Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BI0982

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
18/630076-08 (promis)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2010:BM1732, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het langdurig handelen in strijd met de artikelen 2 onder A, B en C en 3 onder A en B van de Opiumwet. Verdachte verstrekte in zijn woning gratis drugs aan medeverdachten en had een luisterend oor voor hun problemen. Hij creëerde een sfeer van geborgenheid maar tevens van afhankelijkheid. Na verloop van tijd vroeg hij de medeverdachten vervolgens hand – en spandiensten te verrichten, zoals het verkopen en vervoeren van drugs. Hierdoor wentelde hij de aan de handel in drugs verbonden risico’s op mensen die hij eerst had ingepalmd en van zich afhankelijk gemaakt. Mede door dit uiterst verwerpelijke gedrag is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf geen recht doet aan de bewezen verklaarde feiten en legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630076-08 (promis)

datum uitspraak: 9 april 2009

op tegenspraak

raadsman: mr. J. Michels

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in [plaats van detentie].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

1 september 2008, 13 november 2008, 5 februari 2009, 9 maart 2009 en 30 maart 2009.

Tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 november 2008 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij

in of omstreeks de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008,

in de gemeente(n) [namen 8 gemeenten] en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd

hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA, amfetamine en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I;

EN/OF

hij

in of omstreeks de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008,

in de gemeente [naam gemeente],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA, amfetamine en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

in of omstreeks de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008

in de gemeente(n) [namen 4 gemeenten] en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd

hoeveelheden of een hoeveelheid 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde

4-hydroxyboterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

EN/OF

hij

in of omstreeks de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008

in de gemeente(n) [naam gemeente],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden of een hoeveelheid

4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (GHB) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

3.

hij

in of omstreeks de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008

in de gemeente [naam gemeente] en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te weten naar [Duitse plaatsnaam], althans

naar Duitland, heeft gebracht

hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde amfetamine, MDMA en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij baseert dit op het proces-verbaal van observeren d.d. 21 mei 2008, de dag waarop het laatste transport ten behoeve van verdachte werd onderschept en de analyse door het NFI van de inhoud van de tas die in de auto van [medeverdachte 1] werd aangetroffen. Uit de observaties en telefoontaps komt het beeld van een grote drugshandel duidelijk naar voren. De observatieteams hebben waargenomen dat vele mensen kortdurend de woning van verdachte bezoeken en met een tas komen ofwel met een tas vertrekken. Ook zijn diverse drugsgerelateerde gesprekken opgenomen.

Voorts heeft de officier van justitie als bewijsmiddelen genoemd de verklaringen van [namen 8 medeverdachten].

De officier van justitie heeft gewezen op de verklaringen van afnemers van verdachte, zoals

[namen 14 medeverdachten].

Ook zijn er door de Duitse autoriteiten verdachten gehoord die relevant zijn in het onderzoek Capitool. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de verklaringen van [namen 2 mede-verdachten].

Tenslotte heeft de officier van justitie als bewijsmiddelen genoemd de verklaringen van verdachte, afgelegd bij de politie op 29 mei, 30 mei en 17 juni 2008.

Met betrekking tot feit 3, het opzettelijk buiten het grondgebied brengen van amfetamine en/of MDMA en/of cocaïne naar Duitsland, heeft de officier van justitie de bewezenverklaring gebaseerd op de verklaringen van [naam medeverdachte], zoals zij die bij de politie heeft afgelegd, [naam medeverdachte] (gehoord bij de rechter-commissaris), [namen 4 mede-verdachten].

Met betrekking tot de ten laste gelegde periode heeft de officier van justitie aangevoerd dat als aanvangsdatum is gekozen voor 20 maart 2004, omdat uit de documentatiestaat van verdachte blijkt dat hij op 19 maart 2004 een transactie heeft betaald voor overtreding van artikel 2 lid 1 aanhef en onder B van de Opiumwet. Ook heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van [medeverdachte 6] dat verdachte omstreeks 2001 al bezig was met de drugs en de verklaring van [medeverdachte 7] dat hij verdachte al sinds 2003 kent. [medeverdachte 7] gebruikte toen speed en kocht die wel eens van verdachte. [medeverdachte 7] kwam al bij verdachte voor de komst van [medeverdachte 4], d.w.z. in 2005. Daarnaast heeft [naam medeverdachte] bij de politie verklaard dat verdachte al in 2003 handelde in verschillende drugs. Bij de rechter-commissaris heeft [naam medeverdachte] verklaard dat hij zag dat verdachte met drugs te maken had toen hij voor het eerst bij verdachte thuis kwam. Verdachte was toen al opgepakt voor drugs. Verdachte verklaart zelf dat hij in [plaatsnaam] een keer met XTC pillen is gepakt in 2004.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten 1 en 2, de handel in verdovende middelen, heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Met betrekking tot de ten laste gelegde periode heeft de raadsman betoogd dat geen exact startpunt kan worden aangewezen. Er is sprake van een transitieperiode. Verdachte gebruikte aanvankelijk louter zelf verdovende middelen om dit na enige tijd ook mee te gaan nemen voor vrienden en bekenden op feestjes. Vervolgens heeft de gedachte postgevat dat de bezochte feesten gefinancierd konden worden door iets mee te nemen voor derden.

