Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BI6947

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
11-06-2009
Zaaknummer
99864/HA ZA 08-115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De moeder van een inmiddels meerderjarige jongen stelt een vordering in tegen de school die haar zoon tussen zijn veertiende en zeventiende jaar bezocht. Toen de jongen 16 jaar oud was, vond hij onderdak in een ander gezin, waarna de school de moeder nog slechts summier informeerde. Toen de jongen 17 jaar oud was, werd hij zonder toestemming van de moeder ingeschreven op een andere school. Eerder oordeelde een klachtencommissie de klachten van de moeder grotendeels gegrond.

De rechtbank oordeelt dat ondanks de vorderende leeftijd van de zoon, de school gehouden bleef om de moeder te informeren over haar zoon en haar te betrekken bij te maken keuzes. Door de school zijn onvoldoende zwaarwegende argumenten aangevoerd om de informatieverstrekking aan de moeder achterwege te laten. De enkele wens van de zoon is daarvoor onvoldoende geweest, omdat met respectering van diens privacy, de rol van de moeder als verantwoordelijk ouder wel degelijk had kunnen zijn gehonoreerd. De rechtbank verwijst in verband met het voorgaande naar art. 1:247 lid 1 BW en art. 18 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK). De rechtbank oordeelt dat de school met alle goede bedoelingen te ver is gegaan wat betreft het passeren van de moeder.

De rechtbank wijdt nadere beschouwingen aan art. 23b van de Wet op het voortgezet onderwijs en art. 14 Inrichtingsbesluit WVO. De rechtbank verklaart voor recht dat de school toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met de moeder gesloten onderwijsovereenkomst. De vordering tot vergoeding van immateriele schade van de moeder wordt afgewezen. Ook vergoeding van de gevorderde buitengerechtelijke kosten bestaande uit kosten die de moeder heeft gemaakt in relatie tot de klachtenprocedure, acht de rechtbank niet toewijsbaar; De jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537) dat kosten die gemaakt zijn in relatie tot een tuchtrechtelijke procedure niet kunnen worden aangemerkt als kosten als bedoeld in art. 6:96 BW (kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid), acht de rechtbank van overeenkomstige toepassing op een klachtenprocedure als de onderhavige.

Wetsverwijzingen
Wet op het voortgezet onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs 23b
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 99864 / HA ZA 08-115

Vonnis van 25 maart 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. W. Lindeboom,

tegen

de vereniging

CHRISTELIJK VOORTGEZET ONDERWIJS TE GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

advocaat mr. P.E. Mazel.

Partijen worden hierna aangeduid als [de moeder] respectievelijk de school.

1. De gang van zaken

Bij dagvaarding heeft [de moeder] een vordering ingesteld als aan het slot van dat stuk omschreven.

De school heeft de vordering bij conclusie van antwoord gemotiveerd weersproken.

Vervolgens hebben partijen gerepliceerd en gedupliceerd.

Op 29 januari 2009 hebben partijen hun standpunten ter gelegenheid van een pleidooi nader uiteengezet.

Ten slotte heeft de rechtbank vonnis bepaald.

2. De feiten

Tussen partijen staat het volgende als niet, althans onvoldoende weersproken vast.

2.1. [de moeder] is de moeder van [de zoon], geboren op [geboortedatum]. [de moeder] en de vader van [de zoon] zijn gescheiden; [de moeder] was tot aan zijn meerderjarigheid op [datum] belast met het ouderlijk gezag over [de zoon].

2.2. [de moeder] ondervond opvoedingsproblemen in relatie tot [de zoon]; in dat verband stelde de orthopedagoog mevrouw Bruys op 26 januari 2002 op verzoek van [de moeder] rapport en advies op.

2.3. In januari 2003 stroomde [de zoon] in als leerling van de tweede klas van het Willem Lodewijk Gymnasium te Groningen, welk gymnasium valt onder het bevoegd gezag van de school. [de zoon] doubleerde dit leerjaar. In het leerjaar 2004-2005 bezocht [de zoon] de derde klas, in het leerjaar 2005-2006 bezocht hij de vierde klas van het gymnasium.

