Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BI1510

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
108106
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks het verzoek van de kinderrechter om onderzoek te verrichten naar het toekomstperspectief van de minderjarige en mogelijkheden van de ouders, heeft dit onderzoek tot op heden niet plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarom het NIFP verzocht met spoed een onderzoek te verrichten teneinde de rechtbank op korte termijn van advies te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 108106 / JE RK 09-160

beschikking rechtbank d.d. 16 april 2009

(betreffende de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing)

inzake

* [minderjarige], geboren in de gemeente [***] [in 2005],

kind van:

[vader],

wonende te [adres]

en

[moeder],

wonende te [adres],

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarige (verder te noemen [minderjarige]).

PROCESGANG

Op 26 februari 2009 heeft het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (LJ&R), namens het bureau jeugdzorg, een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend, gedateerd 25 februari 2009.

Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

Ter griffie van de rechtbank is op 11 maart 2009 een brief van de pleegouders van [minderjarige] ontvangen.

Op 24 maart 2009 is ter griffie van de rechtbank het indicatiebesluit ontvangen, geldende tot 8 augustus 2009.

Op 27 maart 2009 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn daarbij: moeder, bijgestaan door mr. M.T. van Daatselaar, de heer [***], vader van [broer], de heer [***], vader van [minderjarige], en mevrouw W.J. Berghuis namens het LJ&R.

De kinderrechter heeft de behandeling ter zitting gesloten en de zaak voor beoordeling van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] verwezen naar de meervoudige kamer.

De beslissingen met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling ten aanzien van [minderjarige] is in een afzonderlijke beschikking opgenomen, welke beslissing eveneens staat geregistreerd onder nummer 108106 / JE RK 09-160.

OVERWEGINGEN

Bij beschikking van 4 april 2008 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de tijd van 1 jaar, ingaande 18 april 2008. Vanaf 22 september 2008 is [minderjarige] uit huis geplaatst evenals zijn broer [broer]. Bij beschikking van 16 januari 2009, waarbij de machtigingen tot uithuisplaatsing ten aanzien van [broer] en [minderjarige] zijn verlengd, heeft de kinderrechter ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige] geoordeeld dat indien het LJ&R overgaat tot het indienen van een verlengingsverzoek een nadere rapportage dient te worden uitgebracht.

Standpunt van het LJ&R

[minderjarige] functioneert goed in het pleeggezin en hij heeft zich de afgelopen maanden op sociaal, emotioneel en lichamelijk gebied goed ontwikkeld. De volgende punten hebben nog aandacht nodig:

- spraak, taal en mondmotoriek;

- de boze buien en zijn koppigheid;

- de ontwikkelingsachterstand van [minderjarige] op sociaal-emotioneel gebied, cognitief en lichamelijk gebied moet nauwkeuriger in kaart worden gebracht.

Ter zitting is door het LJ&R naar voren gebracht dat een recenter indicatiebesluit nog zal worden overgelegd. Het LJ&R erkent dat zij in gebreke is nu er geen nadere rapportage is overgelegd terwijl de kinderrechter hier wel om heeft verzocht. Vanaf januari 2009 zijn er geen acties ondernomen om het standpunt van het LJ&R, te weten dat de machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] verlengd dient te worden, te onderbouwen. De situatie is nog precies dezelfde als tijdens de zitting van 9 januari 2009, alleen de omgang heeft de afgelopen periode doorgang gevonden. Het LJ&R stelt zich op het standpunt de termijn voor de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd dient te worden. De aanleiding voor de uithuisplaatsing is destijds geweest dat de ouders de hulp van Stabiel hebben stopgezet. Moeder blijft ambivalent staan tegenover de hulpverlening.

Uit de rapportage van Stabiel komt naar voren dat moeder verschillende keren hulpverlening heeft geweigerd en de problemen die er zijn bij [broer] neerlegt. In de periode dat de vader van [minderjarige] in het gezin was ging het goed en er was hoop dat het goed zou blijven gaan. De invloed van de vader van [minderjarige] is echter niet afdoende gebleken, zodat een verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing nodig zijn.

