Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BH1563

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
02-02-2009
Zaaknummer
106605/KG ZA 08-428
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Regeling

Art. 2 Vierde protocol bij het EVRM, art. 12 IVBPR, art. 6:162 BW

Essentie

Eiseres vordert een gebied en vestigingsverbod jegens haar vader die haar 10 jaar geleden ernstig heeft misbruikt. Bij een gebiedsverbod en een vestigingsverbod gaat het om een ernstige inbreuk op het (grond)recht van gedaagde om zich vrijelijk te bewegen en te wonen waar hij wil. Voor toewijzing moeten er feiten en omstandigheden zijn die overduidelijk een rechtvaardiging daarvoor bieden, waarbij toetsing plaatsvindt aan de hand van de beginselen van proportionaliteit (is er een redelijke verhouding tussen het een en het ander?) en subsidiariteit (kan er met een minder vergaande maatregel worden volstaan?).

Niet aannemelijk is dat er van gedaagde thans een reële dreiging uitgaat dat hij contact met eiseres zal zoeken. Aannemelijk is evenwel dat het voor de gemoedsrust van eiseres (en daarmee haar herstel) een goede zaak zou zijn als zij weet dat zij gedaagde hoe dan ook niet zal kunnen ontmoeten, ook niet toevallig. Het is een zwaarwegend belang van eiseres dat zij zich vrijelijk door de stad zal kunnen bewegen en haar sociale leven in die stad kan onderhouden. In belangrijke mate kan hieraan evenwel tegemoet worden gekomen door het gedaagde slechts toe te staan gedurende beperkte tijden in een beperkt gebied te zijn.

De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 106605 / KG ZA 08-428

Vonnis in kort geding van 23 januari 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaatsnaam],

eiseres,

advocaat mr. L.H. Poortman-de Boer,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaatsnaam], thans verblij[naam provincie]verblijfplaats],

gedaagde,

advocaat mr. R.G. Holtz.

1. Het procesverloop

1.1. Bij dagvaarding heeft eiseres voorlopige voorzieningen gevorderd als aan het slot van dat stuk vermeld. De zaak is behandeld ter zitting van 15 januari 2009, alwaar zijn verschenen eiseres en haar advocaat; namens gedaagde heeft diens advocaat het woord gevoerd.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Gelet op het over en weer aangevoerde, staat tussen partijen het volgende vast.

Eiseres is de dochter van gedaagde. Gedaagde en de moeder van eiseres zijn gescheiden.

Al vóór die scheiding heeft gedaagde zich schuldig gemaakt aan seksuele misdrijven jegens andere vrouwen; tijdens de aan hem in verband met de strafrechtelijke afdoening opgelegde proeftijd pleegde gedaagde het hierna genoemde seksuele misbruik van eiseres.

2.2. Eiseres is op dit moment 21 jaar. Tien jaar geleden heeft gedaagde gedurende een periode van ongeveer een jaar, op momenten dat zijn dochter in het kader van een omgangsregeling bij hem verbleef, eiseres gedwongen seksuele handelingen van meerdere aard te ondergaan. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft betrokkene wegens het “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd” in juni 2005 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden; in mei 2007 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep dat gedaagde had ingesteld verworpen. Thans is gedaagde gedetineerd in [naam provincie]; op 28 januari 2009 zal hij vrijkomen.

2.3. Toen eiseres 8 jaar oud was, waren er de eerste contacten met de geestelijke gezondheidszorg, vanwege gedragsproblemen. Toen eiseres 12 jaar oud was, waren er contacten met de geestelijke gezondheidszorg in verband met het (aanvankelijk nog slechts in beperkte mate) bekend worden van het seksueel misbruik door haar vader. Toen eiseres 15 jaar oud was, ontstond een intensiever contact met de hulpverlening; aan het licht trad dat eiseres zich al jaren rot voelde, dood wilde en automutileerde. In de jaren daarna was er onafgebroken en intensief contact met de geestelijke gezondheidszorg. Eiseres verbleef gedurende meerdere lange periodes in jeugdpsychiatrische ziekenhuizen, mede na suïcidepogingen en ernstige conflicten in het gezin van haar moeder. De diagnose ‘borderline persoonlijkheidsstoornis’ wordt thans gehanteerd om (naast andere stoornissen, zoals een aan autisme verwante contactstoornis) de problematiek van eiseres te omschrijven.

Eiseres woont op dit ogenblik zelfstandig in de stad [plaatsnaam]; zij wordt nog behandeld.

Zij heeft een Wajong-uitkering gebaseerd op volledige arbeidsongeschiktheid en studeert.