2.4. Vanaf enig moment in 2004 tot maart 2005 onderhield [de moeder] contact met GGZ Noord Drenthe in verband met de voortdurende opvoedings- c.q. gedragsproblemen met/van [de zoon].

Nadien is de GGZ-begeleiding van [de zoon] gecontinueerd, althans is [de zoon] begeleid door de GGZ; de GGZ-medewerker de heer [B] was zijn contactpersoon. Tussen [de moeder] en GGZ Groningen en/of GGZ Noord Drenthe bestonden er na maart 2005 geen (begeleidings)contacten meer.

2.5. [de zoon] is besproken in het 'zorgadviesteam' van de school, in welk team verschillende vertegenwoordigers van de school en van de regionale zorginstellingen gezamenlijk aandachtsgevallen bespreken.

2.6. In verband met de opvoedingsproblemen die [de moeder] met [de zoon] ondervond, is in 2004 en/of 2005 als mogelijkheid aan de orde geweest de plaatsing van [de zoon] in een pleeggezin; de school was hiervan op de hoogte.

2.7. In de zomervakantie van 2005 is [de zoon] met toestemming van [de moeder] een week gaan logeren bij de familie [A] te [woonplaats], het ouderlijk gezin van een vriend van [de zoon]. Na die week wilde [de zoon] niet meer terug naar huis; hij is in het gezin blijven wonen.

[de moeder] heeft niet ingestemd met het verblijf van [de zoon] in het gezin [A]; zij heeft het indertijd slechts als feitelijkheid geaccepteerd. Er is sinds [de zoon] bij [A] is gaan wonen, geen contact meer geweest tussen hem en zijn moeder. Het verblijf van [de zoon] in het gezin [A] is nimmer geformaliseerd door een kinderbeschermingsmaatregel, met name niet door een uithuisplaatsing krachtens machtiging door de kinderrechter in het kader van een ondertoezichtstelling.

In november 2005 heeft [de moeder] Bureau Jeugdzorg (BJZ) verzocht te bemiddelen bij herstel van contact tussen haar en [de zoon]. BJZ stelde vervolgens een onderzoek in naar de leefsituatie van de jongen en concludeerde dat het goed ging met [de zoon] en dat het voor zijn ontwikkeling beter was als de relatie met [de moeder] niet werd afgedwongen.

In de gemeentelijke bevolkingsadministratie heeft [de zoon] tot 9 januari 2007 ingeschreven gestaan op het woonadres van [de moeder]; op genoemde datum is hij officieel uitgeschreven van dat adres.

2.8. Vanaf het begin van het leerjaar 2005/2006 voerde de school het dagelijkse (gewoonlijk met ouders onderhouden) overleg niet meer met [de moeder], maar met de heer en mevrouw [A].

2.9. Op 9 februari 2006 schreef [de moeder] aan de school onder het opschrift "recht op informatie" onder meer: "Via deze brief richt ik mij nog eenmaal tot u met het verzoek mij informatie te verstrekken over de persoonlijke ontwikkeling van mijn zoon [de zoon] op leergebied en op sociaal-emotioneel gebied". In deze brief refereerde [de moeder] aan een reeks van telefonische contacten met de school in de periode september tot en met december 2005, waarin zij aan de orde had gesteld zich gepasseerd te voelen. De brief eindigde aldus: "Ik ben de gezagsdragende ouder en wens daarom geïnformeerd te worden".

2.10. Bij schrijven van 17 februari 2006 verschafte de school enige informatie aan [de moeder]. Voorgesteld werd dat [de moeder] voor informatieverstrekking eens in de zes à acht weken contact met de school zou opnemen.

2.11. Op 21 maart 2006 vond een gesprek plaats tussen [de moeder] en de school. Tijdens dat gesprek kwam aan de orde de opvatting van de school dat voortzetting van de gymnasium-opleiding geen perspectief voor [de zoon] bood en dat een 'sprintopleiding' op Havo-niveau meer aangewezen was.

2.12. Na 21 maart 2006 vond de school het Werkman College te Groningen bereid om [de zoon] in het schooljaar 2006/2007 in te schrijven voor het examenjaar van de Havo. De school heeft met het oog daarop de begeleiding van [de zoon] gericht op de overstap naar de Havo.