Uit het dossier komen twee omslagpunten naar voren: de relatie die verdachte kreeg met [medeverdachte 4] in april 2005 en het feit dat verdachte in november 2007 zijn baan kwijt raakte. [medeverdachte 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard over een periode vanaf april 2005, waarbij het aanvankelijk ging om geringe gebruikershoeveelheden en er pas later sprake was van daadwerkelijk dealen. [naam medeverdachte] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij niet precies meer weet hoe lang verdachte in verdovende middelen handelde, maar dat het aanvankelijk ging om gebruikershoeveelheden. [medeverdachte 6] koppelt de dealperiode nadrukkelijk aan de relatie van verdachte met [medeverdachte 4].

De raadsman heeft gesteld dat de bewijsmiddelen voldoende steun bieden voor een dealperiode van ruim anderhalf jaar en niet voor een periode van ruim vier jaren, zoals ten laste gelegd. Dit zou ook niet stroken met de werkzaamheden die verdachte verrichtte. Ten tijde van de ten laste gelegde periode werkte verdachte aanvankelijk in de offshore en aansluitend fulltime als schilder. Hij draaide veelal weken van 80 tot 90 uren.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman gesteld dat het wettig bewijs voorhanden is in het dossier, maar dat de overtuiging ontbreekt om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Alleen de verklaring van [medeverdachte 5] duidt op de rechtstreekse betrokkenheid van verdachte bij het buiten het grondgebied brengen van verdovende middelen. Deze verklaring wordt weersproken door verdachte. Slechts de door [medeverdachte 5] genoemde getuige [medeverdachte 4] bevestigt de stellingen van [medeverdachte 5], maar [medeverdachte 4] kan niet als objectief en/of betrouwbaar worden beschouwd.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. Daarbij is ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

Feiten 1 en 2

De deels bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting van 9 maart 2009 afgelegd.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt relaasproces-verbaal d.d. 7 juni 2008, opgenomen op pagina 4 e.v. van persoonsdossier 1, welk dossier onderdeel is van het procesdossier Capitool met dossiernummer 08-005335.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 29 mei 2008, opgenomen op pagina 276 e.v. van voormeld persoonsdossier, voorzover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ik ben een keer met XTC pillen gepakt in [plaatsnaam] in 2004.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 26 mei 2008, opgenomen op pagina 65 e.v. van voormeld persoonsdossier.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 26 mei 2008, opgenomen op pagina 186 e.v. van voormeld persoonsdossier.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 5 juni 2008, opgenomen op pagina 252 e.v. van voormeld persoonsdossier.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 3 juni 2008, opgenomen op pagina 226 e.v. van voormeld persoonsdossier.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 13 juni 2008, opgenomen op pagina 265 e.v. van voormeld persoonsdossier, voorzover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Ik ken [voornaam verdachte] reeds 10 jaar. Hij kreeg op een gegeven moment een relatie met ene [meisjesnaam]. [voornaam verdachte] was toen al bezig in de drugs, dit was ongeveer 7 jaar geleden. Hij ging toen wel eens naar Zak toe en verkocht daar XTC.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 8] d.d. 14 juli 2008, opgenomen op pagina 83 e.v. van voormeld aanvullend persoonsdossier.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 9] d.d. 14 juli 2008, opgenomen op pagina 105 e.v. van voormeld aanvullend persoonsdossier.

Een in de wettelijke vorm (in vraag/antwoord stijl) opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] d.d. 16 juli 2008, opgenomen op pagina 120 e.v. van voormeld aanvullend persoonsdossier, voorzover inhoudende (zakelijk weergegeven):

V: Hoe lang is [voornaam verdachte] [verdachte] volgens jou al bezig met de handel in verdovende middelen?

A: Toen ik 5 jaar geleden bij hem kwam, had ik al mijn vermoedens dat hij dat deed. Je kon toen al van alles krijgen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 10] d.d. 17 juli 2008, opgenomen op pagina 156 e.v. van voormeld aanvullend persoonsdossier.

