Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BI5997

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
102418 / JE RK 08-492
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat vader over zeer beperkte woonruimte beschikt is niet voldoende grond om de minderjarige uit huis te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 102418 / JE RK 08-492

beschikking kinderrechter d.d. 23 april 2009

inzake

* [de minderjarige], geboren in de gemeente [***] [in 1995],

kind van:

[vader],

wonende te [adres],

en

[moeder],

zonder bekend woon- of verblijfplaats.

De vader is belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

PROCESGANG

De kinderrechter in deze rechtbank heeft op 16 juli 2008 en 16 januari 2009 (tussen)beschikkingen gegeven.

Op 17 april 2009 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren voortgezet. Gehoord zijn daarbij: de vader, bijgestaan door mr. G. Meijer, raadsman, en de heer S. Rienstra, namens het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (LJ&R).

De kinderrechter heeft de minderjarige [de minderjarige] afzonderlijk gehoord.

Ter zitting is namens het LJ&R een indicatiebesluit overgelegd.

Ter zitting zijn door de vader foto's overgelegd van zijn woning.

OVERWEGINGEN

Bij beschikking d.d. 16 juli 2008 is de termijn van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met een jaar verlengd, ingaande 25 juli 2008. Voorts is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de tijd van zes maanden verlengd, tot 25 januari 2009. De beslissing met betrekking tot de langer verzochte duur van de machtiging tot uithuisplaatsing is daarbij aangehouden.

Bij beschikking d.d. 16 januari 2009 is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van drie maanden, derhalve tot 25 april 2009. De beslissing is voor het overige aangehouden.

Beoordeling kinderrechter

Het LJ&R heeft ter zitting gepersisteerd bij het verzoek [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

De kinderrechter acht de gronden die namens het LJ&R hiervoor zijn aangevoerd, niet afdoende. Immers, krachtens artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dient een uithuisplaatsing noodzakelijk te zijn in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De kinderrechter is van deze noodzaak niet gebleken.

Op grond van het verhandelde ter zitting kan de kinderrechter niet anders concluderen dan dat het LJ&R als enige grond voor de machtiging tot uithuisplaatsing aanvoert dat de vader niet over voldoende adequate woonruimte beschikt. Het LJ&R heeft weliswaar daarnaast aangevoerd dat er twijfels zijn over de pedagogische vaardigheden van de vader, maar de gezinsvoogd heeft tegelijkertijd toegezegd dat hij de hulp en de ondersteuning in dezen op zich zal nemen. De vader heeft zich bereid verklaard om hulpverlening te aanvaarden. Vaststaat dat [de minderjarige] de weekenden bij zijn vader doorbrengt en tevens iedere woensdag bij zijn vader verblijft. Voorts gaat hij na schooltijd naar zijn vader toe. Het LJ&R bevestigt dat [de minderjarige] in het pleeggezin uitsluitend eet en slaapt; feitelijk verblijft hij bij zijn vader. De kinderrechter is van oordeel dat deze uitgebreide omgang(sregeling) niet volledig valt te rijmen met de twijfels die het LJ&R heeft over de pedagogische vaardigheden van de vader.

Voor wat betreft de woning geldt dat de kinderrechter van oordeel is dat de vader weliswaar beschikt over zeer beperkte woonruimte, zoals eerder overwogen in de beschikking d.d. 16 juli 2008, doch dit alleen is niet voldoende grond om [de minderjarige] uit huis te plaatsen. De kinderrechter is - uit de ter zitting door de vader overgelegde foto's - bovendien gebleken dat alle voorzieningen in de woning aanwezig zijn en dat [de minderjarige] zijn eigen kamer heeft. De situatie is weliswaar niet ideaal, maar deze zal hopelijk op korte termijn verbeteren. Immers, de vader blijft zoeken naar een andere woning.

Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat er niet langer gronden bestaan om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De verleende machtiging zal dan ook met ingang van heden worden beëindigd.

BESLISSING

beëindigt met ingang van heden de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2009.

nw

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.