2.4. Gedaagde is hertrouwd. Met zijn echtgenote bewoont hij een (koop)woning in de stad [plaatsnaam]. Gedaagde heeft in Amsterdam werk gevonden; na de beëindiging van zijn detentie stelt hij zich voor door de week op een kamer in Amsterdam te verblijven, in het weekend bij zijn vrouw in [plaatsnaam]. Na verkoop van de woning zal het echtpaar uit [plaatsnaam] vertrekken.

2.5. De woningen van eiseres en gedaagde liggen op korte afstand van elkaar, te weten 1,4 kilometer.

2.6. Gedurende de afgelopen jaren heeft gedaagde geen contact met eiseres gezocht. Eiseres zelf heeft vóórdat gedaagde werd gedetineerd, enkele malen contact met hem gezocht, onder meer om in te gaan op de strafzaak en om geld te lenen.

In 2007 heeft eiseres gedaagde op zijn werk opgezocht met een mes, met de bedoeling hem te doden; die opzet is mislukt, eiseres is in voorlopige hechtenis genomen en was gedurende twee weken gedetineerd; de betreffende strafzaak is geseponeerd.

2.7. Bij zijn in juni 2005 gewezen arrest in de strafzaak, heeft het Gerechtshof de vordering van eiseres als ‘benadeelde partij’ geheel toegewezen door gedaagde te veroordelen om aan eiseres ten titel van voorschot voor geleden immateriële schade

EUR 7.500,-- te voldoen; gedaagde heeft dit bedrag in mei 2007 betaald. Bedoeld bedrag van EUR 7.500,-- werd jegens het Gerechtshof onderbouwd door een rapport van Slachtofferhulp Nederland, welk rapport mede verwees naar jurisprudentie en door het Schadefonds Geweldsmisdrijven gehanteerde schalen.

3. De vordering, het verweer en de beoordeling

3.1. De vordering van eiseres valt (afgezien van de gevorderde proceskostenveroordeling) in twee onderdelen uiteen: een eerste deel betreft de persoonlijke vrijheid van gedaagde, een tweede deel betreft schadevergoeding. Hierna stelt de voorzieningenrechter deze onderdelen afzonderlijk aan de orde.

Het gevorderde gebiedsverbod, althans verbod om in de eigen woning terug te keren.

3.2. Eiseres vordert (kort weergegeven) een verbod van gedaagde om zich gedurende onbepaalde tijd (althans een aantal jaren) op te houden binnen een straal van 10 kilometer rondom de woning van eiseres, subsidiair een verbod van gedaagde om terug te keren naar zijn woning in de stad [plaatsnaam], het een of het ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Eiseres ervaart het risico dat zij in haar directe leefomgeving met gedaagde zal worden geconfronteerd als zeer bedreigend. Eiseres stelt dat zij het recht heeft om gevrijwaard te blijven van de aanwezigheid van gedaagde in haar leefomgeving. Zij wil haar dagelijks leven ongestoord voortzetten ook nu gedaagde vrij komt; dat leven speelt zich voornamelijk af thuis en op school, alsmede bij haar moeder en oma (die op zeer korte afstand van gedaagde woont) en bij de voetbalclubs waarin eiseres actief is.

Eiseres heeft belang bij zoveel mogelijk rust in haar leven; een onverwachte en ongewenste confrontatie met gedaagde zal haar psychische klachten verergeren en de verwerking van het seksuele misbruik ernstig bemoeilijken. Het primair gevorderde verbod impliceert dat gedaagde niet in staat zal zijn terug te keren naar zijn woning; de subsidiaire vordering ziet daar rechtstreeks op. Het recht van eiseres op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer dient te prevaleren boven het recht van gedaagde zich vrijelijk te kunnen bewegen en in vrijheid zijn verblijfplaats te kiezen. Op dat recht van bewegingsvrijheid (zoals vastgelegd in art. 2 van het Vierde protocol bij het EVRM en art. 12 IVBPR), zijn beperkingen toegelaten ter bescherming van de rechten en vrijheden van een ander.

Voor zover het onrechtmatig handelen als zodanig al onvoldoende grond zou opleveren voor het opleggen van het gevraagde verbod, voert eiseres als subsidiaire gronden aan (1e) dat het hier gaat om schadevergoeding in natura zoals bedoeld in art. 6:103 BW: door weg te blijven uit de leefomgeving van eiseres kan gedaagde een veilig en rustig gevoel bieden aan eiseres en aldus een bijdrage leveren aan herstel van de door hem veroorzaakte schade, alsmede (2e) dat op gedaagde als schadeveroorzaker een schadebeperkingsplicht rust en van hem uit dien hoofde kan worden gevergd dat hij zich houdt aan het verbod.

