Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BI1515

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
108160
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van zes maanden, verzoek voor de langer verzochte duur afgewezen.

De ondertoezichtstelling heeft er tot nu toe niet toe geleid dat er voldoende zicht is gekomen op de situatie bij moeder thuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 108160 / JE RK 09-173

beschikking kinderrechter d.d. 27 maart 2009

inzake

* [minderjarige], geboren in de gemeente [***] [in 1997],

kind van:

[moeder],

wonende te [adres].

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarige (verder te noemen [de minderjarige]).

PROCESGANG

Op 27 februari 2009 heeft de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSG), namens het bureau jeugdzorg, een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend, gedateerd 26 februari 2009.

Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

Op 19 maart 2009 is ter griffie van de rechtbank een brief van moeder ontvangen.

Op 27 maart 2009 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn daarbij: moeder en de heer W. van Engelen, namens de WSG.

OVERWEGINGEN

Bij beschikking van 28 maart 2008 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de tijd van een jaar, ingaande 11 april 2008.

Standpunt van de WSG

[de minderjarige] heeft het syndroom van Down en zijn ontwikkeling vraagt om specifieke zorg en aandacht. Hij functioneert goed in een vaste structuur waar niet te veel prikkels zijn. De afgelopen periode is de bereikbaarheid en de medewerking van moeder wederom een belangrijk aandachtspunt geweest. De gezinsvoogd heeft in juli 2008 een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing moeten schrijven om ervoor te zorgen dat er op een goede wijze contact mogelijk is tussen moeder en de hulpverlening. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een verbetering van het contact en de medewerking van moeder met de hulpverleenster van NOVO. De samenwerkingsrelatie tussen school en moeder blijft broos. Bij moeder is in mei 2006 paranoïde psychose, een psychiatrische stoornis, alsmede oordeels- en kritiekstoornissen gediagnosticeerd. Hierdoor heeft moeder moeite om de werkelijkheid goed te beoordelen en is er een verminderde realiteitszin. Moeder is dan ook niet in staat om kritisch naar de situatie van zichzelf en van [de minderjarige] te kijken met als gevolg dat zij te kort schiet in de opvoeding van [de minderjarige] en hem overvraagt, maar dit zelf niet in de gaten heeft.

Ter zitting is door de WSG naar voren gebracht dat moeder betrokken is op [de minderjarige] en dat zij graag zelf voor hem wil zorgen, zonder dat zij hierbij hulp nodig heeft. De afgelopen periode is de NOVO bezig geweest om bij moeder een ingang te vinden om hulp te verlenen, omdat zij veel weerstand heeft tegen de hulpverlening. De NOVO is samen met moeder bezig met het opstellen van plannen en doelen. De WSG vindt het dan ook positief dat moeder nu hulp van NOVO toestaat. Op sociaal-emotioneel gebied loopt [de minderjarige] achter en hulpverlening is nodig om de ontwikkeling op dit gebied te stimuleren. Moeder is, naar mening van de WSG, te sterk gefocust op de leerprestaties van [de minderjarige]. Op school laat [de minderjarige] gedragsproblemen zien waar school de handen vol aan heeft. Duidelijk is dat [de minderjarige] veel sturing nodig heeft. Wanneer [de minderjarige] thuis komt van school laat hij onaangepast gedrag zien. De band tussen moeder en kind is dusdanig dat de WSG het een meerwaarde vindt dat [de minderjarige] thuis woont. Bij een eventuele uithuisplaatsing zal er veel strijd ontstaan omdat moeder niet met een uithuisplaatsing instemt. Dit is niet in het belang van [de minderjarige].

Naar mening van de WSG dient in de komende periode gewerkt te worden aan de volgende doelen.

Doelen ten aanzien van [de minderjarige]:

- passende hulp voor [de minderjarige] wordt gewaarborgd;

- het opvoedingsklimaat voor [de minderjarige] is verbeterd;

- [de minderjarige] kan spelen met leeftijdsgenootjes.