Standpunt van moeder

Moeder heeft er geen bezwaar tegen dat het eerdere dossier, met zaaknummer 104698 / JE RK 08-848, wordt samengevoegd met de onderhavige zaak.

Met betrekking tot het verzoek van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aangaande [minderjarige] wordt verzocht het verzoek af te wijzen.

Moeder is van mening dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn om de machtiging tot uithuisplaatsing met betrekking tot [minderjarige] te verlengen. De bedreiging van zijn ontwikkeling was destijds gelegen in de aanwezigheid van [broer]. Nu hij niet meer in het gezin van moeder woonachtig is, is hiervan geen sprake meer. Moeder vindt dan ook dat [minderjarige] op een normale wijze binnen het gezin kan opgroeien. Moeder en ook vader staan open voor hulpverlening en zijn zich er van bewust dat wanneer [minderjarige] weer naar huis komt er begeleiding nodig is. Daar komt bij dat het LJ&R niet heeft voldaan aan hetgeen de kinderrechter dienaangaande in januari heeft overwogen; er is geen nadere rapportage overgelegd.

Tot slot wordt naar voren gebracht dat na de zitting in januari 2009 de omgangsregeling, waarbij moeder samen met de beide vaders omgang heeft met [broer] en [minderjarige] samen, is verminderd van één keer per twee weken een uur naar één keer per vier weken een uur. Dit is gegaan door middel van een aanwijzing, welke niet is gemotiveerd.

Standpunt van vader

De heer [***] vindt dat [minderjarige] teruggeplaatst moet worden. Tevens dient [broer] teruggeplaatst te worden, maar dan wel met intensieve begeleiding. Hij is het niet eens met hetgeen pleegouders hebben opgemerkt. Daarnaast is de heer [***] het niet eens met de door gezinsvoogd ten aanzien van de omgangsregeling gemaakte afspraken. De huidige omgangsregeling vindt hij te weinig. De heer [***] werkt 36 uur en gaat één dag per week naar school.

Beoordeling

In de beschikking van de kinderrechter van 16 januari 2009 is met betrekking tot [minderjarige] overwogen dat de vraag is gerezen hoe de opvoedsituatie bij een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] in het ouderlijk gezin eruit zou zien zonder de nadrukkelijke aanwezigheid van [broer] daarbij. De bij [minderjarige] aanwezige problematiek lijkt niet van dien aard te zijn dat de ouders hem bij voldoende stimulering en concrete hulpverlening geen adequate opvoeding zouden kunnen geven. Daarbij is geoordeeld dat indien het LJ&R overgaat tot het indienen van een verlengingsverzoek een nadere rapportage dient te worden uitgebracht omtrent de inschatting van het niveau (voldoende dan wel onvoldoende) van het opvoedingsklimaat in de thuissituatie bij de ouders. Daarbij aan een gezinssamenstelling denkende zonder [broer], meewerkende ouders en voldoende hulpverlening.

De rechtbank constateert, dat het LJ&R -ondanks de expliciet gegeven opdracht- bij het indienen van het verlengingsverzoek een dergelijke rapportage niet heeft overgelegd. Door het LJ&R is naar voren gebracht dat er in de afgelopen periode niets is veranderd en er geen actie is ondernomen. Een verklaring hiervoor ontbreekt. Anders dan het LJ&R naar voren heeft gebracht hebben de ouders ter zitting aangeven dat er wel een wijziging heeft voorgedaan. Na de zitting van 9 januari jl. is de omgangsregeling, door middel van een aanwijzing, welke volgens zeggen van de ouders niet is gemotiveerd, van één keer per veertien dagen een uur, teruggeschroefd naar één keer per vier weken een uur.