Aan [de zoon] werden de uitschrijvingsformulieren meegegeven ter ondertekening door zijn moeder, welke papieren hij evenwel heeft doen ondertekenen door zijn verzorgers bij de familie [A]. In de zomer van 2006 is [de zoon] uitgeschreven als leerling van het Willem Lodewijk Gymnasium en is hij ingeschreven als leerling van het Werkman College. In 2007 heeft [de zoon] zijn Havo-diploma behaald; hij volgt thans een HBO-opleiding.

2.13. Op 1 maart 2007 heeft [de moeder] in het kader van de toepasselijke klachtenprocedure een klacht ingediend tegen de school. Op 11 mei 2007 heeft de klachtencommissie uitspraak gedaan; die uitspraak is in afschrift aan dit vonnis gehecht.

3. De vordering van [de moeder]

[de moeder] stelt dat de school haar in strijd met wettelijke verplichtingen informatie heeft onthouden en haar niet heeft betrokken in de wisseling van opleiding in de zomer van 2006. Er is door de school toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de met [de moeder] ten behoeve van [de zoon] gesloten onderwijsovereenkomst; voorts is er sprake geweest van onrechtmatig handelen bij de uitvoering van het onderwijs, gelet op art. 23b Wet op het voortgezet onderwijs en art. 1:245 BW.

Door haar nalaten heeft de school er toe bijgedragen dat de relatie tussen [de zoon] en zijn moeder niet is hersteld.

Uit art. 23b Wet op het voortgezet onderwijs volgt dat als er een met het gezag belaste ouder is, die moet worden geïnformeerd; met het informeren van de familie [A] als 'verzorgers' mocht de school niet volstaan.

Op de beslissing tot wisseling van onderwijsinstelling in de zomer van 2006 was art. 14 van het Inrichtingsbesluit niet toepasselijk; die bepaling handelt over 'verwijdering' van een leerling.

Er is gehandeld in strijd met het persoonlijkheidsrecht (familie- en gezinsleven als bedoeld in art. 8 EVRM) van [de moeder]. Er zijn kansen voorbij gegaan; voor de schade die daaruit is voortgevloeid, is de school aansprakelijk. Er is een belangrijke negatieve invloed geweest op het welbevinden van [de moeder]; zij is aangetast in haar persoon en heeft recht op een vergoeding van immateriële schade.

Voor het geval dat de relatie met [de zoon] wordt hersteld, gaat [de moeder] er vanuit dat [de zoon] alsnog het gymnasium (bij een particuliere onderwijsinstelling) gaat afmaken; de kosten daarvan komen voor rekening van de school.

De uitspraak van de klachtencommissie is van belang voor de civiele procedure; als de rechtbank een ander oordeel dan de commissie heeft, zal zij dat begrijpelijk moeten motiveren. De in verband met de klachtenprocedure gemaakte kosten dient de school te vergoeden op grond van art. 6:96 BW.

Eerder is aan de school verzocht om afschrift te verstrekken van dossiers betreffende [de zoon], maar de school heeft dat geweigerd. Aan de hand van die dossiers kan [de moeder] haar stellingen nader onderbouwen; op de voet van art. 843a Rv wenst [de moeder] veroordeling van de school tot afgifte van leerlingendossier en het zorgdossier.

In het licht van het vorenstaande vordert [de moeder] - kort weergegeven -

(1) een verklaring voor recht dat de school toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de onderwijsovereenkomst, althans onrechtmatig heeft gehandeld;

(2) veroordeling van de school om alles te doen wat in haar vermogen ligt om de betrekkingen tussen [de moeder] en haar zoon te herstellen, waarbij de kosten van deze activiteiten voor rekening van de school blijven;

(3) veroordeling van de school ter zake van de wanprestatie, althans het onrechtmatig handelen, om aan [de moeder] EUR 10.000,00 te betalen ten titel van immateriële schadevergoeding;

(4) veroordeling van de school ter zake van de wanprestatie, althans het onrechtmatig handelen, om aan [de moeder] EUR 15.000,00 te betalen voor nog te maken studiekosten ten behoeve van [de zoon];

(5) veroordeling van de school tot voldoening van de door [de moeder] noodzakelijk gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van EUR 8.040,53;

(6) op basis van art. 843a Rv veroordeling van de school tot overlegging van het leerlingendossier en het zorgdossier van [de zoon] en

(7) veroordeling van de school in de proceskosten.

