Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BG8067

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
18/994840-08; 18/994830-08 (ttz gev) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van de Regeling identificatie en registratie van dieren (in het bijzonder de oormerkverplichting). Hardnekkige recidive.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 105
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 18/994840-08 en 994830-08 (ttz.gev.) (Promis)

Datum uitspraak: 18 december 2008

Op tegenspraak

Raadsman: mr. W. Eelsing

VONNIS

van de economische politierechter in de rechtbank te Groningen, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 december 2008.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

1. (994840-08)

hij

in de gemeente [pleegplaats],

op of omstreeks 31 juli 2008,

althans in de periode van 16 juni 2008 tot en met 31 juli 2008,

opzettelijk

6, althans een of meer, runderen, heeft gehouden,

die toen (alle) ouder waren dan 3 werkdagen,

terwijl die runderen (telkens) niet overeenkomstig de Regeling identificatie

en registratie van dieren en/of titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000

waren/was geïdentificeerd en/of geregistreerd,

immers waren die runderen niet overeenkomstig het gestelde in artikel 15

eerste lid van genoemde regeling en/of artikel 4, eerste lid van genoemde

verordening, binnen 3 werkdagen vanaf de dag van de geboorte geïdentificeerd

met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor,

aangezien bij die runderen in het geheel geen oormerken waren aangebracht;

2. (994840-08)

hij

in de gemeente [pleegplaats],

op een of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 16 juni 2008 tot en met 31 juli 2008,

opzettelijk,

6, althans één of meer, dieren, te weten runderen,

heeft gehouden, verhandeld, vervoerd, aangevoerd en/of afgevoerd,

(zulks) terwijl die/dat rund(eren) (telkens) niet overeenkomstig

de Regeling identificatie en registratie van dieren waren/was

geïdentificeerd en/of geregistreerd,

immers heeft hij, verdachte, als houder van die/dat rund(eren)

in strijd met artikel 20, eerste lid van genoemde regeling,

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, niet (telkens)

gedurende de termijn van 3 werkdagen,

te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis waarvan kennisgeving

werd gedaan, althans had behoren te worden gedaan, had plaatsgevonden,

in kennis te stellen van de gegevens,

bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van verordening

(EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie

van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratie-

regeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvlees-

producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van

de Europese Unie (PbEG L 204);

1. (994830-08)

hij

in de gemeente [pleegplaats],

op of omstreeks 16 juni 2008,

opzettelijk

14, althans een aantal, runderen, heeft gehouden,

die toen (alle)(ruim) ouder waren dan 3 werkdagen,

terwijl die runderen (telkens) niet overeenkomstig de Regeling identificatie

en registratie van dieren en/of titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000

waren/was geïdentificeerd en/of geregistreerd,

immers waren die runderen niet overeenkomstig het gestelde in artikel 15

eerste lid van genoemde regeling en/of artikel 4, eerste lid van genoemde

verordening, binnen 3 werkdagen vanaf de dag van de geboorte geïdentificeerd

met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor,

aangezien bij die runderen in het geheel geen oormerken waren aangebracht;

2. (994830-08)

hij

in de gemeente [pleegplaats],

op of omstreeks 16 juni 2008,

althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2007

tot en met 16 juni 2008 (telkens)

opzettelijk,

11, althans een of meer, runderen, heeft gehouden,

die toen (alle) ouder waren/was dan 3 werkdagen,

terwijl die/dat rund(eren) (telkens) niet overeenkomstig de Regeling

identificatie en registratie van dieren en/of titel I van Verordening (EG) nr.