Doelen ten aanzien van moeder:

- moeder staat open voor een gesprek over haar psychiatrische problemen en de gevolgen daarvan;

- moeder blijft thuis hulp accepteren;

- moeder kan de adviezen van de gezinsvoogd en andere hulpverleners opvolgen.

Standpunt van moeder

Moeder is van mening dat er niets mis is met haar. Het onderzoek waaraan de WSG refereert, was een gesprek van zeven minuten. Een nieuw onderzoek vindt zij dan ook belachelijk. Moeder vindt dat zij alles voor [de minderjarige] doet en vindt dat zij doordat [de minderjarige] is geboren met het syndroom van Down al genoeg is gestraft. Ze vindt het verschrikkelijk dat haar dit allemaal wordt aangedaan.

Op 'De Wingerd' kon [de minderjarige] tot 50 tellen, maar nu hij op de 'Van Lieflandschool' zit kan [de minderjarige] nog maar tot drie tellen. Moeder vindt dit onacceptabel. Ze heeft [de minderjarige] van 'De Wingerd' afgehaald omdat deze school haar niet aanstond. De huidige school, de 'Van Lieflandschool', zegt dat [de minderjarige] zwemdiploma B niet kan halen, terwijl moeder er voor heeft gezorgd dat [de minderjarige] zijn zwemdiploma C heeft behaald. [de minderjarige] zat in een klas waar veel aan lezen, schrijven en rekenen werd gedaan. Na bemoeienis van de Raad en de WSG is [de minderjarige] overgeplaatst naar een andere klas waar hij naar mening van moeder niets leert. Thuis schrijft moeder zinnen op en die schrijft [de minderjarige] dan na, maar de school vindt dit niet goed en zijn van mening dat moeder hem teveel op cognitief gebied belast. Moeder vindt het echter belangrijk dat [de minderjarige] gestimuleerd wordt en vooruitgaat, maar ze is zelf geen juf en vindt dat dit op de weg van school ligt. Moeder vindt dat zij van NOVO geen steun krijgt op cognitief gebied. Moeder is gisteren bij de kinderarts geweest, mevrouw Vogel, en zij heeft gezegd dat als moeder hem iets wil leren, zij dat moet doen.

Sinds hij in een andere klas zit is ook het gedrag van [de minderjarige] erg achteruitgegaan. Hij knijpt mensen in hun tenen, is verstoppertje aan het spelen en sluit zich dan voor langere tijd op in de WC. Tevens smeert hij de hond onder zijn eigen snot en poep. Moeder moet hem dan ook veel corrigeren. Zij doet dit door rustig met hem te spreken. Moeder vindt dit heel erg moeilijk voor zichzelf.

[de minderjarige] vindt het prachtig om achter de spelcomputer te zitten en TV te kijken. Hij wil ook graag pony rijden en gaat samen met een vriendje naar voetbal. Van de familie ondervindt moeder veel steun, met name van haar zus. Moeder werkt niet, omdat zij een ontzegging heeft van de sociale dienst om voor [de minderjarige] te zorgen. Voor de geboorte van [de minderjarige] heeft moeder negen jaar bij het GAK gewerkt. Na de geboorte van [de minderjarige] heeft moeder nog vier jaar lang vrijwillig als dierenverzorgster gewerkt. [de minderjarige] nam ze dan mee.

Tot slot wordt naar voren gebracht dat [de minderjarige] door mevrouw I. Wester is onderzocht, moeder was op de achtergrond aanwezig bij dit onderzoek. Het kind deed alles heel goed maar uiteindelijk heeft mevrouw Wester een drie op de rapportage gezet, moeder vindt dit onbegrijpelijk.