4. Het verweer van de school

Nadat [de zoon] bij de familie [A] was blijven wonen, gaf hij aan dat hij geen contact met zijn moeder wilde; ook wenste hij dat de school niet zijn moeder, maar zijn verzorgers op de hoogte zou houden van zijn voortgang. Aan de beslissing van de school om met ingang van het begin van het leerjaar 2005/2006 het reguliere overleg te voeren met de dagelijkse verzorgers lagen, naast dit verzoek van [de zoon], ten grondslag de wens van de school om de relatie tussen [de zoon] en [de moeder] niet verder op de spits te drijven, alsmede praktische overwegingen aangezien de verzorgers van [de zoon] dagelijkse invloed konden uitoefenen op zijn schoolwerk.

In het leerjaar 2005/2006 was de begeleiding bijzonder intensief. Toen duidelijk werd dat het gymnasium geen passende opleiding was, is naar een goede vervolgopleiding gezocht en is [de zoon] daarop voorbereid. De primaire taak van een school en haar leerkrachten ligt bij het leertraject van de leerlingen. In dit verband moet ook het contact met de dagelijkse verzorgers worden gezien; het is niet de taak van de school om verstoorde relaties tussen ouders en kinderen te herstellen c.q. daarbij te bemiddelen.

Indien al kan worden aangenomen dat tussen [de moeder] en de school een onderwijsovereenkomst bestond, is er geen sprake geweest van een tekortkoming in de nakoming aan de zijde van de school. De onderwijsovereenkomst is een inspanningsverbintenis, waarbij er slechts dan sprake is van tekortkomen indien de school tekortgeschoten is in de inspanning die in gegeven omstandigheden op grond van de overeenkomst van haar kon worden verlangd.

[de moeder] is door de school op de hoogte gehouden van de schoolprestaties van [de zoon]; met haar is overleg gevoerd toen duidelijk was dat [de zoon] niet zou overgaan. Er is voortdurend contact geweest met de verzorgers. Art. 23b van de Wet op het voortgezet onderwijs geeft de school uitdrukkelijk de mogelijkheid om, in plaats van met de ouders, met de verzorgers van de leerling overleg te voeren.

Hoewel [de moeder] het ouderlijk gezag als bedoeld in art. 1:247 BW toekwam, moest gelet op de leeftijd van [de zoon] in het leerjaar 2005/2006 in belangrijke mate rekening worden gehouden met diens mening.

[de moeder] behoefde niet akkoord te gaan met de uitschrijving. Voldoende is dat zij op de hoogte werd gesteld en haar mening werd gehoord; het Inrichtingsbesluit VWO bepaalt immers in art. 14 dat het bevoegd gezag beslist over verwijdering. Het is minder gelukkig geweest dat de school niet heeft gecontroleerd of de handtekening onder het uitschrijvingsformulier van [de moeder] was, maar feit blijft dat die handtekening geen constitutief vereiste was voor de uitschrijving van [de zoon].

De school heeft evenmin een onrechtmatige daad gepleegd. Gezien de zorg en aandacht die de school heeft besteed aan het leertraject van [de zoon] en het feit dat zij gerechtigd was het reguliere overleg met de verzorgers van [de zoon] te voeren, kan niet worden gesteld dat de school heeft gehandeld in strijd met enige betamelijkheidsnorm.

Voorts geldt dat bij overtreding van een rechtsnorm alleen dan schade moet worden vergoed indien de geschonden norm strekt ter bescherming van het geschonden belang; zulke relativiteit ontbreekt hier.

Er is geen causaal verband tussen de gestelde tekortkomingen (onvoldoende informatievoorziening, uitschrijving zonder instemming) en de opgevoerde schade.

De school weerspreekt eveneens dat [de moeder] immateriële schade heeft geleden, nu een ernstige psychische storing zich niet voordoet bij [de moeder].

