Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BH4852

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
18/670473-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen ontucht tussen sociotherapeut en patiënt, omdat intentie en instemming bij beiden aanwezig waren, er sprake was van volledige vrijwilligheid van beide zijden en niet blijkt van enige druk of dwang voortvloeiend uit een hiërarchische verhouding.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 249
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 116
NBSTRAF 2009/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670473-08 (PROMIS)

datum uitspraak: 5 maart 2009

op tegenspraak

raadsman: mr. T. van der Goot

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende aan [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2006 tot en met 23

maart 2006, in de gemeente Groningen, terwijl zij toen (telkens) werkzaam was

in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg (als sociotherapeut bij de

Van Mesdagkliniek), (telkens) ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich (telkens) als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp

en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft zij, verdachte, meermalen, althans

eenmaal, (telkens)

- geslachtsgemeenschap met die [slachtoffer] gehad, en/of

- die [slachtoffer] gepijpt, en/of

- zich door die [slachtoffer] laten beffen, en/of

- met die [slachtoffer] getongzoend;

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Standpunt raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van berichten uit de media, de schriftelijke bescheiden van aangever [slachtoffer] met betrekking tot zijn vordering benadeelde partij, alsmede uit de woorden van de officier van justitie ter terechtzitting kan worden afgeleid dat zich meerdere "seksuele relaties" hebben afgespeeld binnen de Van Mesdagkliniek tussen patiënten en personeel, maar dat zijn cliënte de enige is die door het Openbaar Ministerie wordt vervolgd.

Ondanks de wetenschap van het Openbaar Ministerie van deze andere seksrelaties doet het Openbaar Ministerie hier geen nader onderzoek naar. Het Openbaar Ministerie heeft in casu dus willekeurig een vervolging ingesteld en middels zijn cliënte een voorbeeld willen stellen, hetgeen strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat, ongeacht de informatie uit de brieven van de raadsman van de aangever [slachtoffer], het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie in het kader van het gelijkheidsbeginsel, uitgaat van gelijke gevallen mits bewijsbaar. Nu er geen aangiftes zijn van de door de raadsman geopperde overige "seksuele relaties", hoeft het Openbaar Ministerie hier geen rekening mee te houden. De opportuniteit van het Openbaar Ministerie reikt niet zover dat er eerst uitgezocht moet worden of er nog "andere gevallen" zijn, alvorens een vervolging in de onderhavige strafzaak had mogen worden ingesteld.

In dat kader wijst de officier van justitie ook op het onderhavige strafdossier en de moeizame informatievoorziening vanuit de Van Mesdagkliniek, die wordt beïnvloed door het beroepsgeheim. Gelet hierop is het ook niet reëel te verlangen dan wel te verwachten dat er aangiftes dienen te komen vanuit de kliniek omtrent deze overige gevallen. Dit in tegenstelling tot de onderhavige strafzaak waarin sprake is van een aangifte, een gave bekentenis en voldoende steunbewijs. Kortom, in deze zaak is er een vervolgingsplicht voor de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

De door de raadsman aangevoerde schijnbaar kennelijk aanwezige "seksuele relaties" binnen de Van Mesdagkliniek ontberen een aangifte.

Daarnaast is deze informatie over wat er nog meer zou afspelen binnen de Van Mesdagkliniek naar het oordeel van de rechtbank te vaag en te weinig concreet om van het Openbaar Ministerie te verlangen een onderzoek te entameren, alvorens met de vervolging van verdachte te mogen aanvangen.

In casu is sprake van een aangifte en een strafdossier. De rechtbank ziet hierin geen willekeur, de vervolging had daarom terecht mogen worden ingesteld en de vervolging door de officier van justitie van verdachte levert geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel.

Bewijsvraag

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontucht heeft gepleegd met aangever [slachtoffer]. Hiertoe heeft de officier van justitie het navolgende overwogen.

Gelet op de bijzondere setting binnen een psychiatrische behandelkliniek is per definitie sprake van afhankelijkheid tussen sociotherapeut en patiënt. Het betreft patiënten met persoonlijkheidsstoornissen, in het onderhavige geval met een zedenachtergrond. Er is sprake van een nauwe behandelrelatie, waarbij in dagrapportages de ontwikkelingen van de patiënten worden bijgehouden. Uit deze dagrapportages vloeit uiteindelijk ook het verlengingsadvies van de TBS voort.

Een liefdesrelatie aangaan binnen een setting als de onderhavige is te allen tijde uit den boze. Allereerst omdat daarmee het onderscheid tussen behandelrelatie en liefdesrelatie niet meer aanwezig kan zijn. Daarmee is de behandeling van aangever in het gedrang gekomen. Ten tweede omdat door het aangaan van een liefdesrelatie, zowel aangever als verdachte, zich chantabel hebben gemaakt. Hiermee is de veiligheid van verdachte en aangever in gevaar gekomen, maar daarnaast en zeker niet op de laatste plaats, ook de veiligheid binnen de kliniek en voor de overige personeelsleden. Dit maakt het aangaan van een liefdesrelatie per definitie strafbaar.

