachte].

26. Een proces-verbaal d.d. 12 november 2008 (G-015, p. 181 t/m 184, map 2), inhoudende als verklaring van getuige [broer van verdachte] (p. 183):

De laatste keer dat ik aan de Goeman Borgesiusstraat (de rechtbank begrijpt [straatnaam]) geweest ben is twee maanden geleden.

27. Een proces-verbaal d.d. 11 december 2008 (G-015-03, p. 187 t/m 190, map 2), inhoudende als verklaring van getuige [broer van verdachte] (p. 189):

In het weekend van 31 oktober tot en met 3 november 2008 ben ik niet in de [straatnaam] te Groningen geweest.

28. Een proces-verbaal inzake analyse verkeersgegevens d.d. 14 januari 2009 (AH-075, p. 481 & 482, map 3), inhoudende zakelijk weergegeven dat de opgevraagde verkeersgegevens van de mobiele telefoons van [broer van verdachte] en [getuige 4] de door hen afgelegde verklaringen omtrent de verblijfplaats van [broer van verdachte] op 2 november 2008 ondersteunen, in die zin dat uit deze verkeersgegevens niet blijkt dat [broer van verdachte] op 2 november 2008 in Groningen op de plaats van het delict is geweest.

Conclusie betreffende het daderschap van verdachte

De rechtbank komt op grond van voormelde bewijsmiddelen en de naar aanleiding daarvan gemaakte overwegingen, in samenhang beschouwd, tot de volgende conclusies.

Uit de verrichte technische sporen- en DNA-onderzoeken blijkt dat op verschillende plaatsen in de woning van het slachtoffer bloedsporen zijn aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte en dat van zijn - eeneiige - tweelingbroer. Bovendien zijn er bloedsporen aangetroffen met een gemengd DNA-profiel dat overeenkomt met het DNA-profiel van zowel het slachtoffer als dat van verdachte en zijn tweelingbroer, onder meer op het mes dat - gelet op het daarop van het slachtoffer aangetroffen bloed in relatie tot de aard van een aantal verwondingen - is gebruikt voor het toebrengen van de verwondingen aan het slachtoffer. Op grond van de in de NFI- rapporten d.d. 9 januari 2009 en 6 februari 2009 genoemde waarschijnlijkheidsgraad voor wat betreft de sporen die in de woning van het slachtoffer zijn aangetroffen:

- op de vloer naast de rolstoel,

- op de deurkruk aan de binnenkant van de achterdeur,

- op de badkamerdeur (op de buitenzijde en op het kozijn), en

- op de kraan van de wastafel in de badkamer,

gaat de rechtbank ervan uit dat alle met het DNA-profiel van verdachte en dat van zijn tweelingbroer overeenkomende aangetroffen bloedsporen afkomstig zijn van verdachte en/of zijn tweelingbroer.

Uit onderzoek is gebleken dat de tweelingbroer van verdachte op 2 november 2008 niet in Groningen, laat staan in de [straatnaam] is geweest. De rechtbank verwijst in dit kader naar voormelde bewijsmiddelen. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de in de woning van het slachtoffer aangetroffen bloedsporen waarvan het DNA-profiel matcht met dat van verdachte en zijn tweelingbroer, niet van deze laatste afkomstig kunnen zijn.

In de woning van het slachtoffer is voorts een gangspoor van met bloed geplaatste schoenafdrukken aangetroffen lopend vanaf het slachtoffer in de richting van de achterdeur. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze afdrukken zijn veroorzaakt met de Nike schoenen van verdachte. Ook is in de woning van verdachte een dergelijk schoenspoor aangetroffen.

Voorts is door de deskundigen geconstateerd dat de dader vermoedelijk gewond moet zijn geweest, wat het naast het schoenspoor aangetroffen spoor van verdunde bloeddruppels zou kunnen verklaren. Dat het spoor van bloeddruppels parallel loopt met het schoenspoor, wijst er naar het oordeel van de rechtbank bovendien op dat de wond van de dader op een lichaamsdeel dat naast het lichaam gehouden wordt, moet hebben gezeten, zoals een hand of arm. De constatering dat de bloeddruppels vermengd waren met water, en dat er verdund bloed op de koudwaterknop van de wastafelkraan in de badkamer is aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met dat van verdachte, wijst op het wassen van de handen door de verwonde persoon. Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat de dader gewond moet zijn geweest aan één van zijn handen. Vast staat dat verdachte om ongeveer 15.00 uur is teruggekeerd in zijn woning aan de [adres verdachte] en vanaf dat tijdstip tot de volgende ochtend in Groningen heeft verbleven. Voorts staat vast dat verdachte op 2 november 2008 tussen 19.00 uur en 22.16 uur een (bloedende) wond heeft opgelopen aan zijn linkerhand.