De school is voorts niet gehouden om de gevorderde toekomstige studiekosten te vergoeden, omdat de overgang van [de zoon] naar de Havo niet het gevolg was van handelen of nalaten van de school, maar louter samenhing met de schoolprestaties van [de zoon]; voorts staat niet vast dat [de moeder] ooit dergelijke kosten zal maken.

Het onderdeel van de vordering dat ziet op het herstel van de relatie is niet toewijsbaar, omdat de school in dezen geen taak heeft en zij ook niet weet wat de reden is van de breuk tussen moeder en zoon. In ieder geval heeft geen gedraging van de school ten grondslag gelegen aan de breuk. Daarnaast kan het door [de moeder] beoogde resultaat niet worden afgedwongen.

De buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar omdat zij de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan; wat betreft de kosten van de klachtenprocedure volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat dergelijke kosten niet kunnen worden gezien als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid. Rente is niet verschuldigd omdat de school niet in verzuim is.

De vordering ex art. 843a Rv, strekkende tot inzage, is niet toewijsbaar omdat [de moeder] geen rechtmatig belang heeft in dezen, mede gelet op het vertrouwelijke karakter van hetgeen is besproken in het 'zorgadviesteam'.

5. Beoordeling

5.1. De klachtencommissie heeft in haar uitspraak van 11 mei 2007 de klacht van [de moeder] onder I dat zij door de school onvoldoende werd geïnformeerd over de ontwikkeling van [de zoon] geheel gegrond geoordeeld; voorts heeft de klachtencommissie aangaande de klacht onder II geoordeeld dat deze deels gegrond is wat betreft het inlichten van [de moeder] over het besluit tot uitschrijving, alsmede geheel gegrond is wat betreft het besluit tot uitschrijving zonder dat [de moeder] daar toestemming voor had gegeven.

De rechtbank kan zich geheel vinden in de strekking van het oordeel van de klachtencommissie.

In algemene zin voegt de rechtbank aan het oordeel van de klachtencommissie nog de volgende overwegingen toe.

Ondanks de vorderende leeftijd van [de zoon], bleef de school gehouden om [de moeder] te informeren over haar zoon en haar te betrekken bij te maken keuzes. De toekomst van [de zoon] was en bleef allereerst de zorg van [de moeder]; het beter informeren van [de moeder] had haar meer gelegenheid geboden invloed te doen gelden (waarbij de rechtbank onderkent dat, gelet op de aanzienlijke verwijdering tussen moeder en zoon en de ernst van de problematiek van de jongen, het eindresultaat naar alle waarschijnlijkheid niet anders zou zijn geweest).

Door de school zijn onvoldoende zwaarwegende argumenten aangevoerd om de informatieverstrekking aan [de moeder] achterwege te laten. De enkele wens van [de zoon] is daarvoor onvoldoende geweest, omdat met respectering van diens privacy, de rol van [de moeder] als verantwoordelijk ouder wel degelijk had kunnen zijn gehonoreerd.

De rechtbank verwijst in verband met het voorgaande naar art. 1:247 lid 1 BW ("het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarig kind op te voeden"); de school heeft in strijd met deze bepaling gehandeld. De rechtbank wijst ook nog op art. 18 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK): "De staten die partij zijn, doen alles wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Ouders (…) hebben de eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind is hun eerste zorg". Betrokkenheid bij de voortgang van hun kind binnen het onderwijs is een aanspraak die ouders in beginsel aan deze verdragsbepaling kunnen ontlenen. Deze betrokkenheid is mede van belang om de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van het kind gestalte te kunnen geven.

Al het vorenstaande neemt niet weg dat óók een gegeven is dat de school zich buitengewoon heeft ingespannen om [de zoon] op het goede spoor te krijgen en dat die inspanningen resultaat hebben gehad. Gelet op de problemen die waren ontstaan rondom deze jongen, lijkt het in niet onbelangrijke mate aan de school te danken dat het nu - jaren later - betrekkelijk goed met hem gaat.

Kort gezegd: de school heeft zich met succes gekweten van haar taak, maar zij is met alle goede bedoelingen te ver gegaan wat betreft het passeren van [de moeder].