1760/2000 waren/was geïdentificeerd en/of geregistreerd,

immers waren/was die/dat runderen niet (telkens) overeenkomstig het gestelde

in artikel 15 eerste lid van genoemde regeling en/of artikel 4, eerste lid

van genoemde verordening, binnen 3 werkdagen vanaf de dag van de geboorte

geïdentificeerd met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in

elk oor,

aangezien bij die runderen (telkens) slechts in één oor een oormerk was

aangebracht;

3. (994830-08)

hij

in de gemeente [pleegplaats],

op of omstreeks 16 juni 2008,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk

5 runderen, waarop door [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2],

beiden ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar,

op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren,

in elk geval krachtens de wet,

beslag was gelegd,

en waarover verdachte door genoemde ambtena(a)r(en) als bewaarder was

aangesteld,

aan dat beslag heeft onttrokken,

hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar

nadat door genoemde ambtena(a)r(en) in een of meer bedrijfsgebouwen op perceel

[adres verdachte] beslag was gelegd op 17 runderen,

welke niet op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren

en/of titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 waren/was voorzien van een

oormerk in elk oor,

en genoemde ambtena(a)r(en) verdachte daarover als bewaarder had(den)

aangesteld,

opzettelijk 4 runderen in een door een tractor voortbewogen aanhangwagen

(veewagen) van genoemd perceel hebben/heeft overgebracht naar perceel

[adres] en/of aldaar achtergelaten en/of

een rund in de kofferbak van een door verdachtes echtgenote bestuurde

(personen)auto, waarin verdachte ook had plaatsgenomen, van genoemd perceel

([adres verdachte]) hebben/heeft overgebracht en/of doen of laten overbrengen naar

perceel [adres] en/of (vervolgens) aldaar uit de

kofferbak is gestapt en/of dat rund uit die kofferbak heeft gehaald of

geholpen en/of dat rund aan een touw heeft meegevoerd;

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het niet of onvoldoende merken van runderen, het niet aanmelden van runderen bij het Identificatie en Registratiesysteem rund (hierna te noemen: I&R-systeem) en het onttrekken van runderen aan het beslag.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is aangevoerd dat geen van de ten laste gelegde feiten kan worden bewezen. De raadsman heeft daartoe gesteld dat in de tenlastelegging de toepasselijke regelgeving ten onrechte is aangehaald als 'Regeling identificatie en registratie van dieren'. De regelgeving had moeten worden aangehaald als 'Regeling identificatie en registratie van dieren 2003', zoals is bepaald in artikel 47 van die Regeling. Nu dit niet is gebeurd, moet vrijspraak volgen, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen dieren heeft de raadsman verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1935, NJ 1936, 23, waarin is overwogen dat het enkel uitspreken van de woorden "ik leg beslag op al uw aanwezig rundvee" nog niet meebrengt dat op rechtsgeldige wijze beslag is gelegd. De situatie van verdachte is te vergelijken met de situatie waarvan sprake was in de zaak waarover de Hoge Raad in voornoemd arrest heeft geoordeeld. Daarom is in de zaak van verdachte evenmin sprake van een rechtsgeldige beslaglegging. Er kan dus ook niet worden gesproken van onttrekking aan dat beslag, zodat verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Beoordeling

De economische politierechter heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

(994840-08)

Een proces-verbaal met nummer 50578 d.d. 5 augustus 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 3], opsporingsambtenaren, met daarin als verklaring van verbalisanten:

Op 31 juli 2008 bevonden wij ons op het bedrijf van [verdachte]. Wij waren in het bezit van een stallijst I&R d.d. 30 juli 2008.

Wij telden in totaal 6 runderen welke niet van een merk waren voorzien. Gelet op de fysieke kenmerken waren deze ruim ouder dan 3 werkdagen. Gelet op de stallijst stelden wij vast dat deze 6 runderen niet waren aangemeld bij het I&R systeem rund.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, op 31 juli 2008, van verdachte, welk proces-verbaal is opgenomen in het proces-verbaal met nr. 50578, als verklaring van verdachte:

Mijn vrouw kan niet op internet komen en daarom zijn deze kalveren niet aangemeld. Ik merk de dieren niet op zo'n jonge leeftijd, vanwege dierenwelzijn.

(994830-08)

Een proces-verbaal met nummer 49818 d.d. 7 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], opsporingsambtenaren, met daarin als verklaring van verbalisanten:

Op 16 juni 2008 bevonden wij ons op het bedrijf van [verdachte]. Wij waren in het bezit van een actuele stallijst, peildatum 15 juni 2008, I&R.