Verdachte heeft zelf initiatieven ondernomen door een behandelkamer te reserveren om met elkaar te kunnen afspreken. Daarnaast heeft verdachte, in strijd met de regels, verdachte cadeautjes gegeven en zelfs voorzien van een mobiele telefoon. Wat betreft dat laatste bevatte deze telefoon gevoelige informatie omtrent overige personeelsleden, waarmee wederom gevaar is geschapen voor de veiligheid van collega's van verdachte. Verdachte was op de hoogte van het geldende protocol binnen de kliniek en heeft daarnaast verzaakt hulp te zoeken en haar probleem bespreekbaar te maken, via de gangbare weg van de vertrouwenspersoon binnen de kliniek.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat er geen sprake is geweest van ontucht plegen in de zin van artikel 249 lid 2 sub 3 Wetboek van Strafrecht. Daartoe heeft hij het navolgende aangevoerd.

Uit de aangifte van [slachtoffer] valt af te leiden dat hij zich aangetrokken voelde tot cliënte. Cliënte heeft in eerste instantie, vanuit een oogpunt van professionaliteit geen gehoor gegeven aan deze gevoelens. Uiteindelijk is er een liefdesrelatie ontstaan, waarbij door aangever initiatief is genomen te zoenen. Naarmate de relatie en gevoelens over en weer groeiden is er uiteindelijk gemeenschap geweest. De intentie en instemming tot het hebben van gemeenschap waren aanwezig bij zowel aangever als cliënte en waren op basis van volledige vrijwilligheid aan beide zijden.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 1997, NJ 1997, 485 en de daarin aangehaalde Memorie van Toelichting, kan worden afgeleid dat het verbod in artikel 249 lid 2 sub 3 Wetboek van Strafrecht geen absoluut verbod op seksuele contacten tussen sociotherapeut en patiënt inhoudt. Als er sprake is van vrijwilligheid en wederzijdse verliefdheid kan niet worden gesproken van ontucht.

Uit niets is gebleken dat aangever door de in zekere zin aanwezige afhankelijkheidsrelatie is gedwongen of beïnvloed om seksuele contacten te hebben. De zakelijke relatie tussen cliënte en aangever dient los te worden gezien van hun seksuele relatie. Enige vorm van afhankelijkheid is niet van invloed geweest en derhalve pleit de raadsman voor vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, gelet op hetgeen door de officier van justitie en de raadsman ter terechtzitting is aangevoerd alsmede de bewijsmiddelen in het dossier, tot het volgende oordeel gekomen.

De rechtbank heeft gelet op de overweging van de Hoge Raad d.d. 18 februari 1997, NJ 1997, 485 onder rechtsoverweging 6.5: " Uitgangspunt moet zijn dat de strafbaarstelling in artikel 249, tweede lid onder 3º, gelet op de strekking daarvan, zoals die uit het hiervoor onder 6.4 overwogene blijkt, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie als in deze wetsbepaling bedoeld bestaat, en dat in zodanig geval slechts dan geen sprake is van "ontucht plegen", wanneer die relatie bij de sexuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest."

Uit de aangifte [slachtoffer] komt naar voren dat er sprake was van een liefdesrelatie waarbij zowel aangever als verdachte over en weer gevoelens voor elkaar koesterden. Het initiatief tot het hebben van nauwe contacten en in een verder stadium ook fysieke gemeenschap kwam van beiden. De aangever heeft verklaard dat hij deze contacten als prettig heeft ervaren en zich zelfs ontspannen voelde. Ook verdachte heeft verklaard over haar gevoelens jegens aangever en stelt dat er sprake was van verliefdheid. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de seksuele contacten.

Uit de verklaringen blijkt niet van enige druk of dwang voortvloeiende uit de hiërarchische verhouding sociotherapeut - patiënt, noch voorafgaand noch ten tijde van het hebben van de gemeenschap. Zowel aangever als verdachte hebben volledig vrijwillig ingestemd met het hebben van gemeenschap. Bij de beoordeling van de vraag of er in strafrechtelijk verwijtbare zin ontuchtige handelingen zijn verricht door verdachte jegens aangever, is de rechtbank dan ook van oordeel dat dit geenszins het geval is geweest.

Wat betreft het betoog van de officier van justitie dat de afhankelijkheidsrelatie alleen al zou worden bepaald door het feit dat de relatie zich heeft afgespeeld in een psychiatrische behandelkliniek en dat daarmee het ontuchtige karakter al kan worden aangenomen, kan de rechtbank de officier van justitie niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank werd de relatie en het hebben van de seksuele contacten namelijk niet bepaald door de setting waarin men verkeerde ten tijde van het hebben van deze relatie en de daaruit voortvloeiende seksuele contacten.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van ontucht plegen in de zin van artikel 249 lid 2 sub 3 Wetboek van Strafrecht en spreekt verdachte vrij van het haar ten laste gelegde.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd, [slachtoffer], verblijvende in de [tbs-kliniek]. De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de grond waarop deze berust en ter terechtzitting heeft de raadsman van de benadeelde partij de vordering nader toegelicht.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank dient, nu verdachte is vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde, de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], verblijvende in de [tbs-kliniek), in de vordering niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. J.M.M. van Woensel, voorzitter, K.R. Bosker en P.H.M. Tapper-Wessels, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Mulder, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2009.

De griffier was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.