Nu de in de verklaring van getuige [getuige 1] d.d. 24 november 2008 genoemde feiten en/of omstandigheden genoegzaam worden bevestigd en/of ondersteund door het overige zich in het dossier bevindende bewijs, ziet de rechtbank geen aanleiding - zoals de raadsman heeft aangevoerd - deze verklaring (ondanks de afwezigheid van audio-opnamen) terzijde te schuiven. Mede gelet op de consistentheid van deze verklaring, in het licht van het overige zich in het dossier bevindende bewijs, gaat de rechtbank ervan uit dat getuige [getuige 1] zich moet hebben vergist waar hij verklaart dat de wond op de rechterhand van verdachte zat.

Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, laat naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijze geen andere uitleg toe dan dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer in haar woning aan de [adres slachtoffer] te Groningen om het leven heeft gebracht.

Tijdstip van overlijden van het slachtoffer

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

29. Een proces-verbaal digitaal onderzoek d.d. 24 november 2008 (AH-037-01, p. 90 t/m 99, map 3), inhoudende dat uit digitaal onderzoek van de laptops van het slachtoffer is gebleken dat zich in de CD/DVD drive van de Dell laptop nog een audio CD met de titel "american doll posse" van de zangeres Tori Amos bevond, welke CD op 2 november 2008 om 20.14 uur in de drive is gestopt en vervolgens is afgespeeld en gekopieerd.

30. Verklaring verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2009, inhoudende:

Op 3 november 2008 ben ik in de ochtenduren vanuit Groningen naar mijn ouders in [woonplaats ouders verdachte] gegaan. Daar ben ik de rest van de week gebleven.

31. Een proces-verbaal d.d. 11 november 2008 (G-008, p. 50 t/m 56, map 2), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2]:

Mijn vriend [verdachte] is in oktober 2007 aan de [adres verdachte] te Groningen gaan wonen. Ik slaap er vaak.

Op zondag 2 november 2008 kwam ik om een uur of tien 's avonds bij [verdachte] thuis. Mijn vader heeft mij in Groningen afgezet.

32. Een proces-verbaal inzake analyse verkeersgegevens d.d. 20 november 2008 (BOB-021-01, map 5), inhoudende dat uit de opgevraagde verkeersgegevens van de mobiele telefoon die in die periode door [getuige 2] werd gebruikt blijkt dat er op 2 november 2008 om 20.53.46 uur door haar is gebeld met haar ouders en dat het toestel zich in de periode tussen 20.56.40 uur en 20.59.02 uur binnen het bereik van de mast in Heerenveen bevond.

33. Een (ongedateerd) proces-verbaal (G-033, p. 326 t/m 328, map 2), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] afgelegd op 25 november 2008:

Ik heb [getuige 2] op 2 november 2008 afgezet in Drachten. Ze had twintig minuten daarvoor, toen we nog in Heerenveen waren met haar ouderlijk huis gebeld om haar op te komen halen in Drachten. In Drachten aangekomen was haar vader er nog niet. Ik heb toen ongeveer tien minuten met [getuige 2] gewacht tot haar vader kwam.

34. Een proces-verbaal d.d. 29 januari 2009 (G-077, p. 460 t/m 463, map 2), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 5] (p. 460):

Ik heb op 2 november mijn dochter [getuige 2] vanaf Drachten teruggebracht naar Groningen. Ik heb [getuige 2] voor de deur afgezet en ben gelijk weer naar huis gereden. Ik was omstreeks 22.30 uur weer terug in mijn woning aan de [straatnaam] in De Wilp.