Wij telden in totaal 14 runderen welke niet van een merk waren voorzien. Gelet op de fysieke kenmerken stelden wij vast dat deze runderen alle ruim ouder waren dan drie werkdagen. Wij telden 11 runderen welke van slechts één merk waren voorzien.

Aan [verdachte] is meegedeeld dat 17 runderen in beslag waren genomen en dat de afvoer werd geregeld. In afwachting van vervoer is aan [verdachte] meegedeeld dat hij zolang als bewaarder van de in beslag genomen runderen was aangewezen.

Wij zagen vanaf het erf van [verdachte] een personenauto vertrekken. Mevrouw [verdachte] bestuurde de auto en in de kofferbak zat [verdachte] met naast hem een kalf. Wij zagen dat dit kalf niet van merken was voorzien en naar schatting 3-4 maanden oud was. Wij zagen dat zij naar een veehouderijbedrijf aan de [adres verdachte] te [pleegplaats] reden. [verdachte] stapte uit de kofferbak en het rund werd door hem uit de kofferbak geholpen. Hij voerde het kalf mee middels een touw.

Gelijk hierna zijn wij teruggegaan naar het bedrijf van [verdachte]. Wij telden dat 4 runderen ontbraken van de 17 die wij die ochtend in beslag hadden genomen.

Dezelfde dag bevonden wij ons op het perceel [adres verdachte] te [pleegplaats]. Hier troffen wij een trekker met aanhangwagen aan. Wij zagen hierin 4 runderen, die niet waren voorzien van merken. Gelet op de uiterlijke kenmerken, zoals de rood-bonte kleur en haaraftekening van de runderen, de conditie van de dieren en een aangebracht touw om een van de achterpoten van een rund stelden wij vast dat dit de 4 runderen waren, welke wij eerder op die dag op het bedrijf van [verdachte] in beslag hadden genomen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, op 16 juni 2008, van verdachte, welk proces-verbaal is opgenomen in het proces-verbaal met nr. 49818, als verklaring van verdachte:

Ik ben de tang kwijt, waardoor ik de kalveren niet kan merken. Als ik een merk ingedrukt heb, moet het kalf daar eerst van bijkomen. Daarom breng ik eerst maar één merk in.

Ik meen dat de inbeslagname pure diefstal is. Dat was voor mij de reden om wat te doen. Ik weet niet wie op het adres [adres verdachte] te [pleegplaats] woont waar mijn vrouw en ik zijn gestopt.

De 4 kalveren in de kar die op het adres [adres verdachte] te [pleegplaats] stond, horen bij de 17 inbeslaggenomen kalveren. De 4 kalveren in de kar zijn van mij. De man die op dat adres woont, speelt hierin geen enkele rol. Die man heeft de kalveren niet vervoerd. Er blijft er dus maar één over die het gedaan heeft.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, op 24 juni 2008, van [getuige], welk proces-verbaal is opgenomen in het proces-verbaal met nr. 49818, als verklaring van de getuige:

Vorige week maandag zag ik dat de trekker met veewagen van [verdachte] achter het hek op mijn erf stond. Ik wist niet waarom deze hier stond. Omdat ik nieuwsgierig was heb ik even gekeken in de veewagen. Toen zag ik 4 runderen staan, rode blaarkoppen. Toen wist ik dat deze van [verdachte] waren.

De economische politierechter overweegt het volgende.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat de Regeling identificatie en registratie van dieren (hierna te noemen: de Regeling) in de tenlastelegging niet goed is aangehaald omdat het jaartal 2003 ontbreekt, overweegt de economische politierechter als volgt.

