Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BH7793

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-02-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
AWB 09/117 en 09/118
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ontheffing ex artikel 3:22, eerste lid, van de Wro ten behoeve van de vestiging van een kinderdagverblijf in tijdelijke units. B&W kunnen slechts met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. In dit geval is geen sprake is van een voorziening in een tijdelijke behoefte. Niet aannemelijk gemaakt dat over vijf jaar geen behoefte meer zal bestaan aan kinderopvang in deze nieuwe wijk. Voor verweerder bestond dan ook geen ruimte om een tijdelijke ontheffing te verlenen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.22
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2009/102 met annotatie van E.T. de Jong
JOM 2009/389
OGR-Updates.nl 100181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Zaaknummers: AWB 09/117 en 09/118

Uitspraakdatum: 11 februari 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[naam], wonende te Groningen,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

verweerder,

gemachtigden: R.H. Leeuw, J. Oeben en H.R. Tiggelaar.

1. Aanduiding van het besluit waarop het beroep en de voorlopige voorziening betrekking hebben

Bij brief van 22 januari 2009 heeft verweerder verzoekers mededeling gedaan van zijn besluit om aan Kinderdagverblijf Kits bv (hierna: Kits bv) reguliere bouwvergunning met tijdelijke ontheffing tot 23 januari 2014 als bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) te verlenen ten behoeve van de bouw van een kinderdagverblijf, plaatselijk bekend Hoogeweg, kadastraal sectie A, nr. 3091, in de wijk Reitdiep te Groningen.

Bij brief van 2 februari 2009 hebben verzoekers bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 23 januari 2009. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 09/117. Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 09/118.

2. Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2009. Namens verzoekers is aldaar in persoon verschenen [naam], bijgestaan door [naam], woonachtig in dezelfde straat als verzoekers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens Kits b.v. is verschenen [naam], bijgestaan door mr. R.F.M. Lamers, advocaat te Groningen.

3. Gronden van de beslissing

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter indien hij

van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beoordeling van de zaak geen nader onderzoek meer vergt, terwijl ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zich tegen de toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb zouden verzetten.

Er is derhalve aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en daartoe wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 3:22, eerste lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. De termijn kan ten hoogste vijf jaar belopen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de ontheffing aan Kits b.v. van tijdelijke aard is. Vanuit de wijk is er momenteel grote vraag naar een kinderdagverblijf. Vooruitlopend op een eventuele toekomstige definitieve voorziening, wordt het perceel gebruikt om te voorzien in deze tijdelijke oplossing. De tijdelijkheid van de ontheffing is volgens verweerder dan ook niet gelegen in de tijdelijke behoefte aan kinderopvang, maar in de tijdelijke behoefte aan het plaatsen van zogenaamde “units”, in afwachting van het al dan niet oprichten van een nieuw schoolgebouw annex kinderdagverblijf. In aanvulling daarop heeft verweerder ter zitting uiteengezet dat de gemeente er bij de planning van de wijk Reitdiep aanvankelijk vanuit ging dat deze wijk voornamelijk zou worden bewoond door hoogopgeleiden zonder kinderen. Inmiddels is gebleken dat in de wijk veel meer kinderen zijn geboren dan verwacht. Er is dan ook een behoefte ontstaan aan kinderopvangmogelijkheden in de wijk. Verweerder heeft echter de verwachting dat het gaat om een tijdelijke “geboortegolf” en heeft betoogd dat daarom sprake is van een tijdelijke behoefte aan deze omvang van kinderopvang.

De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn redenering. Daartoe verwijst de voorzieningenrechter allereerst naar de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 28.916, nr. 3, paragraaf 3.3.3), waarin ten aanzien van - het latere - artikel 3:22 van de Wro wordt overwogen: “In dit artikel wordt de tijdelijke ontheffing van het bestemmingsplan geregeld. De ontheffing van het geldende plan wordt toegestaan voor een bepaald tijdvak, dat maximaal vijf jaar kan bedragen. Deze voortzetting van het oude artikel 17 van de WRO is nog iets stringenter geclausuleerd door de woorden ‘met het oog op een tijdelijke behoefte’ nu ook in de wet zelf op te nemen. Als er geen sprake is van een voorziening in een tijdelijke behoefte is er geen ruimte toepassing te geven aan dit artikel.”

Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat - anders dan bij de verlening van een tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de tot 1 juli 2008 geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening - in de motivering van het besluit tot tijdelijke ontheffing dient te worden aangetoond dat na het verstrijken van de te stellen termijn geen behoefte meer bestaat aan de voorziening die niet in het bestemmingsplan past.

Op de geplande locatie is het bestemmingsplan “Reitdiep/ Reitdiephaven” van toepassing. De bestemming aldaar is: “UW/Wonen – uit te werken”. Niet in geschil is dat een kinderdagverblijf niet past binnen deze bestemming.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat in de wijk Reitdiep over vijf jaar geen behoefte meer bestaat aan de voorziening kinderopvang. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de wijk juist een grote vraag zal blijven bestaan naar kinderopvang en dat de gemeente plannen heeft - weliswaar in een nog rudimentair stadium - om op het perceel waar nu tijdelijk units zouden moeten worden geplaatst, op termijn een school en een kinderdagverblijf op te richten. Deze ontwikkeling duidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter eerder op een permanente- dan op een tijdelijke behoefte aan kinderopvang. Voor zover verweerder ter zitting heeft betoogd dat sprake zou zijn van een tijdelijke “geboortegolf” acht de voorzieningenrechter deze stelling tegenstrijdig aan hetgeen verweerder in de stukken naar voren heeft gebracht en onaannemelijk gelet op de uitbreidingsplannen in de wijk Reitdiep. Bovendien is deze stelling niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld demografische gegevens.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een voorziening in een tijdelijke behoefte. Voor verweerder bestond dan ook geen ruimte om een tijdelijke ontheffing te verlenen. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoekers betaalde griffierecht ten bedrage van tweemaal

€ 145,= door de gemeente Groningen aan hen wordt vergoed.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter heeft ter zitting als volgt mondeling uitspraak gedaan:

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de gemeente Groningen verzoekers het betaalde griffierecht ten bedrage van € 290,= vergoedt.

De voorzieningenrechter wijst er op dat belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal, met uitzondering van de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening, daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

De zitting wordt gesloten.

Waarvan proces-verbaal.

w.g. mr. E.H. Pot, griffier

w.g. mr. A. Houtman, voorzieningenrechter