Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BI0854

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/971
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK7470, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Planschade door vrijstellingsbesluit bedrijventerrein. Nog geen bouwvergunning verleend. Verweerder heeft planschade verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Jurisprudentie sluit uit dat een vrijstellingsbesluit zelfstandig appelabel is. Ten aanzien van infrastructurele werken op het perceel is de aanleg echter niet afhankelijk van te verlenen bouwvergunning. Verweerder kan dan ook vaststellen of eiser schade lijdt. Dat geldt ook voor de delen van het plan waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend, maar waarvan kan worden aangenomen dat eiser nu al een zekere schade lijdt. Verweerder had het verzoek om planschade ook in zoverre in behandeling moeten nemen, teneinde te onderzoeken of aanleiding bestaat om een voorschot te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 08/971

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te Opende,

eiser,

gemachtigde: mr. E. Wiarda, werkzaam bij ‘Langhout & Wiarda juristen en rentmeesters’ te Oranjewoud

en

het college van burgemeester en wethouders van Grootegast,

verweerder,

gemachtigde: A.I. Fennema en mr. G.H. Poort-van Drempt.

1. Onderwerp van het geschil

Bij brief van 22 september 2008 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 25 februari 2009. Eiser heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Oude Kotte, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

3. Rechtsoverwegingen

3.1. Feiten

Eiser heeft op 5 oktober 2006 bij verweerder - voor zover hier van belang - een verzoek om planschade ingediend ter vergoeding van de schade ten gevolge van het vrijstellingsbesluit van verweerder van 18 juli 2006. Door dit besluit is uitbreiding van het bedrijventerrein ‘De Scheiding’ op het perceel De Scheiding 1 in Opende, kadastraal bekend gemeente Grootegast, sectie F, nr. 3675 (hierna: het perceel), mogelijk gemaakt. Dit bedrijventerrein is gelegen in de directe nabijheid van eisers woning.

Bij de beoordeling van het door eiser ingediende verzoek heeft verweerder zich laten adviseren door een onafhankelijk adviseur, de ‘Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken’ (hierna: SAOZ), die op 14 april 2008 een rapport heeft uitgebracht. Bij besluit van 6 mei 2008 heeft verweerder het verzoek, conform het advies van SAOZ, niet-ontvankelijk verklaard. Bij zijn thans bestreden besluit heeft verweerder - in afwijking van het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van verweerders gemeente - het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 mei 2008 ongegrond verklaard.

3.2 Standpunten van partijen

Verweerder heeft - voor zover hier van belang en samengevat - het verzoek van eiser om planschade niet-ontvankelijk verklaard, omdat het vrijstellingsbesluit van 18 juli 2006 nog niet onherroepelijk is geworden, nu er geen aanvragen om verlening van bouwvergunning zijn ingediend. Verweerder heeft in dit verband gewezen op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) over besluiten waarbij planologische vrijstelling is vereist om bouwvergunning voor een project te kunnen verlenen. Naar het oordeel van de AbRS is een vrijstellingsbesluit niet zelfstandig appelabel, zolang geen bouwvergunning is verleend. Volgens verweerder kan - analoog geredeneerd - dan ook pas worden beslist op het verzoek om planschadevergoeding op het moment dat het vrijstellingsbesluit samen met verleende bouwvergunningen onherroepelijk is geworden.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de jurisprudentie van de AbRS over de samenhang tussen vrijstelling en bouwvergunning analoog heeft toegepast op de werking van een vrijstellingsbesluit op planschade als bedoeld in artikel 49 van de WRO. Ook al is het vrijstellingbesluit in dit geval niet zelfstandig appelabel, neemt dit niet weg dat sprake is van een nieuw planologisch regime waarbij de schade rechtstreeks voortvloeit uit het vrijstellingsbesluit. Eiser heeft bovendien betoogd dat voor de onderdelen van het vrijstellingsbesluit waarvoor geen bouwvergunning nodig is al planschade kan worden vastgesteld. Verweerder had het verzoek volgens eiser dan ook inhoudelijk moeten beoordelen.