Een geschrift, te weten het rapport d.d. 12 augustus 2008 van het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 489 e.v. van het aanvullende algemeen dossier (map 2), welk dossier onderdeel uitmaakt van voormeld procesdossier Capitool.

Feit 3

Een in de wettelijke vorm (in vraag/antwoord stijl) opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 10 juni 2008, opgenomen op pagina 226 e.v. van persoonsdossier 1, welk dossier onderdeel is van het procesdossier Capitool met dossiernummer 08-005335, voorzover inhoudende (zakelijk weergegeven):

V: Kun jij nog een keer aangeven hoe vaak jij voor [voornaam verdachte] naar Duitsland bent geweest, bij wie en waar?

A: Alle transporten waren naar [medeverdachte 11] in [Duitse plaatsnaam]. Dat ging om hoeveelheden van gemiddeld 100 gram speed en 100 XTC pillen (UFO’s) per transport. Ik ben daar zeker 15 tot 20 keer geweest.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 5 juni 2008, opgenomen op pagina 252 e.v. van voormeld persoonsdossier, voorzover inhoudende (zakelijk weergegeven):

U vraagt mij waar ik nog vaker drugs naar toe heb gebracht in Duitsland. Dat was naar [voornaam medeverdachte 11] uit [Duitse plaatsnaam]. Dit was in opdracht van [verdachte]. In de zomer/nazomer 2007 ben ik naar [voornaam medeverdachte 11] gereden in de plaats [Duitse plaatsnaam]. Ik bracht toen een halve kilo speed naar [voornaam medeverdachte 11]. Ik kreeg van [voornaam medeverdachte 11] een envelop met daarin geld. Ik kreeg voor dit transport van [voornaam verdachte] 100 euro. Ik was in de blauwe Toyota van [voornaam verdachte] en [voornaam verdachte] had de auto al afgetankt toen ik deze mee kreeg. Toen ik terug kwam bij [voornaam verdachte], heb ik [voornaam verdachte] de envelop met geld van [voornaam medeverdachte 11] gegeven.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] d.d. 28 mei 2008, opgenomen op pagina 211 e.v. van voormeld persoonsdossier, voorzover inhoudende (zakelijk weergegeven):

[voornaam medeverdachte 11] was klant van [voornaam verdachte]. Hij ontving de drugs via [voornaam medeverdachte 5] van [voornaam verdachte] in Duitsland. [voornaam medeverdachte 5] zei altijd dat hij naar [voornaam medeverdachte 11] in [Duitse plaatsnaam] reed.

De verklaring van [medeverdachte 4], afgelegd bij de rechter-commissaris op 12 februari 2009, voorzover inhoudende (zakelijk weergegeven):

Het klopt dat [medeverdachte 5] voor de heer [verdachte] koerierde, zoals ik tegen de politie heb verklaard. De drugs die naar Duitsland werden gebracht, werden volgens mij gebracht naar ene [voornaam medeverdachte 11] die in [Duitse plaatsnaam] of daar in de buurt woonde. Het klopt wel dat [medeverdachte 5] voor [voornaam verdachte] drugs naar Duitsland bracht.

Volgens mij heeft [voornaam medeverdachte 3] een keer een rit naar Duitsland gemaakt.

De verklaring van [medeverdachte 6], afgelegd bij de rechter-commissaris op 3 maart 2009, voorzover inhoudende (zakelijk weergegeven):

U houdt mij voor dat ik tegenover de politie heb verklaard dat ik wist dat als er wat naar Duitsland moest dat [voornaam medeverdachte 5] dit deed, dat het hierbij ging over grote partijen drugs, dat [voornaam verdachte] mij dit heeft verteld, dat ik niet weet hoe vaak [voornaam medeverdachte 5] voor [voornaam verdachte] naar Duitsland heeft gereden en dat ik weet dat [voornaam verdachte] zelf niet in Duitsland mag rijden. U zegt dat hieruit kan worden afgeleid dat [voornaam medeverdachte 5] voor of in opdracht van [voornaam verdachte] naar Duitsland ging en dat ik hier zojuist tegenover u anders over heb verklaard. U zegt dat u mij daarom nu, in verband met de betrouwbaarheid van mijn verklaring als getuige zult beëdigen en dat dit betekent dat ik mij schuldig maak aan het strafbare feit meineed als ik verder aantoonbaar in strijd met de waarheid verklaar.

Opmerking rechter-commissaris: de getuige heeft vervolgens ten overstaan van de rechter-commissaris de belofte afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen verklaren.