Conclusie betreffende het tijdstip van overlijden van het slachtoffer

De rechtbank acht het op grond van voormelde bewijsmiddelen aannemelijk dat de dood van het slachtoffer is ingetreden op 2 november 2008 tussen 20.14 uur en omstreeks 22.00 uur. Nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat voor het afspelen van het vierde nummer van de CD van Tori Amos om 20.34 uur een actieve handeling van de gebruiker is vereist, neemt de rechtbank als begintijdstip 20.14 uur tot uitgangspunt nu hiervan wel vaststaat dat er een actieve handeling - te weten het in de disc drive stoppen van de CD - is verricht. Omstreeks 22.00 uur is de toenmalige vriendin van verdachte thuisgekomen. Dit blijkt niet alleen uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, maar volgt tevens uit het feit van algemene bekendheid - nu dit uit algemeen toegankelijke bronnen te achterhalen is - dat de afstand tussen de [straatnaam] te Groningen en [straatnaam] in De Wilp ongeveer 30 kilometer bedraagt en de gemiddelde reisduur voor deze afstand plusminus 25 minuten.

Voorbedachte raad

De rechtbank heeft voor de beoordeling van de aanwezigheid van de voorbedachte raad bij de verdachte acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

35. Een NFI rapport inzake het pathologisch onderzoek d.d. 5 maart 2009, opgemaakt door dr. [deskundige], arts en patholoog, inhoudende dat bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], is gebleken:

- dat de talrijke overwegend oppervlakkige kruisvormige huidperforaties links op de wang/gelaat bij leven waren toegebracht en het gevolg waren van uitwendig mechanisch perforerend geweld met een klein kruisvormig voorwerp of een voorwerp met een kruisvormige punt, zoals een kruisschroevendraaier;

- dat de streepvormige, scherprandige en merendeels oppervlakkige huidperforaties links en rechts in het gelaat/hals het gevolg waren van uitwendig mechanisch perforerend en snijdend geweld, bij leven toegebracht met een scherp, vlak, hard en deels mogelijk éénzijdig snijdend voorwerp, bijvoorbeeld één of meerdere messen;

- dat de streepvormige, scherprandige huidperforatie links op de borst, het gevolg was van bij leven opgetreden uitwendig mechanisch perforerend geweld (een steekletsel) opgeleverd door een scherp, vlak, hard voorwerp, bijvoorbeeld een mes;

- dat de streepvormige, scherprandige klieving over vrijwel de gehele breedte van de hals reikend tot in de weke delen op het strottenhoofd met een doorsteek van de keelholte net boven het strottenhoofd het gevolg was van bij leven opgetreden inwerking van heftig uitwendig mechanisch snijdend en perforerend geweld;

- dat de scherprandige huidklievingen aan de linker- en rechterhand het gevolg waren van bij leven opgetreden uitwendig mechanisch klievend geweld (snijletsels) en passen bij zogenaamde afweerletsels;

- dat de bevindingen, inhoudende zeer bleke slijmvliezen en inwendige organen, weinig lijkvlekken en vrijwel geen bloed in de bloedsomloop, wijzen op verbloeding die is opgetreden ten gevolge van massaal bloedverlies uit de verwonding in de hals;

- dat de overige bij leven toegebrachte letsels slechts een geringe bijdrage hebben geleverd aan de verbloeding;

- dat de hoeveelheid van zeer oppervlakkige bij leven vooral in het gelaat toegebrachte letsels die geen bijdrage hebben geleverd aan het overlijden, opvallend was.

36. Een NFI rapport inzake bloedspoorpatroononderzoek d.d. 6 februari 2009 (nr 2008.11.07.074, map 9, p. 53/56), opgemaakt door ing. [deskundige], inhoudende dat uit de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek in de badkamer van de woning aan de [adres slachtoffer] te Groningen kan worden geconcludeerd dat het binnen het gehele bloedsporenbeeld opvallend is dat het leeuwendeel van de bloedsporen lager dan circa 1 meter vanaf de vloer is aangetroffen, hetgeen betekent dat veel activiteit zich na het ontstaan van bloed laag bij de vloer heeft afgespeeld.

37. Een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 13 januari 2009 (FTO-AH-002-02, map 6), inhoudende de bevindingen van het op 8 november 2008 verrichte eerste forensisch technische onderzoek op de plaats delict.

Tijdens het onderzoek werden in de wasbak in de doucheruimte aangetroffen en veiliggesteld:

- een bebloede schaar;

- een bebloed in tweeën gebroken mes.