5.2. Aangaande de onderdelen van de vordering overweegt de rechtbank voorts aldus.

5.2.1. De rechtbank gaat uit van een overeenkomst tussen de school en [de moeder], dat wil zeggen een overeenkomst tussen de gezaghebbende ouder en een onderwijsinstelling, inhoudende dat laatstgenoemde onderwijs verschaft aan [de zoon].

Deze overeenkomst werd mede genormeerd door art. 23b van de Wet op het voortgezet onderwijs, welke bepaling luidt: "Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de leerlingen zelf indien zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn".

Anders dan de school meent, volgt uit dit art. 23b niet dat de school in de gegeven situatie mocht volstaan met het rapporteren aan de familie [A]. Het woord "of" heeft niet de betekenis van het aanduiden van een dichotomie (of het een, of het ander), maar geeft aan dat in geval een ouder of voogd ontbreekt maar er wél een verzorger is, het passend is dat met die verzorger contact wordt onderhouden. Hier ontbrak een ouder met ouderlijk gezag geenszins, zodat aan [de moeder] had moeten zijn gerapporteerd. Dit neemt niet weg dat in de gegeven situatie voor de dagelijkse gang van zaken óók contact mocht worden onderhouden met de familie [A].

De school heeft wat betreft het uitschrijven van [de zoon] zonder dat daarvoor de instemming van [de moeder] was verkregen, zich beroepen op art. 14 Inrichtingsbesluit WVO, maar ten onrechte. Die bepaling ziet op definitieve verwijdering van een leerling, dat wil zeggen op het eenzijdig opzeggen van de onderwijsovereenkomst. Dit laatste is hier niet aan de orde geweest; de school heeft naar een oplossing gezocht, maar heeft degene wiens instemming voor een oplossing in goed overleg was vereist - [de moeder] - daar onvoldoende bij betrokken.

Gelet op het vorenstaande kan de vordering onder 1 (primair) worden toegewezen: de rechtbank zal voor recht verklaren dat de school toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met [de moeder] gesloten onderwijsovereenkomst.

5.2.2. Het onderdeel van de vordering onder 2, strekkende tot veroordeling van de school om zich tot het uiterste in te spannen om de relatie tussen [de moeder] en [de zoon] te herstellen, is niet toewijsbaar. Onduidelijk is wat de school thans, gelet op het tijdsverloop, mede gezien de huidige leeftijd van [de zoon], nog bij zou kunnen dragen aan verbetering van die relatie. Voorts geldt dat het niet de taak van een onderwijsinstelling is om persoonlijke verhoudingen tussen ouders en kinderen te bevorderen of te herstellen. Tot slot is van belang dat geen oorzakelijk verband aanwezig kan worden geacht tussen gedragingen van de school en de verwijdering die tussen [de zoon] en zijn moeder heeft plaatsgevonden; die verwijdering heeft andere oorzaken gehad.

5.2.3. Het onderdeel van de vordering onder 3, strekkende tot veroordeling van de school om aan [de moeder] immateriële schade te vergoeden, is evenmin toewijsbaar.

Art. 6:106 BW geeft in dezen een limitatieve opsomming: buiten de hier niet relevante gevallen van oogmerk van de schadetoebrenger, lichamelijk letsel en aantasting van de nagedachtenis van een overledene, is er alleen dan mogelijkheid van veroordeling tot vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Voor zover [de moeder] ter onderbouwing van dit onderdeel van haar vordering heeft gesteld dat er sprake is van aantasting van eer en goede naam, is die opgave dermate ongemotiveerd dat deze geen verdere bespreking behoeft.

Blijft over de gestelde 'aantasting in de persoon'. Zulke aantasting kan zijn (a) een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of (b) het toebrengen van psychische storingen.