Beoordeling van de kinderrechter

[de minderjarige] is een nu 11-jarig jongetje met het syndroom van Down. Zijn ontwikkeling vraagt specifieke aandacht en zorg. Uit de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat er veel zorgen zijn omtrent de ontwikkeling van [de minderjarige] en dat deze zorgen al sinds 2004 bestaan. Uiteindelijk heeft dit op 11 april 2007 geresulteerd in een eerste ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling heeft er evenwel niet toe geleid dat er voldoende zicht is gekomen op de situatie bij moeder thuis. De hulpverlening heeft pas sinds kort, eerst na het verstrekken van een aanwijzing, een ingang bij moeder gevonden. De kinderrechter acht dit zeer zorgelijk mede omdat daardoor geconcludeerd moet worden dat de vorig jaar gestelde doelen niet zijn behaald.

De WSG heeft aangegeven dat moeder is gediagnosticeerd met een paranoïde psychose. Er is sprake van oordeel- en kritiekstoornissen ten gevolge waarvan moeder moeite heeft om de werkelijkheid goed te beoordelen en er sprake is van een verminderde realiteitszin. In de beschikking van 28 maart 2008 heeft de kinderrechter moeder geadviseerd, nu zij meerdere keren heeft aangegeven het niet eens te zijn met de rapportage waarin haar psychische problemen zijn vastgesteld, een nieuw onderzoek te laten verrichten. Moeder heeft dit evenwel niet gedaan en stelt zich ook nu op het standpunt dat er niets mis is met haar en dat een onderzoek dan ook belachelijk is.

Uit de stukken, maar ook ter zitting komt naar voren dat moeder zeer gericht is op de cognitieve ontwikkeling van [de minderjarige], zoals ze ook in haar brief aangeeft.

... "Ik zelf ben een vóóruitstrevende vrouw. Ik wil [de minderjarige] alles wel leren op cognitief gebied zoals schrijven/ taal/ lezen en rekenen omdat ik dat héél belangrijk vind voor zijn geestelijke ontwikkeling en dat [de minderjarige] nog iets van zijn leven kan maken (ondanks syndroom van down)"...

Moeder vindt dat [de minderjarige] op school onvoldoende leert en geeft de school de schuld van het probleemgedrag van [de minderjarige]. De school stelt zich daarentegen op het standpunt dat moeder [de minderjarige] overvraagt. Moeder ontkent dat zij [de minderjarige] overvraagt en is voornemens om [de minderjarige] opnieuw, voor de derde keer, op een andere school te plaatsen en wederom omdat ze het niet eens is met de visie van school.

In haar brief en ter zitting geeft moeder aan dat [de minderjarige] boeren en scheten laat, stottert, met poep en snot smeert, spuugt en nog veel meer en dat zij er een hele klus aan heeft om zijn onacceptabele gedrag, wat hij volgens haar van andere kinderen overneemt, weer af te leren.

Gelet op het hiervoor overwogene is de kinderrechter van oordeel dat de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd dient te worden.

Omdat de kinderrechter het noodzakelijk acht dat er met spoed zicht komt op de situatie bij moeder thuis, haar psychiatrische problematiek, alsmede haar functioneren zal de termijn voor de ondertoezichtstelling worden verlengd voor een periode van zes maanden. De WSG dient bij een eventueel verlengingsverzoek een verslag te overleggen waarin duidelijk wordt wat er in de afgelopen periode is ondernomen en welke doelen zijn bereikt. Tevens dient duidelijk te worden hoe de ontwikkeling van [de minderjarige] in de thuissituatie is, of aldaar zijn gezonde ontwikkeling is gewaarborgd en hoe hij zich op school ontwikkelt.

Tot slot overweegt de kinderrechter dat conform hetgeen ter zitting is meegedeeld de WSG voornoemd recent verslag - in aanvulling op het eventueel eerder in te dienen verlengingsverzoek - uiterlijk twee weken voor een eventuele zittingsdatum aan de kinderrechter dient over te leggen.

BESLISSING

verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarige [minderjarige], met ingang van 11 april 2009 voor de duur van zes maanden, derhalve tot 11 oktober 2009, met behoud van opdracht van de ondertoezichtstelling aan de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSG) te Amsterdam, p/a Postbus 12685, namens het bureau jeugdzorg ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek met betrekking tot de langer verzochte duur van de ondertoezichtstelling af.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.J. van der Heide, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2009.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.