3.3 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de WRO kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19 van de WRO, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

3.4 Beoordeling

Verweerder heeft op 18 juli 2006 een vrijstellingsbesluit genomen voor de uitbreiding van het bedrijventerrein ‘De Scheiding’, op een perceel dat volgens het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Grootegast 1e fase’ is bestemd voor ‘Agrarische bedrijfsbebouwing’. Door de vrijstelling kunnen op het perceel niet-agrarische bedrijven worden gevestigd.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of mogelijke planschade van eiser kan worden bepaald aan de hand van het enkele vrijstellingsbesluit of dat dit pas mogelijk is, nadat bouwvergunning is verleend voor de bouw van niet-agrarische bedrijven op het perceel.

Partijen hebben in dit verband gewezen op de uitspaak van de AbRS van 7 april 2004, nr. 200305788/1, waarin is geoordeeld dat voor zover vrijstelling is vereist teneinde bouwvergunning voor een project te kunnen verlenen, pas tegen de beslissing op het vrijstellingsverzoek kan worden opgekomen in het kader van een beslissing op een voor dat project ingediende bouwaanvraag. Tevens hebben partijen gewezen op de uitspraak van de AbRS van 25 maart 2005, nr. 200501574/2, waarin is geoordeeld dat vrijstellingsbesluiten wél op zichzelf dienen te worden bezien indien de werkzaamheden waarop de vrijstelling betrekking heeft plaatsvinden ter voorbereiding van de toekomstige aanleg van een woonwijk, de aanleg van een randweg, de aanleg van een bouwweg of het bouwrijp maken van een woningbouwlocatie. Het betreft projecten waarvoor geen bouwvergunning hoeft te worden verleend.

Onmiskenbaar is de vrijstelling in planologisch opzicht van invloed op de omgeving van de woning van eiser. Daarbij geldt met betrekking tot de infrastructurele werken op het perceel, dat de aanleg daarvan niet afhankelijk is van te verlenen bouwvergunning. Het vrijstellingsbesluit van 18 juli 2006 is op deze werken dan ook onherroepelijk en ten aanzien van deze onderdelen kan mogelijke planschade worden vastgesteld. Verweerder had het verzoek van eiser in zoverre dan ook in behandeling moeten nemen.

Ten aanzien van de onderdelen van het vrijstellingsbesluit die zien op toekomstige bedrijfsbebouwing op het perceel, moet verweerder worden toegegeven dat de jurisprudentie van de AbRS uitsluit dat een vrijstellingsbesluit zelfstandig appelabel is. Bovendien valt mogelijke planschade moeilijk exact te bepalen als nog geen bouwplan bekend is. Anderzijds ziet deze jurisprudentie niet op verzoeken om planschade als gevolg van een vrijstellingsbesluit. In dit geval kan verweerder vaststellen dat eiser een zekere schade lijdt. Zo kan de wetenschap dat op het perceel niet-agrarische bedrijven kunnen worden gevestigd een waardedrukkend effect op de woning van eiser hebben, wat voor hem onder meer van belang kan zijn bij een eventuele verkoop van zijn woning. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van mogelijke planschade, vooruitlopend op een definitieve planschadevergoeding, bij wijze van voorschot een vergoeding kan verlenen, analoog aan de afhandeling van kwesties die zien op civiele (letsel)schade. Verweerder had het verzoek van eiser ook in zoverre in behandeling moeten nemen, teneinde te onderzoeken of aanleiding bestaat om een voorschot te verlenen.

Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond verklaard te worden met vernietiging van het bestreden besluit, voor zover althans in geschil, en met bepaling dat verweerder in zoverre opnieuw op het bezwaar dient te beslissen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht ad € 145,- door verweerder aan eiser wordt vergoed.

De rechtbank acht verdere termen aanwezig verweerder op voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken en wijst de gemeente Grootegast aan als de rechtspersoon die de kosten aan eiser moet betalen. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 644,-.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 22 september 2008, voor zover althans in geschil;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser dient te beslissen;

- bepaalt dat de gemeente Grootegast eiser het betaalde griffierecht ad € 145,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-;

- bepaalt dat de gemeente Grootegast deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en op 8 april 2009 in het openbaar door haar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Pot als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.