Een in rechte thans relevante inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (a) heeft zich hier niet voorgedaan. Voor zover [de moeder] haar eigen leven niet vrijelijk heeft kunnen genieten doordat de problemen met [de zoon] zich voordeden, is dat niet een omstandigheid die aan de school is toe te rekenen; de verwijdering met de jongen was immers ingezet voordat [de zoon] het Willem Lodewijk gymnasium bezocht en is daarna vergroot zonder dat de school daar een aandeel in had. Het onvoldoende betrekken van [de moeder] verergerde weliswaar het onbehagen bij haar, maar kan op zichzelf beschouwd niet worden aangemerkt als dermate beschadigend dat een financiële vergoeding billijk dient te worden geacht.

De aantasting sub (b) is, blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad, alleen dan aan de orde bij een psychische beschadiging, dat wil zeggen in geval van objectief vast te stellen geestelijk letsel. Gesteld noch gebleken is dat zich dat hier voordoet.

5.2.4. Het onderdeel van de vordering onder 4, strekkende tot veroordeling van de school om toekomstige studiekosten te vergoeden, is evenmin toewijsbaar. Deze vordering stuit (daargelaten vragen omtrent relativiteit en causaliteit) reeds af op het gegeven dat de kans dat [de zoon] in de toekomst, op kosten van [de moeder], alsnog het gymnasium zal (willen) afmaken, dermate klein is dat daarop een veroordeling niet kan worden gebaseerd.

5.2.5. Nu aan [de moeder] geen schadevergoeding wordt toegekend, hebben te vergoeden buitengerechtelijke kosten louter nog betrekking op de kosten die [de moeder] heeft gemaakt in relatie tot de klachtenprocedure. De Hoge Raad heeft geoordeeld (zie onder meer HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537) dat kosten die gemaakt zijn in relatie tot een tuchtrechtelijke procedure, niet kunnen worden aangemerkt als kosten als bedoeld in art. 6:96 BW (kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid), omdat een tuchtrechtelijke procedure niet tot doel heeft de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar vast te stellen (hoezeer ook het oordeel van de tuchtrechter een rol kán spelen in een opvolgende civiele procedure). Deze uitspraak van de Hoge Raad is naar het oordeel van de rechtbank van overeenkomstige toepassing op een klachtenprocedure als de onderhavige. Nu de door [de moeder] gemaakte kosten alleen al om die reden buiten het bestek van art. 6:96 BW vallen, kan buiten beschouwing worden gelaten of de door [de moeder] gestelde kosten ook 'redelijk' zijn in de zin van die wetsbepaling. Het onderdeel van de vordering onder 5 is derhalve niet toewijsbaar.

5.2.6. Het onderdeel van de vordering onder 6, tot slot, betreft veroordeling van de school tot afgifte van bescheiden; zij is gebaseerd op art. 843a Rv.

Omtrent die vordering stelt de rechtbank het volgende voorop.

Bij dagvaarding werd deze vordering gepresenteerd als een incidentele vordering, zij het dat deze zodanig in de tekst van het stuk was opgenomen dat (de griffie van) de rechtbank dit onderdeel niet als zodanig heeft onderkend. Nu [de moeder] bij het uitblijven van een incident (een onderbreking van de behandeling van de hoofdzaak) ook geen aandacht heeft gevraagd voor een omissie aan de zijde van de rechtbank, heeft eerst ter gelegenheid van het pleidooi dit onderdeel van de vordering aandacht gekregen; thans zal daarop worden beslist.

Inhoudelijk komt dit onderdeel van de vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Ook al zou [de moeder] alle informatie waar zij op doelt in handen hebben, zou dat nog niet kunnen maken dat enig onderdeel van de vordering dat thans niet toewijsbaar wordt geoordeeld, alsnog voor toewijzing in aanmerking zou komen omdat het beter wordt onderbouwd.

Nu [de moeder] ook geen ander belang heeft gesteld dan het belang haar (bewijs)positie te versterken, moet [de moeder] worden geacht geen rechtmatig belang te hebben bij toewijzing van het gevorderde.

5.3. In de omstandigheid dat partijen over en weer ten dele in het ongelijk worden gesteld, ziet de rechtbank grond om de proceskosten te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

6. Beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart voor recht dat de school toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met [de moeder] gesloten overeenkomst ten behoeve van haar zoon,

6.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.3. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers, mr. F.E.J. Beekhoven van den Boezem en mr. J. Dorscheidt en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2009.?