Ontmoetingen met gedaagde dienen te worden vermeden. In het verleden is eiseres zelf een confrontatie met gedaagde aangegaan door met een mes naar hem toe te gaan, waarvoor zij in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Eiseres acht zich niet in staat zichzelf in de hand te houden, wat te maken heeft met de psychische problematiek waarvoor gedaagde direct verantwoordelijk is. Eiseres geeft aan dat haar vader geen recht van bestaan heeft, zij wil niet weten waar haar vader woont, om aldus ook tegen zichzelf te worden beschermd.

3.3. Gedaagde voert aan dat hij geenszins van plan is zijn dochter te benaderen.

Hij zal op termijn op ordentelijke wijze moeten kunnen verhuizen; tot dan dient hij gelegenheid hebben om in de weekenden in incidenteel op andere momenten naar zijn eigen huis te gaan en daar te verblijven, al was het maar omdat zijn echtgenote daar woont.

Ook moet hij zijn bejaarde ouders die eveneens in de stad [plaatsnaam] wonen kunnen bezoeken. Voor een zo vergaande, op grondrechten inbreuk makende voorziening als eiseres vordert, dienen rechtvaardigende omstandigheden te zijn. Die ontbreken. In dit geval zal gedaagde in feite niet meer in [plaatsnaam] wonen en is er van hem geen enkel initiatief te verwachten wat betreft contact tussen partijen; er is geen dreigend onrechtmatig handelen en derhalve geen deugdelijke grond om een gebod als gevorderd uit te spreken.

Gedaagde voert voorts aan dat het de omgekeerde wereld zou zijn indien de dreigementen die eiseres nu jegens gedaagde uit, grond voor toewijzing van de vordering zou vormen.

3.4. De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Gedaagde heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstige vorm van inbreuk op de lichamelijke integriteit van een ander, met des te grotere nadelige gevolgen voor het slachtoffer waar het misbruik door een vader jegens zijn jonge dochter werd gepleegd. Zijn ‘straf’ in de betekenis van ‘vergelding door opzettelijke leedtoevoeging’ heeft hij ondergaan; in dat opzicht heeft de voorzieningenrechter geen enkele taak.

Wél moet, in het licht van de vordering, worden bezien in hoeverre gedaagde onrechtmatig handelt door (te) dicht in de buurt van eisers te verkeren (dan wel of van gedaagde een schadevergoeding in natura kan worden gevergd door een beperking van zijn vrijheden).

Bij het gebiedsverbod en het vestigingsverbod gaat het om een ernstige inbreuk op het (grond)recht van gedaagde om zich vrijelijk te bewegen en te wonen waar hij wil.

Voor toewijzing moeten er feiten en omstandigheden zijn die overduidelijk een rechtvaardiging daarvoor bieden, waarbij toetsing plaatsvindt aan de hand van de beginselen van proportionaliteit (is er een redelijke verhouding tussen het een en het ander?) en subsidiariteit (kan er met een minder vergaande maatregel worden volstaan?).

De voorzieningenrechter overweegt dat niet aannemelijk is dat er van gedaagde thans een reële dreiging uitgaat dat hij contact met eiseres zal zoeken. Aannemelijk is evenwel dat het voor de gemoedsrust van eiseres (en daarmee haar herstel) een goede zaak zou zijn als zij weet dat zij gedaagde hoe dan ook niet zal kunnen ontmoeten, ook niet toevallig. Het is een zwaarwegend belang van eiseres dat zij zich vrijelijk door [plaatsnaam] zal kunnen bewegen en haar sociale leven in die stad kan onderhouden. In belangrijke mate kan hieraan evenwel tegemoet worden gekomen door het gedaagde slechts toe te staan gedurende beperkte tijden in een beperkt gebied te zijn; alsdan weet eiseres immers wanneer zij waar zelf niet moet komen.

Tegenover het belang van eiseres om gedaagde ver weg te weten, staat het belang van gedaagde om – zolang zijn woning niet verkocht is en zijn vrouw in [plaatsnaam] woont – na het uitzitten van zijn straf weer een enigszins normaal leven te leiden, in zijn eigen woning (en in het contact met zijn ouders).

