Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BG7468

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
103946 / FA RK 08-1884
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank beeindigt het gezamenlijk gezag van de ouders, omdat de ouders het structureel oneens zijn en verschillen in opvatting over verzorging en opvoeding en al dan niet noodzakelijke medische behandelingen ten behoeve van de kinderen. Zij lijken elkaars levenswijze niet te kunnen respecteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 103946 / FA RK 08-1884

beschikking d.d. 18 december 2008

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P.G.H. van Dijk,

en

[de man],

wonende te [adres],

verweerder,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R.F. Dirkzwager.

PROCESVERLOOP

De kinderrechter heeft op 12 maart 2008 en 2 juli 2008 (tussen)beschikkingen gegeven.

Op 26 september 2008 heeft een zitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.

Op 27 oktober 2008 is ter griffie van de rechtbank een rapport ontvangen van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (de Raad).

Op 12 november 2008 is een schrijven (een reactie op het rapport van de Raad) van de man ontvangen.

Op 8 december 2008 en 9 december 2008 zijn stukken ontvangen van de advocaat van de vrouw.

Op 12 december 2008 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: partijen, bijgestaan door hun raadslieden, en

mevrouw A.I. van Dijk, namens de Raad.

Ter zitting heeft de kinderrechter een schrijven ontvangen van [dochter 1], overgelegd door de man.

RECHTSOVERWEGINGEN

De kinderrechter neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in vorengenoemde beschikkingen. De kinderrechter heeft iedere beslissing aangehouden in afwachting van het onderzoek van de Raad naar het hoofdverblijf, het gezag en een omgangsregeling ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen:

? [dochter 1], geboren te [***] [in 1993],

? [zoon], geboren te [***] [in 1994],

? [dochter 2], geboren te [***] [in 1996],

? [dochter 3], geboren te [***] [in 1998].

Rapport en advies van de Raad

Uit het onderzoek van de Raad komt naar voren dat de kinderen klem zitten tussen de ouders, die op geen enkele wijze meer met elkaar lijken te kunnen of te willen communiceren over datgene wat in het belang is van de kinderen. De ouders hebben grote verschillen in opvatting over de opvoeding, verzorging en al dan niet noodzakelijke medische behandelingen ten behoeve van de kinderen, die leiden tot diskwalificatie van elkaar, hetgeen zorgt voor verharding van de standpunten.

In weerwil van het vorenstaande adviseert de Raad de ouders het gezamenlijk gezag te laten behouden. Ter zitting is namens de Raad verklaard dat het vorenstaande advies moet worden beschouwd als een boodschap aan de ouders.

Mede gelet op de wens van de kinderen, adviseert de Raad het hoofdverblijf van [dochter 1], [zoon] en [dochter 2] bij de vrouw te bepalen en het hoofdverblijf van [dochter 3] bij de man te bepalen. Daarnaast adviseert de Raad om een omgangsregeling tussen de man en [dochter 1], [zoon] en [dochter 2] vast te stellen, inhoudende dat de man gerechtigd is om de kinderen eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagavond tot zondagmiddag bij zich te ontvangen, alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen. De Raad adviseert een vergelijkbare omgangsregeling vast te stellen tussen de vrouw en [dochter 3].

Standpunt van de man

De man heeft ter zitting verklaard dat hij instemt met de duidelijke wens van (met name) [dochter 1] en ook [dochter 2] om bij de vrouw te gaan wonen. Hij respecteert hun keuze, maar tegelijkertijd geeft hij aan dat hij zich zorgen maakt over het onvoorspelbare gedrag van de vrouw, waar de kinderen mee te maken zullen krijgen. De man stelt dat hij het niet wenselijk acht dat de kinderen bij de vrouw wonen, maar indien [dochter 2] en [dochter 1] dit willen, gaat hij akkoord. Voor wat betreft [dochter 3] geldt dat zij, indien zij op termijn bij de vrouw wil gaan wonen, eveneens deze keuze mag maken. Op dit moment acht de man het echter niet in het belang van [dochter 3] dat zij bij de vrouw gaat wonen. [dochter 3] is nog erg jong en bovendien zal het zeer ingrijpende gevolgen voor haar hebben, indien zij op dit moment van school verandert. Op het moment dat [dochter 3] naar de middelbare school gaat, is het wellicht aangewezen om haar (opnieuw) de vraag voor te leggen bij wie zij wil wonen.

Standpunt van de vrouw

De vrouw stemt in met het advies van de Raad. Zij heeft ter zitting benadrukt dat het haar verdriet doet dat [dochter 3] vooralsnog de keuze heeft gemaakt om bij de man te blijven wonen, maar desondanks zal zij zich hierbij neerleggen. De vrouw heeft eerder een aanvullend verzoek gedaan om het hoofdverblijf van [dochter 3] bij haar te bepalen, mede gelet op het onvoorspelbare gedrag van de man.

Beoordeling

Het gezag

De kinderrechter stelt vast dat partijen het gezamenlijk gezag hebben over hun minderjarige kinderen. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd op verzoek van één of beide ouders, indien sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Beide ouders hebben verzocht het gezamenlijk gezag te beëindigen en met het eenhoofdig gezag te worden belast. Het enkele feit dat één van de ouders eenhoofdig gezag wenst, is onvoldoende grond om te bepalen dat het gezag over een kind aan één van de ouders alleen toekomt.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

De beslissing dat het gezag over een kind aan één van de ouders alleen toekomt, is slechts dan gerechtvaardigd, indien de rechter na onderzoek tot het oordeel komt dat deze in het belang van het kind is.