Conclusies betreffende de aanwezigheid van voorbedachte raad

Met betrekking tot de vraag naar het bewijs van de ten laste gelegde voorbedachte raad, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat voor een bewezenverklaring hiervan - in de onderhavige op moord toegesneden tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - dient vast te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn (voorgenomen) daad en zich daarvan rekenschap te geven. Voorbedachte raad kan - evenals opzet - worden afgeleid uit de omstandigheden waaronder of de wijze waarop het feit is gepleegd.

De rechtbank stelt voorop dat - anders dan door de officier van justitie is betoogd - niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het slachtoffer haar (voor-)deur voor verdachte heeft geopend, en evenmin dat verdachte het slachtoffer naar de douche zou hebben gebracht of gesleept. Nu deze handelingen niet zijn komen vast te staan, kunnen deze naar het oordeel van de rechtbank niet ten grondslag worden gelegd aan het vaststellen van voorbedachte raad bij verdachte.

De officier van justitie heeft verder nog de belastende verklaring van [getuige 2] van

15 januari 2009, inhoudende dat zij en verdachte een aantal weken voor het delict hebben gesproken over het om het leven brengen van het slachtoffer, als argument aangevoerd voor het aannemen van bij verdachte aanwezige voorbedachte raad. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze verklaring echter als onbetrouwbaar terzijde worden geschoven. De onbetrouwbaarheid volgt naar het oordeel van de rechtbank met name uit de omstandigheid dat deze voor verdachte belastende verklaring pas is afgelegd nadat [getuige 2] was gebleken dat zij door verdachte - kennelijk zonder enige uitleg - van de bezoekerslijst van de penitentiaire inrichting waar hij op dat moment verbleef, was afgehaald. Daarnaast wijkt deze door [getuige 2] bij de politie afgelegde verklaring op belangrijke punten af van hetgeen zij reeds eerder aan haar vriendin [getuige 3] zou hebben toevertrouwd. Deze laatste verklaart immers op 16 januari 2009 bij de politie (G-067, p. 436, map 2), dat [getuige 2] haar heeft verteld dat zij, [getuige 2], indertijd als grap had geopperd de buurvrouw te gaan vermoorden. [getuige 2] verklaart op 15 januari 2009 bij de politie echter dat verdachte degene is geweest die een paar weken vóór de levensberoving met een serieus plan is gekomen om de buurvrouw om het leven te brengen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van [getuige 2] zoals door haar op 15 januari 2009 afgelegd tegenover de politie, niet voor het bewijs van de bij de verdachte aanwezige voorbedachte raad kan worden gebruikt. Overigens is de rechtbank van oordeel dat een en ander niets afdoet aan de betrouwbaarheid van de overige vóór 15 januari 2009 door [getuige 2] afgelegde verklaringen, nu van specifieke omstandigheden in deze richting ten aanzien van deze verklaringen niet is gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen worden afgeleid dat het slachtoffer op de grond heeft gelegen toen het merendeel van de verwondingen is toegebracht. Een groot deel van de aangetroffen verwondingen (op het gelaat, de hals en het bovenlichaam) is bovendien bij leven toegebracht. Uit de aard van de verwondingen, zoals beschreven in het sectieverslag, kan verder worden afgeleid dat het slachtoffer met minstens twee, maar waarschijnlijk zelfs met drie verschillende (steek-)voorwerpen is verwond, te weten een mes, een schaar en een klein kruisvormig voorwerp of een voorwerp met een kruisvormige punt, zoals een kruisschroevendraaier. Dit impliceert dat verdachte tijdens het begaan van het delict, de voorwerpen waarmee hij dit delict pleegde heeft moeten verwisselen. Het intreden van de dood van het slachtoffer kan vervolgens worden verklaard door het dodelijk bloedverlies uit de diepe verwondingen die zijn toegebracht in de hals van het slachtoffer.

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte zoveel handelingen heeft verricht gericht op het verwonden en daarna doden van het slachtoffer dat hij naar het oordeel van de rechtbank de gelegenheid heeft gehad zich tijdens de uitvoering van deze gewelddadige handelingen te bezinnen op dat wat hij aan het doen was. Uit de wijze waarop het feit is gepleegd volgt dat de rechtbank ervan uit gaat dat de levensberoving door verdachte niet het gevolg is geweest van een bij hem aanwezige ogenblikkelijke gemoedsbeweging gedurende alle gewelddadige handelingen maar dat verdachte doelbewust heeft gehandeld. Hoewel verdachte stelt geen herinneringen aan de feitelijke gebeurtenissen te hebben, staat dit naar het oordeel van de rechtbank niet aan de bewezenverklaring van moord in de weg, nu dit immers niet het hiervoor door de rechtbank aanwezig geachte moment van bezinning uitsluit.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit de wijze waarop het delict is gepleegd volgt dat verdachte niet slechts opzettelijk heeft gehandeld maar ook met voorbedachte raad en komt daardoor tot de conclusie dat de primair ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 2 november 2008 te Groningen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meerdere malen met steekwapens, die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden in het gezicht, de hals en/of de borststreek, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

Moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Omtrent verdachte is met betrekking tot het bewezen verklaarde feit door een onderzoekend team van het Pieter Baan Centrum (verder PBC) te Utrecht, waar onder meer een psychiater en een psycholoog deel van uitmaakten, een onderzoek ingesteld naar zijn geestvermogens. De bevindingen van dit onderzoek en de daaruit getrokken conclusie zijn neergelegd in een rapport, opgemaakt door [naam psychiater], psychiater en [naam psycholoog], psycholoog, dat op 27 mei 2009 is uitgebracht.

De conclusie van deze rapportage luidt dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde weliswaar sprake was van een ziekelijke stoornis, bestaande uit een afhankelijkheid en misbruik van alcohol en cocaïne, en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens die niet nader kon worden omschreven, maar dat het ten laste gelegde feit

- indien bewezen - hem volledig kan worden toegerekend nu het onmogelijk is om de bij verdachte aanwezige psychopathologie in verband te brengen met het hem ten laste gelegde feit. Gelet op de door de genoemde deskundigen gegeven toelichting ter terechtzitting, is de omstandigheid dat verdachte zegt zich niets te kunnen herinneren, de reden voor de deskundigen om te concluderen tot volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Hoewel de conclusie dat verdachte op grond van het vorenstaande volledig toerekeningsvatbaar wordt geacht, de rechtbank vreemd voorkomt, ziet de rechtbank, gelet op de inhoud van het rapport, geen aanleiding om van deze conclusie af te wijken.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest. In alle opzichten is een dergelijke zware straf gerechtvaardigd. Het betreft een gruwelijke moord op een gehandicapte jonge vrouw. Een bijzonder mens dat ondanks haar fysieke problemen, een groot doorzettingsvermogen en een eigenzinnig karakter had. Verdachte heeft het slachtoffer verschrikkelijk toegetakeld. Dit terwijl zij in fysiek opzicht geen partij voor verdachte was. Er zijn bij het slachtoffer tientallen verwondingen vastgesteld, waaronder oppervlakkige verwondingen die erop wijzen dat zij is gepijnigd. Verdachte geeft geen duidelijkheid over de motieven van zijn daad en neemt daarvoor evenmin verantwoordelijkheid. Dat veroorzaakt, naast veel verdriet, grote onduidelijkheid bij de nabestaanden van het slachtoffer. Daar komt nog bij dat verdachte al langere tijd een flinke gebruiker van harddrugs was. Ook op de dag waarop hij het slachtoffer gewelddadig om het leven heeft gebracht, heeft hij veel drugs gebruikt. Hoewel hem, zoals blijkt uit de rapportages, veel hulp is geboden is, bleek verdachte niet gemotiveerd om iets aan zijn drugsproblematiek te doen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Dit in de eerste plaats vanwege het feit dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor het subsidiair ten laste gelegde feit. Daarnaast moet rekening worden gehouden met hetgeen door de deskundigen in het multidisciplinaire rapport en ter terechtzitting is opgemerkt ten aanzien van de persoon van verdachte. Dit komt erop neer dat zijn persoonlijkheid jonger is dan zijn werkelijke leeftijd. Hij imponeert de deskundigen als onvolgroeid, beperkt uitgerijpt en wat kinderlijk. De officier van justitie hanteert als uitgangspunt dat de samenleving erbij gebaat is verdachte zo lang mogelijk vast te zetten. Feit is echter dat er nog nooit iemand beter is geworden van het ondergaan van een - langdurige - gevangenisstraf. De omgeving van een gevangenis is bovendien verre van ideaal om een jeugdige, onvolgroeide persoonlijkheid tot ontwikkeling te laten komen. Het is dan ook zowel voor verdachte als voor de samenleving te verkiezen dat verdachte een enigszins overzichtelijke termijn gegund wordt gedurende welke hij vast moet zitten. Verdachte is zich ervan bewust dat hij, in geval van een bewezen verklaring, voor langere tijd vast zal komen te zitten. Daar heeft hij ook vrede mee en daar legt hij zich bij neer.