Bij de Wijziging Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 (gepubliceerd in de Staatscourant 2004, nr. 242, pagina 17) is de verplichting tot het aanhalen van het jaartal van de Regeling komen te vervallen (zie hiervoor de Wijziging, onder R). Deze wijziging is in werking getreden op 17 december 2004. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Het verweer van de raadsman dat er nog geen sprake zou zijn van - zo verstaat de economische politierechter de raadsman - een volledige beslaglegging, wordt verworpen. Daartoe overweegt de economische politierechter dat de in beslag nemende opsporingsambtenaren, na de mededeling aan verdachte dat er beslag werd gelegd op de runderen, nadere maatregelen hebben getroffen ter zake van de inbeslagneming. Zo is verdachte aangesteld als bewaarder. Dat het, zoals de officier van justitie ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, gelet op de persoon van verdachte wellicht een ongelukkige beslissing van de opsporingsambtenaren is geweest om verdachte als bewaarder aan te stellen, maakt dit niet anders.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat

1. (994840-08)

hij in de gemeente [pleegplaats] op 31 juli 2008 opzettelijk 6 runderen heeft gehouden, die toen alle ouder waren dan 3 werkdagen, terwijl die runderen telkens niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren en titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 waren geïdentificeerd en geregistreerd, immers waren die runderen niet overeenkomstig het gestelde in artikel 15 eerste lid van genoemde regeling en artikel 4, eerste lid van genoemde verordening, binnen 3 werkdagen vanaf de dag van de geboorte geïdentificeerd met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor, aangezien bij die runderen in het geheel geen oormerken waren aangebracht.

2. (994840-08)

hij in de gemeente [pleegplaats] op meerdere tijdstippen in de periode van 16 juni 2008 tot en met 31 juli 2008 opzettelijk 6 dieren, te weten runderen, heeft gehouden terwijl die runderen telkens niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren waren geïdentificeerd en geregistreerd, immers heeft hij, verdachte, als houder van die runderen in strijd met artikel 20, eerste lid van genoemde regeling, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, niet telkens gedurende de termijn van 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis waarvan kennisgeving had behoren te worden gedaan in kennis te stellen van de gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 204).

1. (994830-08)

hij in de gemeente [pleegplaats] op 16 juni 2008 opzettelijk 14 runderen heeft gehouden die toen alle ruim ouder waren dan 3 werkdagen, terwijl die runderen telkens niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren en titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 waren geïdentificeerd en geregistreerd, immers waren die runderen niet overeenkomstig het gestelde in artikel 15 eerste lid van genoemde regeling en artikel 4, eerste lid van genoemde verordening, binnen 3 werkdagen vanaf de dag van de geboorte geïdentificeerd met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor, aangezien bij die runderen in het geheel geen oormerken waren aangebracht.

2. (994830-08)

hij in de gemeente [pleegplaats] op 16 juni 2008 opzettelijk 11 runderen heeft gehouden die toen alle ouder waren dan 3 werkdagen, terwijl die runderen telkens niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren en titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 waren geïdentificeerd en geregistreerd, immers waren die runderen niet telkens overeenkomstig het gestelde in artikel 15 eerste lid van genoemde regeling en artikel 4, eerste lid van genoemde verordening, binnen 3 werkdagen vanaf de dag van de geboorte geïdentificeerd met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor, aangezien bij die runderen telkens slechts in één oor een oormerk was aangebracht.

3. (994830-08)

hij in de gemeente [pleegplaats] op 16 juni 2008 opzettelijk 5 runderen, waarop door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren beslag was gelegd en waarover verdachte door genoemde ambtenaren als bewaarder was aangesteld, aan dat beslag heeft onttrokken, heeft verdachte toen aldaar nadat door genoemde ambtenaren in een of meer bedrijfsgebouwen op perceel [adres verdachte] te [pleegplaats] beslag was gelegd op 17 runderen, welke niet op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren en titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 waren voorzien van een oormerk in elk oor en genoemde ambtenaren verdachte daarover als bewaarder hadden aangesteld, opzettelijk 4 runderen in een door een tractor voortbewogen aanhangwagen van genoemd perceel heeft overgebracht naar perceel [adres] te [pleegplaats] en aldaar achtergelaten

en een rund in de kofferbak van een door verdachtes echtgenote bestuurde personenauto, waarin verdachte ook had plaatsgenomen, van genoemd perceel ([adres]) heeft overgebracht naar perceel [adres verdachte] te [pleegplaats] en vervolgens aldaar uit de kofferbak is gestapt en dat rund uit die kofferbak heeft gehaald en dat rund aan een touw heeft meegevoerd.