De dringende wens van eiseres om niet te weten waar haar vader woont om te voorkomen dat zij hem wat aandoet, kan geen gewicht in de schaal werpen. Nog daargelaten dat eiseres niet kan stellen dat álles door haar vader komt (zie ook hierna, onder: Schadevergoeding) blijft eiseres hoe dan ook verantwoordelijk voor haar gedragingen. Net zo goed als zij van haar vader mocht verlangen dat deze haar niet misbruikte (op welk tekortschieten zij hem terecht aanspreekt, en in verband waarmee hij ook bestraft is), mag van eiseres nu worden verlangd dat zij haar grenzen kent en daar naar leeft.

Een beperkte toewijzing van het verbod acht de voorzieningenrechter in overeenstemming met genoemde beginselen en daarom toewijsbaar. Beslist zal worden dat gedaagde gedurende de komende twee jaren in de weekenden (vrijdag 18.00 uur tot maandag 09.00 uur) en op feestdagen zal mogen verblijven (a) in het hierna omlijnde beperkte deel van de woonwijk waarin zijn woning staat en (b) in de woning van zijn ouders, alsmede dat gedaagde binnen genoemde tijdsgrenzen langs de kortste weg per auto zal mogen gaan naar dit gebied en die woning.

Voor zover eiseres heeft willen aanvoeren dat de voorzieningenrechter tot méér zou mogen c.q. moeten beslissen als de vordering wordt bezien vanuit het perspectief van schadevergoeding in natura, gaat dat niet op: ook bij een dergelijke schadevergoeding moeten belangen worden afgewogen, hetgeen (mede) tot uitdrukking is gebracht in art. 6:103 BW door de woorden dat de rechter een schadevergoeding in andere vorm dan door betaling van een geldsom “kan” toekennen. Die belangenafweging is hiervoor neergelegd.

De voorzieningenrechter zal het uit te vaardigen verbod vergezeld doen gaan van een dwangsom als aan het slot van dit vonnis aangegeven.

Schadevergoeding

3.5. Eiseres vordert (kort weergegeven) tevens veroordeling van gedaagde om aan haar te voldoen EUR 21.500,-- bij wijze van voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 7.500,-- vanaf 27 september 1997 tot 8 mei 2007, alsmede de wettelijke rente over EUR 17.500,-- vanaf 25 september 1997 tot aan de dag der voldoening.

Omtrent de door gedaagde opgeworpen causaliteitsvraag (zie hierna), stelt eiseres niet alleen dat bij de hulpverlening het misbruik centraal heeft gestaan, maar ook dat bij ernstige misdrijven zoals hier aan de orde, de causale relatie (behoudens tegenbewijs) verondersteld mag worden. Eiseres onderbouwt haar vordering voorts als volgt.

Immateriële schade

Zij is zeer ernstig beschadigd als gevolg van het misbruik. Door het Gerechtshof is een voorschot op de immateriële schadevergoeding toegekend. Eiseres is voornemens de resterende schade in een civiele bodemprocedure op grond van art. 6:106 BW te vorderen. Gelet op de gegevenheden, met name de lange duur van de therapeutische behandelingen, mede gezien de uit de “Smartengeldgids” kenbare vergelijkbare rechterlijke uitspraken, acht eiseres het waarschijnlijk dat haar uiteindelijk een bedrag van EUR 25.000,-- ter vergoeding van immateriële schade zal worden toegewezen. Als aanvullend voorschot vordert eiseres nu betaling van een bedrag van EUR 17.500,--. Daarnaast vordert eiseres de wettelijke rente over het reeds toegewezen bedrag en over dit aanvullende voorschot vanaf

25 september 1997, de dag dat eiseres stelt dat het seksueel misbruik is aangevangen.

Materiele schade

Eiseres stelt dat zij schade lijdt door verlies aan arbeidsvermogen en verdiencapaciteit; ten gevolge van hetgeen gedaagde haar heeft aangedaan zal zij waarschijnlijk volledig arbeidsongeschikt blijven. Voor wat betreft de vraag welk inkomen zij zou hebben gehad als zij in staat zou zijn arbeid te verdienen, zoekt eiseres (die zelf geen arbeidsverleden heeft) aansluiting bij het (bovenmodale) inkomen van haar beide ouders.

De schade doordat zij geen bovenmodaal inkomen kan verdienen, komt voor vergoeding in aanmerking op grond van art. 6:96 lid 1 BW. Ter voorbereiding op de bodemprocedure dient een deskundige een actuariële berekening uit te voeren. Het ontbreekt eiseres aan middelen om een dergelijk deskundigenonderzoek te bekostigen. Op grond van art. 6:96

lid 2 (b) BW is gedaagde aansprakelijk voor deze kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid; eiseres vordert ter zake een voorschot van EUR 4.000,--.