U vraagt mij nogmaals hoe het zit, of [voornaam medeverdachte 5] voor [voornaam verdachte] naar Duitsland ging met drugs of niet. [voornaam medeverdachte 5] reed inderdaad voor [voornaam verdachte] naar Duitsland. Wat ik hierover bij de politie heb verklaard, hetgeen u mij zojuist heeft voorgehouden, klopt dus wel.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft op 29 mei 2008 bij de politie verklaard dat hij in 2004 in [plaatsnaam] is gepakt met XTC pillen. Uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte blijkt dat hij op 19 maart 2004 een transactie heeft betaald voor overtreding van artikel 2 lid 1 aanhef en onder B van de Opiumwet. De rechtbank acht daarmee de periode voorafgaand aan 19 maart 2004 afgesloten. Gelet op de verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7], bezien in onderling verband en samenhang met de overige genoemde bewijsmiddelen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 3 acht de rechtbank, gelet op bovenvermelde bewijsmiddelen niet alleen wettig maar ook overtuigend bewezen dat verdachte – tezamen en in vereniging met anderen – speed en XTC heeft vervoerd naar Duitsland.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008, in de gemeenten [namen 8 gemeenten] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen en/of alleen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA, amfetamine en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

EN

hij in de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008, in de gemeente [naam gemeente], tezamen en in vereniging met anderen en/of alleen, meermalen, opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA, amfetamine en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008 in de gemeenten [namen 4 gemeenten] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen en/of alleen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd hoeveelheden 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

EN

hij in de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008 in de gemeente [naam gemeente], tezamen en in vereniging met anderen en/of alleen, meermalen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde

4-hydroxyboterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode van 20 maart 2004 tot en met 21 mei 2008 in de gemeente [naam gemeente] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, te weten naar [Duitse plaatsnaam], heeft gebracht hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1.medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2.medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

3.medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren – met aftrek van voorarrest – waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de volgende onder verdachte in beslag genomen voorwerpen dienen te worden verbeurd verklaard : een geldbedrag van € 160,=, weegapparatuur, 7 flesjes met poeder, twee harde schijven.

De onder verdachte in beslag genomen horloges en muntenverzameling kunnen worden terug- gegeven aan verdachte.

De officier van justitie heeft daarbij het volgende aangevoerd.

Er vond een grootschalige handel plaats vanuit de woning van verdachte. De omvang ervan wordt duidelijk uit de vele verklaringen die zijn afgelegd. Duidelijk is ook dat deze handel jarenlang heeft plaatsgevonden en dat eerdere aanhoudingen in Nederland en Duitsland verdachte er niet toe hebben gebracht om de handel te staken. Verdachte wordt door vele medeverdachten gezien als een heel aardige man, voor wie zij daarom ook veel wilden doen. Charisma is verdachte niet vreemd. Daarmee heeft hij vele medeverdachten ertoe gebracht zich eveneens schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. Verdachte heeft ook een zeer berekende kant. Hij liet anderen de speed halen uit [naam gemeente] of vervoeren naar Duitsland. Ze kregen daarvoor betaald in natura. Zo liep verdachte zelf de aanzienlijke risico’s niet die gepaard gaan met het koerieren van drugs. Anderen bewaarden drugs voor hem of een wapen. Weer anderen laat hij de financiën beheren. Hij gebruikt liever anderen voor zijn handel dan dat hij zelf in de problemen komt. De officier van justitie acht het kwalijk dat hij zelfs in aanwezigheid van zijn kinderen zich nog met de handel in verdovende middelen bezighoudt, waarbij de officier van justitie heeft gewezen op de verklaring van [medeverdachte 10]. Uit de verklaring van [medeverdachte 4] komt naar voren dat verdachte ook een harde, zakelijke kant heeft. Het eigenbelang van verdachte staat steeds voorop.

De handel van verdachte was niet alleen grootschalig, maar ook professioneel van aard, zoals blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10]. Verdachte bediende zich van professionele marketingtechnieken om zijn klanten aan zich te binden, waarbij allerlei mensen hem ondersteunden en met hem samenwerkten.

Drugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid. In de strafeis moet gewicht worden toegekend aan de duur van de handel en aan het feit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schending van de soevereiniteit van de staat Duitsland.

In het reclasseringsrapport wordt nauwelijks aandacht besteed aan de verslavingsproblematiek van verdachte en verdachte formuleert geen hulpvraag. Uit het rapport en uit het onderzoek ter terechtzitting komt wel naar voren dat verdachte zich nadrukkelijk als slachtoffer presenteert. Daarbij ziet hij zichzelf als barmhartige Samaritaan. Verdachte heeft mogelijk een vertekend beeld van de realiteit.