De economische politierechter heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de economische politierechter bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 en 2 (994840-08), feit 1 en 2 (994830-08) telkens

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 105, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

feit 3 (994830-08)

Opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegde beslag onttrekken, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Door de raadsman is allereerst verwezen naar het faxbericht d.d. 3 december 2008, dat hij voorafgaand aan de terechtzitting aan de economische politierechter heeft doen toekomen. In dat faxbericht is neergelegd welke bezwaren verdachte heeft tegen het aanbrengen van oormerken bij jonge runderen. De raadsman heeft aangegeven dat verdachte deze bezwaren handhaaft. Verdacht beroept zich dan ook op een overmachtsituatie. In de visie van verdachte is het inbrengen van de oormerken binnen drie dagen na de geboorte dierenmishandeling.

De economische politierechter overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 40, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren verbiedt het verrichten van lichamelijke ingrepen bij een dier waardoor een deel of delen van het lichaam wordt of worden beschadigd. In het tweede lid van dit artikel is gesteld dat het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing is op ingrepen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen en overige bij of krachtens enig wettelijk voorschrift verplichte dan wel toegestane ingrepen. Reeds hiermee is het beroep op overmacht verworpen. In dit verband wijst de economische politierechter voorts op het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2008, LJN: BC8651, welk arrest ter terechtzitting aan de orde is geweest.

Bij dit alles komt dat verdachte, die ter terechtzitting zijn principiële bezwaren tegen het oormerken nog eens heeft benadrukt, niet verplicht is een dier of dieren te houden. Door dit toch te doen, heeft hij zich in een toestand gebracht waarin hij kennelijk meent in een overmachtsituatie te verkeren.

Verdachte heeft ter terechtzitting voorts aangegeven dat er in zijn visie meer diervriendelijke methoden van identificatie en registratie van dieren zijn, zoals het chippen van dieren kort na de geboorte. De economische politierechter overweegt dat verdachte zich hieromtrent moet wenden tot de politiek. In het kader van de onderhavige procedure kan de economische politierechter hierover geen uitspraak doen.

De economische politierechter acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot:

- een geldboete van € 1000,- subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, die in 20 termijnen zou kunnen worden betaald;

- ontzetting van het recht, het beroep van boer uit te oefenen voor de duur van drie jaar;

- gehele stillegging van de onderneming van verdachte, waarin het economische delict is begaan, voor de duur van een jaar;

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen runderen.

De officier van justitie heeft, op de voet van artikel 379 van het Wetboek van Strafvordering, gevorderd dat de economische politierechter schriftelijk vonnis zal wijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor algehele vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging.

Oordeel van de economische politierechter

De economische politierechter acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon en de draagkracht van verdachte, voor zover een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts heeft de economische politierechter bij de beslissing de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman in aanmerking genomen.

De economische politierechter heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is een hardnekkige recidivist. Verdachte is laatstelijk veroordeeld door de meervoudige economische kamer van deze rechtbank bij vonnis van 17 maart 2008, LJN: BC6869, tot voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van zes maanden. Voorts is, bij datzelfde vonnis, de tenuitvoerlegging bevolen van het vonnis van de economische politierechter van 18 december 2006, voor zover dat betrekking heeft op de toen voorwaardelijke opgelegde stillegging van de onderneming voor de duur van zes maanden. Verdachte is van het vonnis van 17 maart 2008 in hoger beroep gegaan. Op dit hoger beroep is, voor zover de economische politierechter bekend, nog niet beslist. Het vonnis van 17 maart 2008 is tot op heden dan ook niet geëxecuteerd.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting benadrukt dat stillegging van de onderneming neerkomt op de economische doodstraf voor verdachte. De politierechter merkt hieromtrent op dat het er evenwel op lijkt dat verdachte, met zijn hardnekkige recidive, bijna onafwendbaar afstevent op daadwerkelijke stillegging van zijn onderneming. Dat zal voor verdachte (en zijn gezin) zeer ingrijpend zijn. Niettemin is de economische politierechter van oordeel dat stillegging van de onderneming op zich bij uitstek geschikt is voor toepassing op verdachte, nu verdachte er een- en andermaal blijk van geeft de wet niet te willen naleven. Verdachte is onverminderd gehouden de toepasselijke wettelijke bepalingen na te leven zolang niet voor de door hem bepleite alternatieve en meer diervriendelijke methoden in de regelgeving ruimte wordt geboden.