Het ontbreken van (goede) communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Dit kan anders zijn indien de bestaande communicatieproblemen zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders, die het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen, zonder dat te verwachten is dat in die problemen binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen.

De kinderrechter is van oordeel dat hiervan sprake is.

Zoals de Raad reeds in het rapport heeft geconstateerd, en zoals uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, hebben de ouders grote verschillen in opvatting over verzorging en opvoeding en al dan niet noodzakelijke medische behandelingen ten behoeve van de kinderen. Partijen zijn het structureel oneens en zij lijken elkaars levenswijze niet te respecteren.

De man leeft volgens antroposofische dan wel macrobiotische principes, hetgeen ook voor de kinderen gevolgen heeft. De man acht het bijvoorbeeld onwenselijk om de kinderen aan het Rijksvaccinatieprogramma te laten deelnemen en daarnaast acht hij het in hun belang dat zij de Vrije School bezoeken.

De vrouw vindt het noodzakelijk dat de kinderen thans worden ingeënt tegen de "gebruikelijke" vaccinaties en daarnaast acht zij het in het belang van de minderjarige dochters van partijen dat zij worden gevaccineerd tegen baarmoederhalskanker. De vrouw geeft er niet de voorkeur aan dat de kinderen naar de Vrije School gaan; zij heeft meer vertrouwen in een reguliere school.

De kinderrechter is van oordeel dat het, nu het dergelijke wezenlijke onderwerpen betreffen waarover partijen het oneens zijn (naast de tussen hen bestaande geschillen over op het oog minder essentiële onderwerpen als voeding en bedtijden), het onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders, voor zover daar al geen sprake van is.

Niet valt te verwachten dat de (communicatie) problemen tussen partijen binnen afzienbare tijd zullen verbeteren. Desgevraagd heeft zowel de man als de vrouw ter zitting verklaard dat zij zich niet met elkaars opvoeding bemoeien, zolang het de dagelijkse gang van zaken betreft. Dit wordt anders, indien het om wezenlijke beslissingen gaat. Overleg tussen partijen is dan echter niet mogelijk (gebleken). Partijen wantrouwen elkaar over en weer en zij beschuldigen elkaar van onvoorspelbaar en respectloos gedrag.

De kinderrechter zal, gelet op het vorenstaande, het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen beëindigen.

De kinderrechter zal de vrouw, met uitsluiting van de man, belasten met het eenhoofdig gezag over [dochter 1], [zoon] en [dochter 2] en de man zal, met uitsluiting van de vrouw, worden belast met het eenhoofdig gezag over [dochter 3]. De kinderrechter heeft hierbij aansluiting gezocht bij het advies van de Raad en de standpunten van partijen voor wat betreft het hoofdverblijf van de kinderen. Op deze manier kan op de meest praktische wijze invulling worden gegeven aan het gezag.

Het hoofdverblijf

Gelet op het vorenstaande zal de kinderrechter de verzoeken van de man dan wel de vrouw voor wat betreft het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen afwijzen.

De omgangsregeling

Voorts zal de kinderrechter het advies van de Raad volgen voor wat betreft het vastleggen van een omgangsregeling. Daarbij zij opgemerkt dat het in het belang van de kinderen is dat zij elkaar alle weekenden zien, zodat dit het uitgangspunt dient te zijn bij het bepalen van de omgangsweekenden van [dochter 1], [zoon] en [dochter 2] enerzijds en [dochter 3] anderzijds.

Overige verzoeken

De vrouw heeft verzocht om vervangende toestemming om de kinderen de gebruikelijke dan wel de medisch noodzakelijke vaccinaties te laten ondergaan en om [dochter 1] (en te zijner tijd [dochter 2] en [dochter 3]) te laten vaccineren tegen baarmoederhalskanker. Voorts heeft zij verzocht vervangende toestemming te verlenen, ingevolge artikel 7:450 BW, voor iedere situatie dat een medische behandeling noodzakelijk of wenselijk wordt geacht in het belang van de kinderen.

De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen, gelet op hetgeen hiervoor overwogen met betrekking tot het beëindigen van het gezamenlijk gezag.

De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding toe te wijzen. De rechtbank zal de proceskosten compenseren, zoals hieronder volgt.

BESLISSING

beëindigt het gezamenlijk gezag van partijen ten aanzien van de minderjarigen

? [dochter 1], geboren te [***] [in 1993],

? [zoon], geboren te [***] [in 1994],

? [dochter 2], geboren te [***] [in 1996],

? [dochter 3], geboren te [***] [in 1998];

bepaalt dat de vrouw, met uitsluiting van de man, met het gezag over voornoemde minderjarigen [dochter 1] DIJKSTRA, [zoon], en [dochter 2] wordt belast;

bepaalt dat de man, met uitsluiting van de vrouw, met het gezag over voornoemde minderjarige [dochter 3] wordt belast;

stelt de volgende omgangsregeling vast:

- de man is gerechtigd om de minderjarigen [dochter 1], [zoon] en [dochter 2] eenmaal per twee weken een weekend van vrijdagavond tot zondagmiddag, alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen bij zich te ontvangen,

- de vrouw is gerechtigd om de minderjarige [dochter 3] eenmaal per twee weken een weekend van vrijdagavond tot zondagmiddag, alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen bij zich te ontvangen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.R. Bosker en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 18 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

nw

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.