Verdachte wil een nieuwe start maken, maar hoe een en ander gestalte moet krijgen is niet concreet aangegeven. Een reclasseringstoezicht is kennelijk niet geïndiceerd. Bedacht moet worden dat verdachte sinds zijn vertrek bij zijn laatste werkgever geen legale inkomsten meer had en volledig leefde van de opbrengsten van de drugshandel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een lagere straf dan gevorderd door de officier van justitie, nu verdachte dient te worden vrijgesproken ter zake feit 3. Daarbij komt dat een kortere periode bewezen kan worden verklaard dan is ten laste gelegd. De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte slechts een beperkt bedrag over heeft gehouden van zijn verboden gedragingen. Op de woning van verdachte ligt conservatoir beslag en er is inmiddels twee keer ingebroken. Door de weinig voortvarende handelswijze van het openbaar ministerie met betrekking tot het beslag is verdachte met vele onnodige kosten geconfronteerd. In de straftoemeting speelt ook een rol dat de kans op herhaling gering is, gezien de respectabele leeftijd van verdachte en gelet op het adviesrapport van Verslavingszorg Noord Nederland. Bovendien is verdachte feitelijk first offender.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende lange tijd, te weten een periode van vier jaren, schuldig gemaakt aan de handel in drugs, waarbij hij ook heeft vervoerd naar Duitsland. Het ging daarbij om niet onaanzienlijke hoeveelheden.

De rechtbank overweegt dat de handel in verdovende middelen bij wet strafbaar is gesteld om de volksgezondheid te beschermen. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs ernstige schade berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproble-matiek. Bovendien gaan drugshandel en het gebruik van drugs vaak gepaard met andere vormen van (gewelds- en vermogens-) criminaliteit.

Vooral het feit dat verdachte speed en XTC heeft geëxporteerd naar Duitsland, rekent de rechtbank hem zwaar aan. Hij heeft daardoor het internationale verkeer van verdovende middelen bevorderd en de volksgezondheid in Duitsland in gevaar gebracht, alsmede op de Duitse rechtsorde inbreuk gemaakt.

De rechtbank heeft gelet op de duur en de omvang van de drugshandel van verdachte.

De rechtbank neemt het verdachte daarnaast niet alleen hoogst kwalijk dat hij anderen heeft betrokken bij zijn handel in drugs, maar vooral ook de wijze waarop hij dat gedaan heeft. Zo was hij voor meerdere medeverdachten het luisterend oor voor hun problemen. Sommigen van hen nam hij zelfs in huis. Hij voorzag hen daarbij van gratis drugs. Aldus creëerde hij voor hen een sfeer van geborgenheid en vriendschap, maar tevens van afhankelijkheid, waarbinnen en waardoor zij zich moreel verplicht gingen voelen om – al dan niet op zijn verzoeken daartoe – hand en spandiensten voor hem te gaan verrichten zoals het samenstellen van drugspakketjes, het verkopen van drugs aan de deur, het halen en wegbrengen van drugs bij en naar derden en het bewaren van een drugsvoorraad in hun eigen woning.

Al doende wentelde hij meerdere aan de handel in drugs verbonden risico’s af op mensen, die hij eerst had ingepalmd en van hem afhankelijk had gemaakt.

Een dergelijke wijze van handelen kan de rechtbank niet anders dan als “uiterst verwerpelijk” kenschetsen.

De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat verdachte niet eerder wegens een opiumdelict is veroordeeld, maar wel op 14 maart 2006 een transactie heeft voldaan terzake het aanwezig hebben van synthetische drugs op 13 maart 2005.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie gevorderd geen recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 160,=, weegapparatuur, 7 flesjes met poeder en twee harde schijven moeten worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat genoemde voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten zijn verkregen, dan wel het voorwerpen betreft met betrekking tot welke de bewezen verklaarde feiten zijn begaan of die kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen muntenverzameling en de sieraden als vermeld op de beslaglijst onder nummer 7, 9 en 10 moeten worden teruggegeven aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- weegapparatuur, Interkama (weger/tester);

- 7 flesjes met poeder;

- 1 Medion schijf (externe harde schijf);

- 1 Medion schijf (harde schijf);

- een geldbedrag van € 160,=.

Gelast de teruggave van:

- een muntenverzameling;

- de sieraden als vermeld op de beslaglijst onder nummer 7, 9 en 10,

aan verdachte.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.L. Stuiver, voorzitter, P.H.M. Smeets en S. Tempel, in tegenwoordigheid van A.W. ten Have-Imminga als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2009.