Een overzichtelijke duur van de gevangenisstraf, zal hem motiveren om het binnen het gevangeniswezen aanwezige aanbod van begeleiding en behandeling met beide handen aan te pakken en zodoende te werken aan zijn problematiek en aan een gunstige identiteitsontwikkeling.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting van

4 juni 2009 en de aangaande zijn persoon opgemaakt rapportages, de justitiële documentatie alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft [slachtoffer] vermoord. Moord behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigt. Voor het formuleren van een uitgangspunt voor de duur van de op te leggen gevangenisstraf bij een enkelvoudige moord heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op de databank consistente straftoemeting waarin de straffen zijn opgenomen die eerder door de gerechtshoven in Nederland voor dergelijke feiten zijn opgelegd. Hieruit volgt dat er in den lande in beginsel tussen de 8 en 18 jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor soortgelijke feiten, terwijl er slechts zelden en in extreme gevallen een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren als door de officier van justitie gevorderd, is opgelegd.

De rechtbank heeft voorts bij het bepalen van de straf in het onderhavige geval het volgende in het bijzonder laten meewegen.

Zonder concreet aanwijsbare reden heeft verdachte op brute en gruwelijke wijze een einde aan het leven van een weerloos slachtoffer gemaakt. Hij heeft haar vele malen met meerdere voorwerpen gesneden en gestoken. Uiteindelijk is zij met name door verbloeding als gevolg van een diepe snede in de hals komen te overlijden. Het slachtoffer moet hierbij en bij wat onmiddellijk daaraan voorafging doodsangsten hebben uitgestaan. De rechtbank rekent het verdachte daarnaast zwaar aan dat hij het slachtoffer in haar eigen woning - een plek waar zij zich bij uitstek veilig mocht voelen - om het leven heeft gebracht. Met zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Aan de nabestaanden, vrienden en kennissen van het nog maar 24-jarige gehandicapte slachtoffer is door deze gewelddadige dood onpeilbaar leed toegebracht. Zij zullen moeten leven met het besef dat hun dochter, zus of vriendin op deze gruwelijke wijze van het leven is beroofd. Uit de op de terechtzitting voorgehouden schriftelijke slachtofferverklaring blijkt van het grote verdriet dat de ouders en broers van het slachtoffer hebben en de grote invloed die dit op hun leven heeft. Aan te nemen valt dat zij dit leed de rest van hun leven zullen ervaren. Bovendien draagt een dergelijk feit, onder dergelijke omstandigheden begaan, voor de rechtsorde een zeer schokkend karakter en brengt dit ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Verder rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij, wetende welk effect alcohol in combinatie met cocaïne op hem had, namelijk dat hij daarvan prikkelbaar en agressief wordt, met het gebruik van deze middelen in combinatie is doorgegaan.

Anderzijds houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met zijn jonge leeftijd, terwijl uit voormeld onderzoeksrapport ook nog blijkt dat verdachte enkele jaren jonger imponeert dan zijn daadwerkelijke leeftijd (van destijds 20, thans 21 jaar) aangeeft. Hoewel de conclusie van het rapport van het PBC inhoudt dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is, blijkt uit het onderzoekrapport en de daarop ter terechtzitting door de deskundigen gegeven toelichting ook dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van identiteitszwakte bij een nog onvoldoende uitgerijpte jongen, bij wie de persoonlijkheidsontwikkeling nog niet is volgroeid. Daarnaast lijdt verdachte, die intellectueel gezien functioneert op zwakbegaafd/benedengemiddeld niveau, aan een verslavingsprobleem, meer specifiek aan een afhankelijkheid van verschillende psychoactieve middelen (alcohol en cocaïne).

Alles afwegende acht de rechtbank, in aanmerking genomen de eerder genoemde bandbreedte van vrijheidsstraffen zoals daarvan blijkt uit de hiervoor genoemde databank en de daarna vermelde bijzondere omstandigheden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.L. Stuiver, voorzitter, R. Depping en

P.H.M. Tapper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.A. de Groot, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 juni 2009.