Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2009:BH0281

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-01-2009
Datum publicatie
20-01-2009
Zaaknummer
18/670398-08 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte van veel (kleine) brandstichtingen door rechtbank veroordeeld voor één brand. Deskundigen geven geen oordeel over toerekeningsvatbaarheid. Rechtbank acht verdachte desondanks verminderd toerekeningsvatbaar. Deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf; proeftijd 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670398-08 (promis)

datum uitspraak: 19 januari 2009

op tegenspraak

raadsman: mr. U.R. Slangenberg

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren in 1961,

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 januari 2009.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij

op of omstreeks 25 september 2008

te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

opzettelijk brand heeft gesticht tegen of naast, althans in de nabijheid van,

de/een gebouw(en) van de openbare basisschool 't Heidemeer, immers heeft

verdachte toen aldaar opzettelijk een of meer folders, althans hoeveelheden of

een hoeveelheid papier, gedeponeerd en/of in brand gestoken, in elk geval

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer folders, althans

hoeveelheden of een hoeveelheid papier, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die folder(s)/dat papier geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

de/een gebouw(en) van die basisschool 't Heidemeer en/of de daarin aanwezige

goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij

op of omstreeks 25 september 2008

te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

opzettelijk en wederrechtelijk van de openbare basisschool 't Heidemeer een

muur en/of een hekwerk staande op de scheiding tussen de basisschool 't

Heidemeer en supermarkt De Boer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan de openbare basisschool 't Heidemeer, althans de gemeente

Hoogezand-Sappemeer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 28 juli 2008

te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

opzettelijk brand heeft gesticht tegen of naast, althans in de nabijheid van,

de/een gebouw(en) van de openbare basisschool 't Heidemeer, immers heeft

verdachte toen aldaar opzettelijk een of meer folders, althans hoeveelheden of

een hoeveelheid papier, gedeponeerd en/of in brand gestoken, in elk geval

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer folders, althans

hoeveelheden of een hoeveelheid papier, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die folder(s)/dat papier geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

de/een gebouw(en) van die basisschool 't Heidemeer en/of de daarin aanwezige

goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij

op of omstreeks 28 juli 2008

te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

opzettelijk en wederrechtelijk van de openbare basisschool 't Heidemeer een

kozijn, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de

openbare basisschool 't Heidemeer, althans de gemeente Hoogezand-Sappemeer, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat voor wat betreft feit 1 weliswaar sprake is van brandstichting maar dat er geen wettig en overtuigend bewijs is van (gemeen) gevaar voor goederen en dat hooguit het onder 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden.

Ten aanzien van hetgeen onder 2 is ten laste gelegd is geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte degene is geweest die het papier waarvan de asresten zijn gevonden, heeft aangestoken. Verder is ook hier van gemeen gevaar voor goederen geen sprake geweest.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte, de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] en de aangifte die door [aangever] is gedaan, is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. Uit de van de brand gemaakte foto's blijkt dat door het vuur het ter plaatse aanwezige hekwerk voor een deel enigszins is zwartgeblakerd. Dit laatste houdt in dat wel degelijk sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit is er sprake van een aangifte en het aantreffen van as en papierresten. Verdachte weet niet of hij op die bewuste dag brand heeft gesticht. Deze aangifte, gecombineerd met de te weinig specifieke modus operandi -het brandstichten door papier aan te steken is immers, naar het oordeel van de rechtbank, een tamelijk algemene wijze van het maken van vuur om brand te stichten- is onvoldoende voor wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Daarbij komt dat het tijdstip waarop deze brand is gesticht en de plaats daarvan en het dus al dan niet aanwezige (gemeen) gevaar voor goederen niet nader zijn onderzocht. Verder oordeelt de rechtbank dat de verklaring van verdachte dat "het zou kunnen" dat hij de brand stichtte onvoldoende is voor het aannemen van wettig en overtuigend bewijs.

De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder 2 tenlastegelegde vrijspreken.

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

De verklaring van verdachte ter terechtzitting, zakelijk weergegeven:

Op 25 september 2008 heb ik brandgesticht bij de basisschool 't Heidemeer in Hoogezand-Sappemeer. Ik heb folders in brand gestoken vlakbij een hek. Ik woonde toen nog aan de [adres verdachte].

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 september 2008, opgenomen in par. 10 van dossier nr. 08-007541 d.d. 3 oktober 2008, inhoudende de verklaring van aangever [aangever], zakelijk weergegeven:

Als conciërge van de OBS het Heidemeer doe ik aangifte van brandstichting.

Vanochtend, 26 september 2008 om 07.10 uur, kwam ik op school. Het bleek dat er de afgelopen nacht voor de zoveelste keer brand was gesticht in/bij onze school. In dit geval in een hoek bij het gymnastieklokaal.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 september 2008, opgenomen in par. 11 van dossier nr. 08-007541 d.d. 3 oktober 2008, inhoudende de verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Omstreeks 22.30 uur zagen wij dat een man voor de woning, aan de [straat] in Sappemeer, langs liep. Ik zag dat de man op de hoek bij het fietsenhok stond. Dit is een steeg tussen het fietsenhok en het gymlokaal.

Even later zag ik oranje lichtschijnsel tegen de muur van het gymlokaal.

