Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BG8065

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
105791/KG ZA 08-383
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Regeling

BW art. 4:52

Essentie

Analogische toepassing van artikel 4:52 BW in situatie dat huwelijk niet was beëindigd doordat verzuimd was de echtscheidingsbeschikking in te schrijven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 105791 / KG ZA 08-383

Vonnis in kort geding van 19 december 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. N. Hollander,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.M. Rietveldt.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 12 november 2008;

- de mondelinge behandeling ter zitting van 18 december 2008, alwaar partijen vergezeld van hun raadslieden zijn verschenen;

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is tot 5 februari 2008 buiten gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de heer [X], stiefvader van [gedaagde]. Het huwelijk is door het overlijden van de heer [X] op 5 februari 2008 ontbonden.

2.2. De heer [X] heeft op 11 juni 1991 een testament laten opmaken.

Bij akte is - voorzover thans van belang - het volgende bepaald:

“(…)

Indien ik kom te overlijden tijdens mijn huwelijk met mijn echtgenote mevrouw [eiseres] benoem ik haar tot mijn enige erfgename.

Indien ik kom te overlijden tegelijk met of na mijn genoemde echtgenote benoem ik tot mijn enige erfgename de stichting Nederlandse Hartstichting, gevestigd te ’s-Gravenhage.”

2.3. Bij beschikking van 16 oktober 2007 heeft de rechtbank te Groningen de echtscheiding tussen [eiseres] en de heer [X] uitgesproken. Deze beschikking is niet in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

2.4. Ten tijde van zijn overlijden was de heer [X] eigenaar van een auto Opel Astra 2.0 DTH (verder te noemen de Opel).

2.5. [gedaagde] is thans in het bezit van de Opel.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot afgifte van de Opel, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft de Opel af te geven, zulks met een maximum van € 25.000,00. Tevens vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. Ter toelichting op haar vordering voert [eiseres] aan, dat zij enig erfgename is van de heer [X] en derhalve eigenaar van de Opel. Zij heeft de Opel niet aan [gedaagde] geschonken en [gedaagde] dient de Opel dan ook aan haar af te geven. Zij heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, omdat zij nu de auto niet kan gebruiken en de waarde van de auto in de loop der tijd afneemt.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang in voldoende mate aanwezig; een auto neemt elke maand in waarde af, zeker als het voertuig ook wordt gebruikt.

Het enkele gegeven dat [eiseres] eerst na maanden nadere stappen heeft ondernomen om haar recht te verkrijgen, maakt niet dat zij in kort geding geen vordering meer kan instellen.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de auto aan hem toekomt/in zijn bezit is gekomen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, maar hieraan moet worden voorbij gegaan. Het wezen van een natuurlijke verbintenis is immers juist dat deze rechtens niet-afdwingbaar is (art. 6:3 BW), (derhalve) ook niet als verweer kan worden ingezet.

[gedaagde] heeft voorts gesteld dat de auto aan hem is geschonken. [eiseres] weerspreekt uitdrukkelijk dat er tussen partijen een overeenkomst van schenking is gesloten.

De voorzieningenrechter overweegt dat het op de weg van [gedaagde] ligt om (gelet op

art. 150 Rv) het bewijs van zijn stelling te leveren; een kort geding leent zich echter niet voor zulke bewijslevering. [X]oorshands is er onvoldoende grond om aan te nemen dat [eiseres] de auto ‘zo maar’ aan [gedaagde] heeft geschonken (zeker niet nu [gedaagde] heeft erkend dat de eerste reactie van [eiseres] was om hem de auto te koop aan te bieden).

[gedaagde] heeft vervolgens aangevoerd dat de testamentaire making ten gunste van [eiseres] vernietigbaar is, gelet op art. 4:43 lid 2 BW.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter legt [gedaagde] genoemde wetsbepaling onjuist uit. De wet spreekt hier van het opmaken van een testament onder invloed van een onjuiste beweegreden. Deze omschrijving heeft geen betrekking op de situatie die zich voordeed toen gedaagde in 1991 zijn testament opmaakte en hij heel bewust zijn toenmalige echtgenoot tot enig erfgenaam benoemde.

De voorzieningenrechter acht de vordering niet toewijsbaar vanwege het in art. 4:52 BW bepaalde, waar [gedaagde] zich – uiterst subsidiair – op heeft beroepen. In art. 4:52 BW is vastgelegd dat een making ten voordele van een echtgenoot vervalt door de beëindiging van het huwelijk door echtscheiding. Voorop gesteld zij dat de deze bepaling onmiddellijke werking heeft, dus ook betrekking heeft op dit in 1991 opgemaakte testament.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat niet gesteld of gebleken is dat de echtscheiding in dit geval opzettelijk achterwege is gebleven; er moet vanuit worden gegaan dat er geen oogmerk heeft bestaan om het huwelijk (alsnog) in stand te laten, maar dat louter door toeval of vergeetachtigheid inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet heeft plaatsgevonden. [eiseres] bedoelde het huwelijk met de heer [X] te doen eindigen, slechts door een buiten haar wil gelegen oorzaak is dat niet gerealiseerd. Daarmee is de nu gegeven situatie zozeer op één lijn te stellen met het door de wet in art. 1:52 BW geregelde geval, dat de voorzieningenrechter uitgaat van analogische toepassing van die bepaling.

De consequentie van het ‘vervallen’ van de making ten gunste van [eiseres] is overigens, dat de Hartstichting thans geacht moet worden enig erfgenaam te zijn; dat is evenwel niet van invloed op de nu te nemen beslissing op de vordering van [eiseres].

4.2. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde]r worden begroot op:

- betaald vast recht 63,50

- in debet gesteld vast recht 190,50

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.070,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op

EUR 1.070,00, waarvan te betalen aan de griffie van dit gerecht EUR 1.006,50, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 192325825 ten name van MvJ arr. 539 Groningen onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer, en aan [gedaagde] EUR 63,50 aan niet in debet gestelde griffierechten.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2008.?