3.6. Gedaagde weerspreekt ook dat deel van de vordering dat op schadevergoeding ziet. Gedaagde wijst in dat verband mede op de in rechte nog vast te stellen causaliteit: uit de stukken kan worden afgeleid dat de psychische gesteldheid van eiseres mede zijn oorzaak vindt in affectieve verwaarlozing door beide ouders en in hun echtscheiding.

Gedaagde voert voorts het volgende aan.

Immateriële schade

Er is reeds een voorschot voldaan; er is (nu geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn) geen reden waarom opnieuw een voorschot zou moeten worden toegekend.

Bovendien worden in de jurisprudentie voor veel ernstiger gevallen definitieve schadevergoedingen toegekend die lager uitvallen dan het hier reeds als voorschot vastgestelde bedrag.

Materiele schade

Eiseres zal moeten aantonen dat, mocht gedaagde zijn daden niet hebben gepleegd, zij een verdiencapaciteit hebben gehad zoals door haar aangegeven. Gedaagde betwijfelt dit ten zeerste. Gedaagde weerspreekt dat de kosten van een actuarieel onderzoek EUR 4.000,-- bedragen en dat eiseres dat niet kan betalen. Bovendien geldt dat als eiseres werkelijk van plan is een bodemprocedure te gaan voeren, zij de rechtbank een deskundige moet laten benoemen, desnoods bij wijze van voorlopig deskundigenonderzoek.

Als de voorzieningenrechter nu EUR 4.000,-- toekent, staat niet vast dat eiseres dit bedrag voor genoemd doel zal aanwenden.

3.7. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

Zowel bij een vergoeding van immateriële als die van materiële schade speelt de causaliteitsvraag een belangrijke rol: staat de schade in een zodanig verband met het misbruik, dat deze aan gedaagde als een gevolg van diens misdrijf kan worden toegerekend? De voorzieningenrechter overweegt dat, gezien het gevoerde verweer dat de psychische gesteldheid van eiseres mede zijn oorzaak vindt in affectieve verwaarlozing door beide ouders en in hun echtscheiding, die causaliteitsvraag in dit geval niet eenvoudig is te beantwoorden; hier doemen juridische problemen op die in het kader van een kort geding niet zijn op te lossen en niet – zoals eiseres stelt - terzijde kunnen worden gesteld onder verwijzing naar één (vaststaande) factor (hoe zwaarwegend deze ook is).

Immateriële schadevergoeding

Wat betreft het ‘smartengeld’ overweegt de voorzieningenrechter voorts dat uit de gepubliceerde rechtspraak blijkt dat de Nederlandse rechter terughoudend (om niet te zeggen: uiterst zuinig) is als het gaat om het toekennen van een immateriële schadevergoeding. De voorzieningenrechter heeft daar thans geen oordeel over, maar moet wel vaststellen dat in het licht van hetgeen gebruikelijk is, het allerminst evident is dat eiseres haar aanspraak op een hoger bedrag dan EUR 7.500,-- geldend zal kunnen maken; dit zo zijnde, kan in kort geding aan haar geen verder voorschot worden toegekend.

Materiele schadevergoeding

Er is, in het licht van het hiervoor overwogene inzake de causaliteit, onvoldoende grond om aannemelijk te achten dat het voor schadevergoeding vereiste verband aanwezig is, zodat het opstellen van een actuariële berekening zodanig voorbarig is dat er geen reden is om gedaagde op te dragen de kosten daarvan geheel voor te schieten.

3.8. Proceskosten

De vordering van eiseres wordt in belangrijke mate afgewezen en in beginsel leidt zulks ertoe dat zij in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Gelet evenwel op de invloed van de misdragingen van gedaagde, is er aanleiding om de proceskosten te compenseren tussen partijen in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1. verbiedt gedaagde zich te begeven en te verblijven in het gebied dat in een straal van 10 kilometer rond de woning van eiseres ligt, behoudens:

I.

het verblijf van vrijdag 18.00 uur tot de daaropvolgende maandag 09.00 uur en op

feestdagen:

(a) in het gebied dat zich bevindt tussen de straten [straatnaam] te [plaatsnaam], die wegen zelf daaronder begrepen,

(b) in de woning van zijn ouders aan de [adres] te [plaatsnaam],

II.

het binnen genoemde tijdsgrenzen langs de kortste weg vanaf de snelweg A7 of A28 per auto gaan naar en komen van dit gebied en die woning,

4.2. bepaalt dat gedaagde voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder 4.1. aan eiseres een dwangsom verbeurt van EUR 2.500,--, tot een maximum van

EUR 50.000,--,

4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere

partij de eigen kosten draagt,

4.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2009.?