Toen ik terug kwam zag ik dat het oranje schijnsel groter was. Ik zag dat de man terugliep in de richting van de achteringang van Super de Boer.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 september 2008, opgenomen in par. 12 van dossier nr. 08-007541 d.d. 3 oktober 2008, inhoudende de verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Ik zag een man in een blauwe jas met op de schouders de kleur geel.

Mijn broertje zei dat de man het schoolplein op liep.

Mijn broertje en [getuige 4] keken vanachter een muurtje wat de man aan het doen was. Toen zij daar weg liepen zag ik iets branden, tussen het fietsenhok en het gymlokaal, op het schoolplein.

We zijn de man gevolgd en we zagen dat hij de woning [straat] binnen ging. We hebben de woning in de gaten gehouden.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 september 2008, opgenomen in par. 13 van dossier nr. 08-007541 d.d. 3 oktober 2008, inhoudende de verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven:

Ik zag dat de man tussen het fietsenhok en de gymzaal stond, met de rug naar ons toe. Ik zag dat hij ergens mee bezig was. Hij bukte, ging weer staan, en bukte opnieuw. Ik zag toen dat er tranceachtige kleuren op de muren van de gymzaal verschenen. Ik begreep dat dat een vuurtje moest zijn.

Rick en ik bleven hem in de gaten houden. We zagen dat de vlammen groter werden. Toen zagen we ook echt vlammen die tot boven een meter hoogte reikten.

Rick en ik liepen direct achter hem aan. We volgden hem op een meter of vijf afstand. Uiteindelijk ging hij het huis [adres] binnen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 september 2008, opgenomen in par. 14 van dossier nr. 08-007541 d.d. 3 oktober 2008, inhoudende de verklaring van [getuige 4], zakelijk weergegeven:

Ik zag dat de man op zijn hurken zat. Ik zag toen vuur van ongeveer 70 cm hoog. Verder zag ik dat de man ging staan en even naar het vuur keek.

Uiteindelijk liep hij weg en ging de woning aan de [adres] binnen.

Een drietal foto's van de plaats waar de brand is gesticht, als bijlage 4 behorend bij het ambtelijk verslag d.d. 29 oktober 2008, opgenomen in par. 4 d.d. van dossier nr. 08-007541 d.d. 3 oktober 2008, weergevende de door de brandstichting aangerichte schade.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 25 september 2008 te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer, opzettelijk brand heeft gesticht tegen of naast een gebouw van de openbare basisschool 't Heidemeer, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk folders gedeponeerd en in brand gestoken, ten gevolge waarvan die folders zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

Opzettelijk brandstichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 27 december 2008, opgemaakt door S.U. Leeuwestein, psychiater en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 20 december 2008, opgemaakt door A. Warnaar, psycholoog.

De conclusies van deze rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid en een schizoïde persoonlijkheidsstoornis (psycholoog) dan wel aan een persoonlijkheidsstoornis NAO met schizoïde kenmerken en een gebrekkig ontwikkelde intelligentie

-zwakbegaafdheid- (psychiater).

De rechtbank overweegt met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte het volgende.

De voornoemde deskundigen hebben over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte geen oordeel kunnen geven. Op grond van de voormelde rapportages en de indruk die verdachte ter terechtzitting op de rechtbank heeft gemaakt is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een ontwijkende, zwakbegaafde, contactarme man die daardoor naar het oordeel van de rechtbank niet maximaal toerekeningsvatbaar is. Hoewel zij niet kan aangeven in welke mate, acht de rechtbank op grond van voormelde rapportages en de eigen waarneming ter terechtzitting verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, dat ook mag inhouden dat verdachte zich laat behandelen door de Ambulante Forensische Psychiatrie.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de raadsman, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een vrijheidsstraf bepleit gelijk aan het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte wist wel wat hij deed en ook dat dit een strafbaar feit is, maar heeft noch bij de politie, noch bij de deskundigen, noch ter terechtzitting aan kunnen geven waarom hij brandgesticht heeft.

De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte door de reclassering wordt begeleid, met name omdat verdachte heeft verklaard een groot aantal branden/brandjes te hebben gesticht en er geen blijk van heeft gegeven de ernst van deze feiten in te zien. Het baart de rechtbank bovendien zorgen dat verdachte heeft gezegd zonder enig motief brand te stichten. Tevens is de rechtbank met de deskundigen van oordeel dat gelet op de grote recidivekans, behandeling van de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland noodzakelijk is.

De rechtbank zal dan ook een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om daaraan vorenbedoelde bijzondere voorwaarde te koppelen. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen vrijheidsstraf zal de rechtbank zodanig vaststellen dat de Reclassering voldoende tijd heeft om voor verdachte een begeleidingsplan op te stellen alvorens verdachte weer terugkeert in de samenleving.

Gelet op de persoon van verdachte en de aard en ernst van het feit zal de rechtbank een proeftijd van 3 jaar bepalen.

Daarnaast neemt de rechtbank bij het opleggen van de vrijheidsstraf in aanmerking, dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ELF MAANDEN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot zes maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 3 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

De hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de veroordeelde zich zal laten behandelen bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland zolang de leiding van de instelling dat nodig oordeelt.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 23 februari 2009.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, P.H.M. Tapper-Wessels en J.M.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2009.