De rechtbank is van oordeel dat thans op korte termijn duidelijkheid dient te komen over het toekomstperspectief van [minderjarige]. De rechtbank zal het NIFP verzoeken met spoed een onderzoek te verrichten teneinde de rechtbank op korte termijn van advies te dienen, zodat duidelijk wordt of de ouders in staat zijn [minderjarige] op te voeden in de thuissituatie en welke hulp zij daar eventueel voor nodig hebben. Beide ouders zullen worden betrokken bij het onderzoek en zullen hieraan hun medewerking moeten verlenen. Het is daarvoor van belang dat zowel vader als moeder voor het onderzoek hun toestemming verlenen evenals voor het onderzoek van [minderjarige]. Tevens dienen zij hun toestemming te verlenen voor het ter beschikking stellen van het dossier aan de onderzoeker en de afgifte van het onderzoeksrapport aan de rechtbank en belanghebbenden.

De rechtbank heeft onderzoeksvragen geformuleerd en stelt vader, moeder en het LJ&R in de gelegenheid hierop te reageren en eventueel nadere onderzoeksvragen te formuleren en deze vóór 1 mei 2009 schriftelijk bij de griffie van de rechtbank in te dienen. Daarna zal de rechtbank definitieve onderzoeksvragen vaststellen en zal het NIFP worden verzocht een onderzoek in te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat in het kader van het onderzoek in ieder geval de volgende vragen dienen te worden beantwoord.

Met betrekking tot het kind

- Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van het kind worden beschreven en wat zijn eventuele aandachtspunten?

- Indien blijkt dat er sprake is van een verstoorde ontwikkeling op één of meer ontwikkelingsgebieden wat kan hiervan de oorzaak zijn?

- Is er sprake van een kinderpsychiatrische stoornis en/of een ontwikkelingsachterstand bij het kind en zo ja hoe is deze te beschrijven?

Met betrekking tot de ouders

- Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de ouders te beschrijven?

- Hoe kan het verstandelijke vermogen van de ouders beschreven worden?

- Is er sprake van een psychiatrische stoornis en/of een ontwikkelingsachterstand bij de ouders?

- Maakt deze psychiatrische stoornis een onderzoek door een psychiater noodzakelijk om de verdere vraagstelling te kunnen beantwoorden?

Algemeen

- Zijn er (contra)-indicaties voor opvoeding en verzorging in de thuissituatie, gelet op eventuele psychische en/of psychiatrische problematiek bij de ouder(s)?

- In hoeverre is terugplaatsing (op korte of lange termijn) in het belang van het kind?

- Is hulpverlening aangewezen voor kind en/of ouder(s) of verzorger(s) om terugplaatsing naar huis te verwezenlijken? Zo ja, welke?

- In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van het kind en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

De rechtbank zal, in afwachting van het onderzoek, de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor vijf maanden. Het belang van [minderjarige] is thans niet gediend bij een abrupte terugplaatsing bij vader en moeder, zonder dat duidelijk is of zij in staat zijn hem in de thuissituatie op te voeden en eventuele hulp daarvoor ontbreekt.

BESLISSING

verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 18 april 2009 voor de duur van vijf maanden, derhalve tot 18 september 2009;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing over de langer verzochte duur van de machtiging tot uithuisplaatsing aan in afwachting van het resultaat van het onderzoek van het NIFP, waarna de rechtbank dag en uur zal bepalen voor de voortzetting van de behandeling;

stelt belanghebbenden in de gelegenheid onderzoeksvragen te formuleren en deze vóór 1 mei 2009 schriftelijk bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

stelt belanghebbenden in de gelegenheid tot het verlenen van toestemming voor het doen van onderzoek, het ter beschikking stellen van het dossier, de afgifte van de rapportage aan de rechtbank en belanghebbenden en een en ander voor voornoemde datum schriftelijk bij de griffie van de rechtbank in te dienen.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter, L.C. Bosch en K.R. Bosker in tegenwoordigheid van mr. L.J. van der Heide, griffier en uitgesproken door mr. M.P. den Hollander ter openbare terechtzitting van 16 april 2009.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.