De economische politierechter is evenwel van oordeel dat aan het andermaal, bij vonnis van heden, opleggen aan verdachte van de sanctie van stillegging van de onderneming, geen meerwaarde toekomt. Ditzelfde geldt voor het opleggen van de sanctie van ontzetting van het recht, het beroep van boer uit te oefenen. Daarbij is van belang dat, zoals hiervoor reeds vermeld, nog dient te worden beslist op het hoger beroep dat verdachte heeft ingesteld tegen het vonnis van 17 maart 2008.

De economische politierechter overweegt voorts als volgt.

Ter terechtzitting is verdachte op de economische politierechter overgekomen als een principiële man met een beperkte frustratietolerantie, die snel boos kan worden als hij het niet eens is met de gang van zaken. Daarbij komt dat verdachte zó in elkaar steekt, dat hij het voor zijn gevoel niet over zijn kant kan laten gaan als - zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij dit ervaart - "de AID zijn dieren afsteelt". Aan de andere kant is verdachte op de economische politierechter overgekomen als een emotionele man, die gevoelens van onmacht ervaart als er met hem dingen gebeuren die in zijn beleving onterecht zijn.

Gelet op de voorliggende strafdossiers lijkt het er naar het oordeel van de economische politierechter op dat de voornaamste oplossingsstrategie van verdachte is, hoe dan ook niet in te binden en zich in woord en daad te verzetten indien wordt overgegaan tot wetshandhaving. Deze strategie is niet adequaat en heeft ertoe geleid dat verdachte, bij vonnis van heden, wederom zal worden veroordeeld voor het plegen van (economische) delicten.

Verdachte zal zich naar het oordeel van de economische politierechter dienen in te spannen om datgene te doen wat in zijn vermogen ligt om justitiecontacten in de toekomst te voorkomen. De economische politierechter hoopt dat verdachte bereid is die inspanning - die voor hem buitengewoon groot zal zijn - te leveren. Daarvoor is wel vereist dat verdachte zelf inziet dat het zó niet verder kan gaan. Meer nog: verdachte zal voor hemzelf de beslissing moeten nemen, in het vervolg de wet te zullen gaan naleven.

Alles afwegende, waarbij de economische politierechter in het bijzonder heeft gelet op de veelvuldige recidive van verdachte, kan niet worden volstaan met het opleggen van een geldboete, nog daargelaten dat de financiële draagkracht van verdachte een geldboete nauwelijks toelaat, voor zover daarvan althans ter terechtzitting is gebleken.

Voorts is de economische politierechter van oordeel dat oplegging van een werkstraf niet geëigend is, gelet op de persoon van verdachte.

Gelet op al het vorenoverwogene zal de economische politierechter daarom - in afwijking van de vordering van de officier van justitie - aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van na te melden duur. Het signaal dat de economische politierechter met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte wil geven is dat het menens is: zo verdachte in de toekomst wederom overgaat tot het plegen van vergelijkbare strafbare feiten, ligt tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf in de rede.

Daarnaast is de economische politierechter van oordeel dat de inbeslaggenomen runderen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu het in de zin van artikel 33a van het Wetboek van strafrecht voorwerpen zijn met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De economische politierechter heeft gelet op

- de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 198 van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 4 en 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000;

- artikel 105 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

- artikel 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren;

- de artikelen 13, 15, 20 en 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren;

- de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De economische politierechter:

- verklaart het onder 1 en 2 (994840-08) en onder 1, 2 en 3 (994830-08) tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 en 2 (994840-08) en onder 1, 2 en 3 (994830-08) meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd:

- vier runderen, blaarkop rood (994840-08);

- zeventien runderen, blaarkop rood (994830-08).

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R. Depping, economische politierechter, in tegenwoordigheid van M. Smit-Colnot, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2008.